RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13/751296-21 RK nummer: 21/2091 Datum uitspraak: 13 april 2022 UITSPRAAK op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 15 april 2021 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 5 maart 2021 door de Municipal Court Vukovar (Kroatië) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1995, ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres: [BRP-adres] , hierna te noemen de opgeëiste persoon. 1Procesgang De vordering is behandeld op de openbare zitting van 30 maart 2022. Het onderzoek heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie, mr. K. van der Schaft. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. A.A. Bloemberg, advocaat te Haarlem. De rechtbank stelt vast dat in deze zaak de termijn van 90 dagen waarbinnen de rechtbank ex artikel 22 OLW op het overleveringsverzoek moet beslissen, reeds is verstreken. Dat betekent dat de rechtbank de beslistermijn niet meer kan verlengen en dat als gevolg daarvan geen grondslag meer bestaat voor gevangenhouding van de opgeëiste persoon. 2Identiteit van de opgeëiste persoon De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Nederlandse en Kroatische nationaliteit heeft. 3Grondslag en inhoud van het EAB In het EAB wordt melding gemaakt van een decision on imposing of custody door de Municipal Court Vukovar (Kroatië) van 1 december 2020 (referentie: 13 Kv-161/2020). De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteit van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een naar Kroatisch recht strafbaar feit. Dit feit is omschreven in onderdeel
- e)van het EAB. 4Genoegzaamheid De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering moet worden geweigerd, omdat de feiten in het EAB niet genoegzaam zijn omschreven. De mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon is niet duidelijk omschreven. Daarnaast wordt er gesproken van een ‘minor’, terwijl de opgeëiste persoon ten tijde van het feit 19 jaar was en ook overigens – op basis van de omschrijving van het feit – niet met zekerheid kan worden gezegd dat de verdenking ziet op de opgeëiste persoon. De rechtbank overweegt dat het EAB gegevens dient te bevatten op basis waarvan het voor de opgeëiste persoon duidelijk is waarvoor zijn overlevering wordt verzocht en het voor de rechtbank duidelijk is of het verzoek voldoet aan de in de Overleveringswet geformuleerde vereisten. Daartoe dient het EAB een beschrijving te bevatten van de omstandigheden waaronder de strafbare feiten zijn gepleegd, met vermelding van, in ieder geval, het tijdstip, de plaats en de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij de strafbare feiten. Bovendien dient die beschrijving de naleving van het specialiteitsbeginsel te kunnen waarborgen. In de onderhavige zaak geldt het volgende. Uit het EAB blijkt dat de opgeëiste persoon ervan wordt verdacht dat hij op 11 maart 2014 samen met één ander is gegaan naar het terrein van een oude baksteenfabriek in [plaats] (Kroatië), alwaar zij twee accu’s uit een vrachtwagen en een aantal liter diesel hebben gestolen, en daarnaast hebben geprobeerd om twee accu’s uit een andere vrachtwagen te stelen. De rechtbank is van oordeel dat het met deze omschrijving duidelijk moet zijn voor de opgeëiste persoon waarvoor zijn overlevering wordt verzocht en dat deze omschrijving overigens ook voldoet aan de hiervoor genoemde vereisten. Dat in de omschrijving naar de opgeëiste persoon wordt verwezen als een minderjarige, terwijl hij destijds naar Nederlands recht meerderjarig was, maakt dit niet anders. De rechtbank verwerpt aldus het verweer. In zoverre de raadsvrouw heeft willen betogen dat het EAB (mogelijk) niet ziet op de opgeëiste persoon, merkt de rechtbank op dat de identiteit van de opgeëiste persoon geheel overeenkomt met de gegevens van de gezochte persoon in het EAB. De rechtbank ziet daarom geen reden om te veronderstellen dat mogelijk om overlevering van een ander dan de opgeëiste persoon wordt verzocht. 5Strafbaarheid Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a 2°, OLW zijn neergelegd. De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan. De feiten leveren naar Nederlands recht op: Diefstal in vereniging; Poging diefstal. 6Onschuldverweer De opgeëiste persoon heeft verklaard niet schuldig te zijn. Hij stelt dat het onmogelijk is dat hij degene is die de diefstallen zou hebben gepleegd. Hij heeft dit echter tijdens het verhoor ter zitting niet aangetoond. De onschuldbewering kan reeds om die reden niet leiden tot weigering van de overlevering. 7Garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit. Zijn overlevering kan daarom worden toegestaan, indien naar het oordeel van de rechtbank is gewaarborgd dat, zo hij ter zake van de feiten waarvoor de overlevering kan worden toegestaan in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf wordt veroordeeld, hij deze straf in Nederland zal mogen ondergaan. De rechter bij de Municipal Court Vukovar (Kroatië) heeft de volgende garantie gegeven: With the reference to your letter from 1st February 2022 in a criminal case against the accused [opgeëiste persoon] , we state that we issue a guarantee that the accused [opgeëiste persoon] will be allowed to serve the mandatory sentence in prison in the Netherlands if the same person is sentenced to the mentioned prison sentence by this Court. Naar het oordeel van de rechtbank is de hiervoor vermelde garantie voldoende. 8Artikel 11 OLW De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat er sprake is van een reëel gevaar van schending van het recht op een eerlijk proces zoals neergelegd in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). Uit de bewoording van het EAB lijkt namelijk te volgen dat in de ogen van de uitvaardigende justitiële autoriteit de schuld van de opgeëiste persoon al vaststaat, terwijl het gaat om een verzoek tot overlevering ten behoeve van de strafvervolging. Daar komt nog bij dat de uitvaardigende justitiële autoriteit niet heeft gereageerd op het in artikel 21a OLW bedoelde verzoek om een advocaat toe te wijzen aan de opgeëiste persoon. Daaruit blijkt dat de uitvaardigende justitiële autoriteit geen hulp wil bieden aan de opgeëiste persoon. De rechtbank begrijpt het verweer van de raadsvrouw als een beroep op de in deze procedure toepasselijke artikelen 47 en 48 Handvest van de Europese Unie (hierna Handvest) in combinatie met artikel 11 OLW; gelet op artikel 11 OLW zou geen gevolg aan het EAB moeten worden gegeven aangezien de opgeëiste persoon na overlevering aan Kroatië een reëel gevaar loopt dat zijn grondrechten (artikelen 47 en 48 Handvest) zullen worden geschonden. De rechtbank overweegt dat niet ter discussie staat dat het EAB een verzoek betreft om overlevering ten behoeve van strafvervolging. De wijze waarop de verdenking is omschreven en de daarbij gekozen bewoording kunnen niet tot de conclusie leiden dat de schuld van de opgeëiste persoon door de uitvaardigende justitiële autoriteit als een gegeven wordt beschouwd en – in het verlengde daarvan – dat de opgeëiste persoon geen eerlijk proces zal krijgen. Dat de uitvaardigende justitiële autoriteit (nog) niet heeft voldaan aan het verzoek als bedoeld in artikel 21a OLW om een advocaat toe te wijzen, kan evenmin tot die conclusie leiden. De rechtbank is daarom van oordeel dat het verweer onvoldoende is onderbouwd en reeds hierom moet worden verworpen. 9Overig De raadsvrouw heeft verzocht de behandeling van de zaak aan te houden en heeft daartoe het volgende naar voren gebracht. De opgeëiste persoon kent een belast verleden met veel politiecontacten. Inmiddels lijkt hij echter de negatieve spiraal te hebben doorbroken. Hij bevindt zich in een reclasseringstraject, hij heeft een baan, hij woont begeleid en hij staat op een wachtlijst voor een eigen woning. Wanneer de opgeëiste persoon wordt overgeleverd, zal hij deze stabiele basis kwijtraken en mogelijk vervallen in oude patronen. Gelet ook op de geringe ernst van het strafbare feit, en dat het gaat om een oud feit waarvan de opgeëiste persoon wordt verdacht, is het de vraag of de uitvaardigende justitiële autoriteit de overlevering nog opportuun vindt. De raadsvrouw heeft daarom verzocht om de uitvaardigende justitiële autoriteit op de hoogte te stellen van de persoonlijke omstandigheden van de opgeëiste persoon, met de vraag of de uitvaardigende justitiële autoriteit de overlevering nog altijd wenselijk vindt, of dat er wellicht andere mogelijkheden zijn, waaronder het uitvaardigen van een Europees onderzoeksbevel, waardoor de opgeëiste persoon niet hoeft te worden overgeleverd. De rechtbank wijst het verzoek van de raadsvrouw af. Op grond van artikel 22, eerste tot en met zevende lid, OLW kan de rechtbank de beslistermijn onder specifieke omstandigheden verlengen. De persoonlijke omstandigheden van de opgeëiste persoon vallen niet onder één van de in dat artikel bedoelde omstandigheden en de rechtbank ziet dan ook – ondanks het verstrijken van de beslistermijn – geen aanleiding om de zaak aan te houden. De rechtbank merkt op dat de persoonlijke omstandigheden van de opgeëiste persoon in het kader van de feitelijke overlevering met de uitvaardigende justitiële autoriteit kunnen worden gedeeld. 10Slotsom Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW, er ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan en er geen sprake is van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven, dient de overlevering te worden toegestaan. 11Toepasselijke wetsartikelen De artikelen 45 en 310 Wetboek van Strafrecht en 2, 5, 6, 7 en 11 OLW. 12Beslissing STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan de Municipal Court Vukovar (Kroatië) voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel
- e)van het EAB. Aldus gedaan door mr. J.G. Vegter, voorzitter, mrs. E.G.M.M. van Gessel en J.H. Beestman, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.M. Rus, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 13 april 2022. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.