vonnis RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling Publiekrecht Teams Strafrecht Parketnummer: 13/089248-20 (Promis) Datum uitspraak: 19 april 2022 Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen: [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1989, wonende op het adres [adres 1]. 1Het onderzoek ter terechtzitting Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 5 april
- De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. S. Kurniawan-Ayre en van wat verdachte en zijn raadsman mr. R. van Viersen naar voren hebben gebracht. 2Tenlastelegging Aan verdachte is ten laste gelegd dat hij op of omstreeks 9 maart 2020 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijk toeëigening heeft weggenomen een (deel van een) cilinderslot van een meterkast, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [persoon 1], terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn/ hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking. 3Voorvragen De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde feit en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging. 4Waardering van het bewijs 4.1 Het standpunt van het Openbaar Ministerie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het ten laste gelegde feit bewezen kan worden. 4.2 Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft vrijspraak bepleit. Verdachte heeft een plausibele verklaring voor zijn aanwezigheid in de woonflat. Hij had namelijk een opdracht als slotenmaker en had uit hoofde van zijn beroep ook het aangetroffen gereedschap bij zich. 4.3 Het oordeel van de rechtbank De rechtbank volgt de raadsman niet en overweegt hiertoe als volgt. Op 9 maart 2020 tussen 15.00 uur en 15.22 uur is verdachte met [persoon 2] in een appartementencomplex op de [adres 2] in Amsterdam. Verdachte komt samen met [persoon 2] in een Renault Kangoo aan. Verdachte probeert de centrale voordeur open te flipperen. Wanneer dit niet lukt trapt [persoon 2] tegen de deur waarna deze opengaat. Op de camerabeelden is te zien dat verdachte en [persoon 2] meerdere keren heen en weer lopen tussen de woonflat en de auto, waarbij de centrale toegangsdeur steeds wordt opengetrapt. Ook is te zien dat verdachte een keer met iets onder zijn jas naar de auto loopt. Op een gegeven moment loopt verdachte met een boormachine de woonflat in en even later loopt [persoon 2] met de boormachine in zijn hand weer terug naar de auto. Daarna vertrekken verdachte en [persoon 2] samen in de auto. In hetzelfde tijdsbestek dat verdachte en [persoon 2] in de woonflat aanwezig zijn is het cilinderslot van de meterkast behorend bij de woning van aangeefster [persoon 1] uit de deur gestolen. Korte tijd later wordt in de middenconsole van de auto onder andere een cilinderslot gevonden dat kort ervoor blijkt te zijn weggenomen uit de deur van de meterkast van aangeefster [persoon 1]. Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij niets weet van de diefstal en dat hij in het appartementencomplex was omdat hij daar een klus had als slotenmaker. Verdachte zou daar een opdracht hebben uitgevoerd voor een persoon die zich had buitengesloten. Die verklaring acht de rechtbank echter ongeloofwaardig. Verdachte heeft die verklaring allereerst op geen enkele wijze nader onderbouwd, terwijl dat (zeker ten tijde van de controle en het verhoor door de politie) eenvoudig had gekund door bijvoorbeeld de contactgegevens of het adres van de klant aan de politie te verstrekken. Daarbij weegt de rechtbank ook mee dat verdachte aanvankelijk bij de politiecontrole tegen verbalisanten heeft verklaard dat hij bij een opdracht alleen een postcode krijgt en dat hij daar dan heen gaat om te kijken of er iemand buiten op hem staat te wachten. Verdachten verschaffen zich echter direct na aankomst toegang tot het pand door de centrale toegangsdeur te flipperen en open te trappen. Dit is tegenstrijdig met de verklaring van verdachte aangezien hij blijkens die verklaring op dat moment nog helemaal niet wist of en zo ja waar hij dan precies in dit pand moest zijn. Tot slot is ook de reden van de aanwezigheid van [persoon 2] bij de vermeende slotenmakerklus onduidelijk gebleven. Onder voornoemde omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat het medeplegen van diefstal met braak kan worden bewezen. Naar de uiterlijke verschijningsvorm duiden voornoemde handelingen op een nauwe en bewuste samenwerking tussen de beide verdachten. Dat de rechtbank niet precies kan vaststellen wie welke specifieke handelingen met betrekking tot het wegnemen van het cilinderslot heeft verricht doet daaraan niet af. 5Bewezenverklaring De rechtbank acht op grond van de in de bijlage vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte op 9 maart 2020 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijk toeëigening, heeft weggenomen een (deel van een) cilinderslot van een meterkast, toebehorende aan [persoon 1], terwijl verdachte en zijn mededader dat weg te nemen goed onder hun bereik hebben gebracht door middel van braak. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad. 6De strafbaarheid van het feit Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden. 7De strafbaarheid van verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar. 8Motivering van de straffen en maatregelen 8.
- De eis van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het door haar bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een taakstraf van 80 uren, met bevel, voor het geval dat verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 40 dagen. 8.
- Het standpunt van de raadsman Primair heeft de raadsman vrijspraak bepleit. Subsidiair dient bij een strafoplegging rekening te worden gehouden met de stabiele situatie waarin verdachte zich nu bevindt. 8.3 Het oordeel van de rechtbank De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken. Verdachte heeft zich met een ander schuldig gemaakt aan de diefstal van een cilinderslot door middel van braak. Deze diefstal heeft plaatsgevonden in een appartementencomplex. Verdachte heeft door zijn handelen inbreuk gemaakt op het gevoel van veiligheid bij de bewoners en schade veroorzaakt voor de aangeefster. De rechtbank is van oordeel dat aanleiding bestaat om bij de straftoemeting af te wijken van hetgeen door de officier van justitie is gevorderd. Bij de straftoemeting heeft de rechtbank de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6 EVRM, in aanmerking genomen. In een zaak als onderhavige geldt als uitgangspunt dat binnen een termijn van twee jaar na aanvang van de redelijke termijn vonnis dient te worden gewezen. In deze zaak gaat de rechtbank uit van het moment waarop verdachte in verzekering is gesteld als het moment dat de redelijke termijn is aangevangen, te weten 9 maart
- Tussen die datum en de datum van het vonnis – 19 april 2022 – ligt een periode die de redelijke termijn met ruim één maand overschrijdt. Dit betreft een geringe overschrijding van de redelijke termijn. Dit tijdsverloop is niet aan de verdediging toe te rekenen, terwijl het ook niet kan worden gerechtvaardigd door bijvoorbeeld de ingewikkeldheid van de zaak. Daarnaast heeft de rechtbank ook kennisgenomen van het reclasseringsrapport van Inforsa van 1 maart 2022, waarin – kort gezegd – staat dat verdachte nu stabiliteit in zijn leven kent, het recidiverisico als laag wordt ingeschat en hij geen pro-criminele houding heeft. Tot slot houdt de rechtbank in het voordeel van verdachte rekening met het gegeven dat artikel 63 Sr van toepassing is in verband met een eerdere veroordeling na dit feit. Alles afwegend vindt de rechtbank een taakstraf van 50 uren passend en geboden. 8.4 Beslag Onder verdachte zijn de volgende voorwerpen in beslag genomen: 1) 1 STK Jas; opdruk 24/7 slotenservice inspectie 2) 1 STK Slotentrekker 3) 1 STK inbussleutel set 4) 1 STK Boormachine 5) 1 STK plastic flipperkaart 6) 1 STK Schroevendraaier 7) 1 STK Papier 8) 1 STK Cilinder Slot 9) 1 STK Schroevendraaier 10) 1 STK Slotentrekker De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat deze voorwerpen verbeurd moeten worden verklaard. De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de voorwerpen moeten worden teruggegeven aan verdachte, gelet op de bepleitte vrijspraak. Verbeurdverklaring De voorwerpen behoren aan verdachte toe. Nu met behulp van die voorwerpen het bewezen geachte is begaan, worden deze voorwerpen verbeurd verklaard. 8.5 Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel De benadeelde partij [persoon 1] vordert € 48,96,- aan vergoeding van materiële schade en € 300,- aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en onder oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de materiële schadevergoeding in zijn geheel kan worden toegewezen met hoofdelijkheid en dat de immateriële schadevergoeding tot een bedrag van €250,- moet worden toegewezen. De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vordering in zijn geheel moet worden afgewezen, gelet op de bepleitte vrijspraak. Subsidiair zou alleen de materiële schade in aanmerking voor vergoeding moeten komen. Vast staat dat aan de benadeelde partij door het bewezenverklaarde feit rechtstreeks materiële schade is toegebracht. De gevorderde schadevergoeding komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal daarom worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 maart 2020, hoofdelijk en onder oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De rechtbank ziet in deze zaak echter geen aanleiding om de immateriële schadevergoeding toe te wijzen. De vordering is wat betreft de concrete gevolgen voor de benadeelde partij slechts in beperkte mate onderbouwd. De gestelde schade is echter niet onderbouwd met stukken, zoals een verslag van een huisarts of een psycholoog. Hierdoor kan de rechtbank niet vaststellen dat sprake is van geestelijk letsel zoals bedoeld in artikel 6:106, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek. Voor dit gedeelte zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard. 9Toepasselijke wettelijke voorschriften De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 22c, 22d, 33, 33a, 36f, 63 en 311 van het Wetboek van Strafrecht. 10Beslissing De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing. Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek
- is weergegeven. Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij. Het bewezenverklaarde levert op: diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak. Veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 50 uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 25 dagen. Verklaart verbeurd: 1) 1 STK Jas; opdruk 24/7 slotenservice inspectie 2) 1 STK Slotentrekker 3) 1 STK inbussleutel set 4) 1 STK Boormachine 5) 1 STK plastic flipperkaart 6) 1 STK Schroevendraaier 7) 1 STK Papier 8) 1 STK Cilinder Slot 9) 1 STK Schroevendraaier 10) 1 STK Slotentrekker Wijst de vordering van de benadeelde partij [persoon 1] toe tot een bedrag van € 48,96,- (achtenveertig euro en zesennegentig eurocent) aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd (9 maart 2020) tot aan de dag van de algehele voldoening. Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [persoon 1] voornoemd, behalve voor zover deze vordering al door of namens een ander is betaald. Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil. Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering is. Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [persoon 1] aan de Staat € 48,96,- (achtenveertig euro en zesennegentig eurocent) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd (zijnde 9 maart 2020) tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van één dag. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op. Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen. Dit vonnis is gewezen door mr. J.P.W. Helmonds, voorzitter, mrs. F.W. Pieters en N. Aandewiel, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.W. van der Hoek, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 19 april
- Bijlage [...]