← Nederland

ECLI:NL:RBAMS:2022:2093

beschikking RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling privaatrecht Team Familie & Jeugd zaaknummer / rekestnummer: C/13/701086 / FA RK 21-2649 (COH TM) Beschikking van 13 april 2021 betreffende de proceskosten in de zaak van: [de man] , wonende te [woonplaats] , hierna te noemen de man, advocaat mr. R. Plieger te Arnhem, tegen [de vrouw] , wonende op een geheim adres, hierna te noemen de vrouw, advocaat mr. A.G. Hendriks te Amsterdam. 1De procedure 1.

  1. De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder: - het verzoek van de man, ingekomen op 21 april 2021; het verweerschrift van de vrouw, ingekomen op 22 juni 2021; aanvullende stukken van de vrouw, ingekomen op 24 december 2021; het F5-formulier van de man, houdende de intrekking van het verzoek, ingekomen op 11 januari 2022; de e-mail van de vrouw van 18 januari 2022; de e-mail van de vrouw van 24 januari 222; het F9-formulier van de man, ingekomen op 4 maart 2022; het F9-formulier van de vrouw, met producties, ingekomen op 10 maart
  2. 1.
  3. De mondelinge behandeling achter gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 15 maart
  4. 1.2.
  5. De zaak is eerder op zitting gepland geweest op 19 januari
  6. Deze zitting heeft niet plaatsgevonden omdat de man zijn verzoek had ingetrokken. De rechtbank heeft de zaak na het bericht van de man van 11 januari 2022 als afgedaan beschouwd. 1.2.
  7. De vrouw heeft hierop kenbaar gemaakt dat harerzijds nog het verzoek tot een veroordeling in de proceskosten open stond en verzocht te beslissen op dit verzoek. De rechtbank heeft hierop de zaak op zitting van 15 maart 2022 gepland. 1.2.
  8. Op deze zitting waren aanwezig en zijn gehoord de vrouw en haar advocaat. De man heeft voorafgaand aan deze zitting kenbaar gemaakt dat hij niet in persoon aanwezig zal zijn, noch zijn advocaat. Ook heeft de man zich daarbij gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank over de proceskosten. 2De beoordeling 2.
  9. Partijen hebben een relatie gehad waar op [geboortedatum] 2009 een zoon, [minderjarige] , uit is geboren. 2.
  10. De man heeft inleidend om wijziging verzocht van de bij beschikking van 4 februari 2015 bepaalde bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] van thans € 161,66 per maand. In hoofdlijn ligt aan het verzoek ten grondslag dat de man de draagkracht niet (langer) zou hebben voor de bijdrage. 2.
  11. De vrouw heeft hiertegen onderbouwd en gemotiveerd verweer gevoerd. 2.
  12. De man heeft hierop, enkel onder mededeling dat hij zijn zaak niet nader met stukken kan onderbouwen, zijn verzoek ingetrokken. 2.
  13. De vrouw heeft, met stukken onderbouwd gesteld dat zij € 1.430,- aan kosten heeft gemaakt voor deze procedure, inclusief de griffierechten. 2.
  14. De rechtbank ziet aanleiding om, in afwijking van hetgeen te doen gebruikelijk is in familiezaken, de man te veroordelen in de kosten van de procedure, aan de zijde van de vrouw op € 1.430,- begroot. 2.6.
  15. De man heeft, door de manier waarop hij de procedure heeft ingestoken en vervolgens weer heeft ingetrokken, de vrouw nodeloos op kosten gebracht. Onbetwist is dat de man op toevoeging procedeert en de vrouw niet en derhalve aan haar kant snel aanzienlijke kosten ontstaan door het voeren van verweer in een procedure. Nu van de kant van de man zelf erkend is, zoals door de vrouw aangevoerd in haar verweer, dat de man zijn verzoek niet heeft en kan onderbouwen met onderliggende stukken, ziet de rechtbank hierin voldoende grondslag om de man te veroordelen in de kosten van de procedure. Ten overvloede benoemt de rechtbank dat duidelijk naar voren is gekomen dat in de afgelopen 10/12 jaar partijen op vele punten aangaande hun minderjarige kind procederen en dat onbetwist gesteld is dat de man hiertoe vaak de initiator is geweest. Ook is gebleken dat hiermee de twistpunten tussen partijen niet per se verminderd zijn. Daarnaast komen de kosten aan de kant van de vrouw voor haar eigen rekening en kan dit geld niet meer besteed worden aan bijvoorbeeld het kind van partijen, hetgeen niet in zijn belang kan worden geacht. Bij toekomstige twisten zou daarom gedacht kunnen worden aan alternatieve vormen van geschillenbeslechting, zoals bijvoorbeeld mediation, in de hoop dat deze duurzaam tot een oplossing leiden. 3De beslissing De rechtbank: - veroordeelt de man in de kosten van deze procedure, tot op heden aan de zijde van de vrouw op € 1.430,- begroot. Deze beschikking is gegeven door mr. C.C.M. Oude Hengel, rechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. T.E. Meijer, griffier, op 13 april
  16. Voor zover tegen de beschikking hoger beroep openstaat kan dit via een advocaat worden ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam (IJdok 20 / Postbus 1312, 1000 BH).Het beroep moet worden ingesteld:- door de verzoeker en degene aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden: binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;- door andere belanghebbenden: binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.