← Nederland

ECLI:NL:RBAMS:2022:2317

RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13/751098-22 RK nummer: 22/524 Datum uitspraak: 14 april 2022 UITSPRAAK op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 28 januari 2022 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 15 september 2021 door het Amtsgericht Hof (Duitsland) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon] geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1984 zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, gedetineerd in de [detentieplaats] , hierna te noemen de opgeëiste persoon. 1Procesgang De vordering is behandeld op de openbare zitting van 31 maart 2022. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie, mr. J.J.M. Asbroek. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman, mr. R. Zilver, advocaat te Utrecht en door een tolk in de Poolse taal. Op grond van artikel 22, derde lid, OLW heeft de rechtbank de termijn waarbinnen zij op grond van het eerste lid van dit artikel uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen. 2Identiteit van de opgeëiste persoon De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft. 3Grondslag en inhoud van het EAB In het EAB wordt melding gemaakt van een arrestatiebevel van het Amtsgericht Hof (Duitsland) van 8 september 2021, dossiernummer 21 Ds 3700 Js 12721/20. De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Duits recht strafbare feiten. Deze feiten zijn omschreven in onderdeel

  1. e)van het EAB. 4Strafbaarheid: feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a 2°, OLW zijn neergelegd. De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan. De feiten leveren naar Nederlands recht op: overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994; overtreding van artikel 107, eerste lid, van de Wegenverkeerswet; meermalen gepleegd. De raadsman heeft zich, onder verwijzing naar Duitse wetsartikelen, op het standpunt gesteld dat de feitomschrijving van feit 2 in het EAB niet voldoet aan de in het EAB vermelde kwalificatie naar Duitse recht. Daarnaast wordt in het EAB vermeld dat feit 1 (rijden zonder rijbewijs) in Duitsland een strafmaximum kent van niet meer dan twaalf maanden. Ingevolge artikel 2, eerste lid, OLW moet er echter sprake zijn van een maximum van meer dan twaalf maanden. Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat de verweren niet kunnen slagen. De rechtbank is niet bevoegd om te treden in de kwalificatie naar het recht van de uitvaardigende lidstaat die de uitvaardigende justitiële autoriteit aan het feit heeft gegeven. De rechtbank moet beoordelen of de feitelijke elementen in de feitomschrijving in het EAB ook in Nederland een strafbaar feit zouden opleveren. Dat is het geval, zoals hiervoor is overwogen. Verder volgt uit het EAB dat in Duitsland het strafmaximum voor feit 1 (rijden zonder rijbewijs) een vrijheidsstraf van één jaar is. Hiermee is voldaan aan het vereiste van artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a sub 2, OLW dat op het feit een maximumstraf van ten minste twaalf maanden is gesteld. 5Slotsom Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW, er ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan en er geen sprake is van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven, dient de overlevering te worden toegestaan. 6Toepasselijke wetsartikelen De artikelen 5, 107 en 177 van de Wegenverkeerswet 1994 en 2, 5 en 7 van de Overleveringswet. 7Beslissing STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan het Amtsgericht Hof (Duitsland) voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel
  2. e)van het EAB. Aldus gedaan door mr. O.P.M. Fruytier, voorzitter, mrs. M.E.M. James-Pater en D. Segbedzi, rechters, in tegenwoordigheid van mr. F.A. Potters, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 14 april 2022. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.