RECHTBANK AMSTERDAM VONNIS Parketnummer: 13/997105-20 (Promis) Datum uitspraak: 11 mei 2022 Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1971, ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres] , [woonplaats] (detentieadres), uit andere hoofde gedetineerd in de [naam PI] . Inhoudsopgave 1. Onderzoek ter terechtzitting 2 2. Tenlastelegging 2 3. Algemene inleiding 3 4. Voorvragen 3 4.1. Geldigheid van de dagvaarding en de bevoegdheid van de rechtbank 3 4.2. Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie ten aanzien van feit 2 3 4.2.1. Standpunt van de verdediging 4 4.2.2. Standpunt van het Openbaar Ministerie 4 4.2.3. Oordeel van de rechtbank 4 4.3. Redenen voor schorsing van de vervolging 6 5. Bewijs 6 5.1. De rechtmatigheid van de EncroChat-data als bewijs 6 5.1.1. Inleiding 6 5.1.2. De feitelijke gang van zaken rondom de EncroChat-hack 8 5.1.3. Is de verkrijging van de EncroChat-data rechtmatig? 12 5.1.4. Heeft het gebruik van de EncroChat-data in Nederland rechtmatig plaatsgevonden? 16 5.1.5. Voorwaardelijk verzoek tot het stellen van prejudiciële vragen 21 5.1.6. Voorwaardelijk verzoek op het voorwaardelijk verzoek 21 5.2. Feiten in het onderzoek 26Douglasville 22 5.2.1. Standpunt van het Openbaar Ministerie 22 5.2.2. Standpunt van de verdediging 22 5.2.3. Oordeel van de rechtbank 23 5.2.3.1. Identificatie EncroChat-gebruikers 23 5.2.3.2. Identificatie Telegram-gebruikers en dragers van bijnamen 58 5.2.3.3. Voorbereidingshandelingen (feit 1) 63 5.2.3.4. Criminele organisatie (feit 2) 71 6. Bewezenverklaring 75 7. Strafbaarheid van de feiten 76 8. Strafbaarheid van verdachte 77 9. Motivering van de straf 77 9.1. Standpunt van het Openbaar Ministerie 77 9.2. Standpunt van de verdediging 77 9.3. Oordeel van de rechtbank 77 10. Toepasselijke wettelijke voorschriften 79 11. Beslissing 80 1Onderzoek ter terechtzitting Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 26 januari 2022, 2, 7, 8, 9, 11 februari 2022 en 28 april 2022. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officieren van justitie mrs. J. Plooij en F. Heus (hierna gezamenlijk aangeduid als: het Openbaar Ministerie) en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. J-H.L.C.M. Kuijpers, naar voren hebben gebracht. Het Openbaar Ministerie heeft zijn requisitoir op schrift gesteld en dienovereenkomstig gerekwireerd. De verdediging heeft haar pleidooi in een pleitnota vastgelegd en dienovereenkomstig gepleit. Hieronder zullen, per onderwerp, steeds de standpunten van het Openbaar Ministerie en de verdediging kort worden weergegeven. 2Tenlastelegging Aan verdachte is na wijziging op de zitting van 21 mei 2021 – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan medeplegen van voorbereiding van opzettelijke wederrechtelijke vrijheidsberoving, gijzeling, afpersing en/of zware mishandeling met voorbedachten rade in de periode van 1 maart 2020 tot en met 22 juni 2020 te Wouwse Plantage, Wouw, Rotterdam, Den Haag en/of Utrecht; deelneming als oprichter en/of leider aan een organisatie, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, waaronder moord, opzettelijke wederrechtelijke vrijheidsberoving, gijzeling, afpersing in vereniging, zware mishandeling met voorbedachten rade, opzetheling en/of handelen in strijd met de Wet Wapens en Munitie in de periode van 1 november 2019 tot en met 22 juni 2020 te Capelle aan den IJssel, Den Haag, Nieuwegein, Rotterdam, Schiedam, Utrecht, Wouw, Wouwse Plantage en/of elders in Nederland en/of in Spanje. De rechtbank leest het in de vierde regel van het tweede tenlastegelegde vermelde “ [medeverdachte 1] ” als “ [medeverdachte 1] ”, omdat van een kennelijke misslag sprake is. De verbetering van deze misslag schaadt verdachte niet in zijn verdediging. De tekst van de volledige tenlastelegging is opgenomen in de bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd. 3Algemene inleiding Onderzoek 26Douglasville ziet op een groep personen die ervan wordt verdacht deel te hebben uitgemaakt van een criminele organisatie die tot doel had om – kort gezegd – derden van hun vrijheid te beroven en af te persen en daarbij zo nodig (zwaar) te mishandelen en te doden. De reden daarvoor lijkt te zijn gelegen in een conflict in het criminele milieu naar aanleiding van de verduistering van zeer aanzienlijke geldbedragen. Teneinde het hiervoor beschreven doel te bereiken is in georganiseerd verband – onder meer – een tweetal loodsen gehuurd en ingericht en is een groot aantal goederen verworven. Eén van de loodsen zou daarbij gaan dienen als uitvalsbasis voor de groep die mensen van hun vrijheid zou gaan beroven. De andere loods was uitgerust als een particuliere gevangenis met naast een aantal cellen waarin mensen opgesloten konden worden een ruimte die speciaal was uitgerust om mensen te martelen. Het onderzoek 26Douglasville is voortgekomen uit het onderzoek 26Antigo. In dat onderzoek ontstond het vermoeden dat de verdachte [medeverdachte 2] , die werd verdacht van het overtreden van de Opiumwet, op zoek was naar een loods. Onderzoek naar de verblijfplaats van [medeverdachte 2] leidde vervolgens naar de verdachte [medeverdachte 3] , die een loods bleek te huren in Wouwse Plantage. In april 2020 werd deze loods nader onderzocht. Rond die tijd werden er in het onderzoek 26Lemont EncroChat-berichten ontvangen waarvan vermoed werd dat die door [medeverdachte 2] werden verzonden en die tevens verband leken te houden met de loods in Wouwse Plantage. Nader onderzoek naar die loods en een loods in Rotterdam en de daarin en daarbij waargenomen activiteiten en het daarmee samenhangende berichtenverkeer heeft geleid tot de huidige verdenkingen. 4Voorvragen 4.1. Geldigheid van de dagvaarding en de bevoegdheid van de rechtbank De dagvaarding is geldig en deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten. 4.2. Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie ten aanzien van feit 2 4.2.1. Standpunt van de verdediging De verdediging heeft betoogd dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging van verdachte ten aanzien van feit 2, wegens strijd met het ne bis in idem-beginsel als bedoeld in artikel 68 van het Wetboek van Strafrecht (Sr), dan wel de beginselen van een behoorlijke procesorde. De verdediging heeft hiertoe aangevoerd dat verdachte in deze zaak, 26Douglasville, en in de zaak 26Sartell verdacht en vervolgd wordt voor exact dezelfde verdenking, te weten deelneming, al dan niet als leider, aan een criminele organisatie die het oogmerk heeft het plegen van misdrijven. Er is sprake van overlappende pleegperiodes, overlappende pleegplaatsen, overlappende deelnemers en overlappend bewijs uit EncroChat. Volgens de verdediging lopen beide feitencomplexen door elkaar heen. In de beide dossiers worden de zaken door de recherche ook over en weer aan elkaar gekoppeld. Bovendien zegt zelfs het Openbaar Ministerie dat het conflict dat in de zaak 26Douglasville wordt beschreven, voortvloeide uit de handel en wandel die onderwerp van onderzoek is geweest in 26Sartell en is door het Openbaar Ministerie in het onderzoek 26Sartell bij requisitoir verwezen naar activiteiten die in 26Douglasville figureren. Kortom, er is sprake van één vermeende organisatie die in twee verschillende onderzoeken naar voren komt. Dit maakt dat sprake is van ‘hetzelfde feit’ als bedoeld in artikel 68 Sr zodat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard, nu dubbele vervolging voor hetzelfde feit is uitgesloten. Volgens de verdediging is er ook sprake van strijd met de beginselen van een behoorlijke procesorde, nu dubbele aansprakelijkstelling en bestraffing niet de bedoeling was en is geweest van de wetgever en niemand twee keer voor hetzelfde feit door een procedure mag worden gekweld. Voor zover de rechtbank van oordeel is dat geen sprake is van dubbele vervolging, heeft de verdediging verzocht de zaak aan te houden en het zaaksdossier over de criminele organisatie en het requisitoir uit onderzoek 26Sartell aan het dossier toe te voegen, nu deze stukken onmiskenbaar van belang zijn voor de beslissingen die de rechtbank in het licht van artikel 350 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) dient te nemen. 4.2.2. Standpunt van het Openbaar Ministerie Het Openbaar Ministerie heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van ‘hetzelfde feit’ als bedoeld in artikel 68 Sr en evenmin van een schending van de beginselen van een behoorlijke procesorde. Het Openbaar Ministerie heeft hiertoe aangevoerd dat er geen sprake is van vervolging voor dezelfde criminele organisatie in 26Douglasville als in 26Sartell, nu het in beide onderzoeken om verschillende criminele organisaties gaat die elk andere misdrijven tot oogmerk hadden. Daarnaast komen de pleegperiodes, de pleegplaatsen, de deelnemers en de feitelijke deelnemingshandelingen niet overeen. Het feit dat het bewijs in beide onderzoeken deels uit dezelfde bron komt, namelijk EncroChat, betekent niet dat sprake is van dezelfde feiten. De in 26Douglasville gebruikte EncroChat-berichten zien immers op de beoogde geweldsfeiten, heling en het handelen in strijd met de Wet Wapens en Munitie. Bovendien is het bewijs voor de criminele organisatie in 26Douglasville op veel meer gestoeld dan alleen de EncroChat berichten. 4.2.3. Oordeel van de rechtbank De rechtbank stelt vast dat verdachte al was gedagvaard (voor de strafkamer van de rechtbank Rotterdam) in 26Sartell ter zake van (onder meer) deelneming aan een criminele organisatie, toen hij vervolgens in 26Douglasville werd gedagvaard (voor de strafkamer van de rechtbank Amsterdam) voor (onder meer) deelneming aan een criminele organisatie (feit 2). Het Openbaar Ministerie is ingevolge artikel 68 lid 1 Sr slechts dan niet-ontvankelijk in zijn vervolging in 26Douglasville, indien het de verdachte vervolgt ter zake van een feit of feiten ‘waarop bij gewijsde van een rechter in Nederland, Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba reeds onherroepelijk is beslist’. Ter zake van de in 26Sartell ten laste gelegde feiten was ten tijde van het uitbrengen van de dagvaarding en de behandeling van 26Douglasville ter terechtzitting nog geen vonnis gewezen. Reeds dat gegeven maakt dat het verweer van de verdediging in 26Douglasville, voor zover het is gebaseerd op de grondslag van artikel 68 lid 1 Sr niet kan slagen. Een niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de opvolgende dagvaarding kan echter ook aan de orde zijn vóórdat op de eerdere dagvaarding onherroepelijk is beslist, namelijk indien sprake is van omstandigheden waaruit blijkt van een zodanig verband tussen de feiten in de opeenvolgende dagvaardingen met betrekking tot de gelijktijdigheid van de gedragingen en de wezenlijke samenhang in het handelen en de schuld van de verdachte, dat de beginselen van een behoorlijke procesorde zich tegen een volgende vervolging verzet. Zowel in 26Sartell als in 26Douglasville wordt verdachte vervolgd ter zake van deelneming aan een criminele organisatie. De criminele organisatie in het onderzoek 26Sartell betreft, blijkens de door de verdediging overgelegde dagvaarding in 26Sartell, een criminele organisatie die tot oogmerk had ‘het plegen van gewoontewitwassen en het plegen van misdrijven strafbaar gesteld in de Opiumwet’. Ter terechtzitting van 21 mei 2021 heeft de officier van justitie in de zaak 26Douglasville onder meer naar voren gebracht: “Daarnaast hoeft bij een tenlastelegging van artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht strikt genomen niet het specifieke oogmerk van de organisatie te worden omschreven. Het oogmerk van de organisatie mag blijken uit het dossier en de bewijsmiddelen. Wij hebben het oogmerk nu wel omschreven in de tenlastelegging, om duidelijk te maken waar het wat het Openbaar Ministerie betreft over gaat.” Dat het de bedoeling van het Openbaar Ministerie is geweest om ook via de tekst van de tenlastelegging duidelijk te maken dat zij op een andere criminele organisatie doelt in 26Douglasville dan die in 26Sartell leidt voor de rechtbank dan ook geen twijfel. In 26Douglasville heeft de ten laste gelegde deelneming aan een criminele organisatie betrekking op een organisatie met als omschreven oogmerk ‘het plegen van moord, opzettelijke wederrechtelijke vrijheidsberoving, gijzeling, afpersing in vereniging, zware mishandeling met voorbedachten rade, opzetheling en het handelen in strijd met de Wet Wapens en Munitie’. Daarmee onderscheiden in de tenlasteleggingen de criminele organisaties zich voor wat betreft de expliciet omschreven delicten waar het oogmerk van de bedoelde organisatie zich op richt: in 26Sartell richt de organisatie zich op witwassen en Opiumwetdelicten, in 26Douglasville op ernstige geweldsdelicten. Die expliciet omschreven delicten zijn naar hun aard en met de delicten samenhangende feitelijke handelingen van de deelnemers dusdanig verschillend dat ze daarin onderscheidend zijn en er sprake is van twee verschillende organisaties, al dan niet ‘deelorganisaties’ of ‘divisies’ van één grotere organisatie. Noch het feit dat de ten laste gelegde pleegperiodes van de deelneming aan de criminele organisaties elkaar deels overlappen noch het feit dat pleegplaatsen en de deelnemers aan de criminele organisaties deels overeenkomen maakt dat daardoor sprake is van één en dezelfde criminele organisatie, juist omdat dezelfde verdachte in de afzonderlijke zaken verschillende feitelijke handelingen worden verweten. Het feit dat bewijs uit dezelfde bron, te weten EncroChat-data, is verkregen, maakt evenmin dat sprake is van één en dezelfde criminele organisatie, omdat in beide zaken (grotendeels) verschillende EncroChat-berichten deel uitmaken van het dossier en verschillende berichten redengevend zijn voor het bewijs van het oogmerk van de tenlastegelegde criminele organisatie. Conclusie Dit leidt tot de conclusie dat geen sprake is van een zodanig verband en wezenlijke samenhang tussen de tenlastegelegde feiten in 26Sartell en 26Douglasville dat de beginselen van een behoorlijke procesorde zich verzetten tegen de vervolging van verdachte in de zaak 26Douglasville. Gelet op het voorgaande wordt het verweer verworpen en is het Openbaar Ministerie ontvankelijk in de vervolging van verdachte. Het voorwaardelijke verzoek tot aanhouding van de behandeling van de zaak teneinde delen uit het dossier van 26Sartell alsmede het requisitoir in die zaak te voegen bij de processtukken in 26Douglasville, wordt afgewezen. De rechtbank ziet daar gelet op de onderbouwing van de verdediging en hetgeen hierboven is overwogen, geen noodzaak toe. 4.3. Redenen voor schorsing van de vervolging Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging. 5Bewijs De rechtbank zal eerst de rechtmatigheid van het bewijs bespreken dat is verkregen uit het berichtenverkeer dat is gevoerd via EncroChat. 5.1. De rechtmatigheid van de EncroChat-data als bewijs 5.1.1. Inleiding Enkele algemene opmerkingen De verdediging van verdachte [medeverdachte 4] heeft als meest verstrekkende verweer aangevoerd dat zowel de verkrijging als het gebruik van de EncroChat-data onrechtmatig heeft plaatsgevonden, waardoor sprake is van een onherstelbaar vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv, hetgeen zou moeten leiden tot bewijsuitsluiting en daarmee tot vrijspraak, dan wel strafvermindering. De rechtbank heeft zich in de loop van de behandeling ter terechtzitting van het onderzoek 26Douglasville al meerdere malen uitgelaten over (onderdelen van) deze discussie, in het kader van beslissingen op onderzoekswensen die door verschillende (andere) raadslieden in deze zaak zijn ingediend. Nu het onderzoek ter terechtzitting is afgerond wordt in dit vonnis een eindoordeel gegeven over het gevoerde verweer. Daar waar delen van die eerdere –voorlopige– beslissingen nog relevant zijn zal daarnaar worden verwezen of worden die verkort weergegeven. Ook zal worden verwezen naar recente vonnissen van andere rechtbanken over dezelfde materie, of zullen overwegingen soms ontleend zijn aan hetgeen in die vonnissen is overwogen. Een aantal raadslieden in het onderzoek 26Douglasville heeft zich aangesloten bij het verweer dat de verdediging van [medeverdachte 4] heeft gevoerd. De raadslieden van [verdachte] en [medeverdachte 5] hebben daarnaast ook nog zelf aanvullende opmerkingen gemaakt. Omdat de vraag of de EncroChat-data als bewijs mag worden gebruikt in alle zaken in het onderzoek 26Douglasville in meer of mindere mate relevant is, bespreekt de rechtbank deze vraag ambtshalve in alle vonnissen (voor zover niet tot een vrijspraak wordt gekomen). Daar waar nodig zullen argumenten die aanvullend op het pleidooi van de verdediging van [medeverdachte 4] zijn aangevoerd, afzonderlijk worden besproken. Om proceseconomische redenen is met de raadslieden en het Openbaar Ministerie afgesproken dat indien naar aanleiding van onderzoekswensen stukken aan het dossier zouden worden toegevoegd, (omdat de rechtbank daartoe had beslist dan wel omdat het Openbaar Ministerie daar zelf aanleiding toe zag) deze in het zaaksdossier betreffende alle verdachten zouden worden gevoegd. Dat is ook gebeurd, waardoor het zaaksdossier voor alle verdachten hetzelfde is. Het Openbaar Ministerie heeft volledigheidshalve ook de tussenbeslissingen van de rechtbank op de onderzoekswensen in het zaaksdossier gevoegd. Het toepassingsbereik van artikel 359a Sv Het gevoerde verweer moet worden beoordeeld in het kader van het bepaalde in artikel 359a Sv, dat ziet op onherstelbare vormverzuimen begaan bij het voorbereidend onderzoek. Het gaat dan om vormverzuimen die zouden zijn begaan in het onderzoek 26Lemont, nu de EncroChat-data afkomstig is uit dat onderzoek. In dit verband verwijst de rechtbank naar hetgeen zij reeds heeft geoordeeld in de beslissing van 16 juli 2021 op de onderzoekswensen van de verdediging van [medeverdachte 2] . Dat oordeel houdt kort gezegd in dat aan eventuele vormverzuimen begaan in het onderzoek 26Lemont gevolgen kunnen worden verbonden in 26Douglasville, omdat de verkregen EncroChat-berichten uit onderzoek 26Lemont van bepalende invloed lijken te zijn op het opsporingsonderzoek naar en de vervolging van verdachten in het onderzoek 26Douglasville. Niet kan worden volgehouden dat het onderzoek 26Lemont uitsluitend ziet op het bedrijf EncroChat zelf. De rechtbank gaat er daarom van uit dat het onderzoek 26Lemont ook tot doel had om strafbare feiten van de gebruikers van EncroChat op te kunnen sporen, waarna nieuwe opsporingsonderzoeken zouden worden gestart teneinde daarnaar verder onderzoek te doen. Alvorens dieper in te gaan op de vraag of de EncroChat-data rechtmatig is verkregen en gebruikt, wordt eerst de feitelijke gang van zaken rondom de EncroChat-hack uiteengezet. 5.1.2. De feitelijke gang van zaken rondom de EncroChat-hack ‘EncroChat’ betreft de naam van de aanbieder van een versleutelde berichtendienst. Een EncroChat-toestel is een gecodeerd (‘versleuteld’) toestel, in de vormgeving lijkend op een mobiele telefoon, die op grote schaal in (onder meer) Nederland en Frankrijk werd aangeboden. Het bedrijf EncroChat leverde naast deze versleutelde toestellen een pakket aan diensten, bestaande uit toegang tot een communicatienetwerk waarbinnen een gebruiker van de dienst via een chat-applicatie ‘versleuteld’ (encrypted) tekstberichten en afbeeldingen kon versturen naar en ontvangen van andere gebruikers van EncroChat-toestellen. De toestellen beschikten over een speciaal ontwikkeld besturingssysteem. Tevens was ieder toestel voorzien van een zogenaamde ‘panic wipe’ en ‘password wipe’ waarmee de inhoud van het complete toestel eenvoudig en snel gewist kon worden. Op 27 september 2017 werd door het Openbaar Ministerie het onderzoek 26Bismarck gestart naar het bedrijf EncroChat. Ook in Frankrijk werd onderzoek gedaan naar EncroChat. Op 30 januari 2020 heeft een Franse rechter een machtiging afgegeven, waarna de Franse politie een interceptiemiddel heeft geïnstalleerd op een server in Roubaix die werd gelinkt aan het bedrijf EncroChat. Op 10 februari 2020 werd in Nederland het onderzoek 26Lemont gestart. Dit onderzoek vloeide voort uit het hiervoor genoemde onderzoek 26Bismarck en richtte zich op het bedrijf EncroChat, daaraan gelieerde personen, resellers en daarnaast op de onbekende gebruikers van EncroChat-toestellen die zich schuldig zouden maken aan diverse vormen van georganiseerde criminaliteit. In het onderzoek 26Lemont heeft het Openbaar Ministerie op 13 maart 2020 een vordering ingediend bij de rechter-commissaris om een machtiging te verstrekken voor een bevel op grond van de artikelen 126uba en 126t Sv. Ter onderbouwing van deze vordering zijn de volgende stukken overgelegd aan de rechter-commissaris: - Een proces-verbaal ‘Aanvraag bevel binnendringen en onderzoek doen geautomatiseerd werk’, d.d. 13 maart 2020. - Een proces-verbaal ‘Titel V beschrijving NN gebruikers Encro c.s.’, d.d. 13 maart 2020. - Een ‘begeleidend schrijven bij aanvraag art 126uba Sv in 26Lemont’ van de zaaksofficieren van justitie in de zaak 26Lemont, d.d. 16 maart 2020. Uit deze stukken blijkt onder meer het volgende. In verschillende Nederlandse en buitenlandse opsporingsonderzoeken werden vanaf 2017 toestellen van EncroChat aangetroffen. Volgens de politie zijn de functionaliteiten van EncroChat bestemd om nasporing door politie of justitie onmogelijk te maken en snel te kunnen handelen bij een aanhouding. Bovendien hadden eerdere ervaringen met vergelijkbare aanbieders geen legitieme klanten in beeld gebracht, met uitzondering van mogelijk enkele strafrechtadvocaten, aldus de politie. Ten tijde van het schrijven van de brief van 16 maart 2020 was in (ten minste) 95 lopende onderzoeken zicht op het gebruik van EncroChat-toestellen door één of meerdere subjecten binnen criminele samenwerkingsverbanden die onderwerp van onderzoek waren. Er was zicht gekregen op circa 1750 IMEI-nummers en chat-id’s die in verband konden worden gebracht met lopende onderzoeken. Verder had het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) 46 EncroChat-toestellen gekraakt die in het kader van onderzoek naar ernstige strafbare feiten in beslag waren genomen. Uit de resultaten van dat onderzoek was gebleken dat deze toestellen werden gebruikt door verdachten die in reeds geïdentificeerde criminele samenwerkingsverbanden ernstige strafbare feiten pleegden en/of beraamden. Uit onderzoek is verder gebleken dat de infrastructuur (bestaande uit servers) van EncroChat in een datacentrum in Roubaix (Frankrijk) stond. Al het dataverkeer liep – geheel versleuteld – via deze servers. Het ging, aldus de politie, om circa 55.000 EncroChat-toestellen. De gebruikers bevonden zich over de hele wereld. Er waren vermoedelijk circa 12.000 Nederlandse gebruikers en circa 3.000 Franse gebruikers. Tot slot blijkt uit voornoemde stukken dat de vordering zich richtte op Nederlandse NN-gebruikers of NN-gebruikers in Nederland van EncroChat, tegen wie de verdenking bestond dat zij zich bezighielden met het beramen of plegen van strafbare feiten in georganiseerde verbanden die door EncroChat werden gefaciliteerd. Aan de rechter-commissaris is een lijst overgelegd van zaken en onderzoeken waarin EncroChat-toestellen zijn aangetroffen dan wel IMEI-nummers van EncroChat-gebruikers zijn onderkend en EncroChat-adressen naar voren zijn gekomen. Op 27 maart 2020 heeft de rechter-commissaris in het onderzoek 26Lemont de gevorderde machtiging ex de artikelen 126uba en 126t Sv (hierna: de 126uba Sv machtiging) verleend voor de duur van maximaal vier weken en onder een zevental voorwaarden. In deze beschikking heeft de rechter-commissaris onder meer het volgende overwogen: “Het blijkt voldoende dat de gebruikers van de door Encro c.s. aangeboden diensten waarde hechten aan communiceren op zodanige wijze dat de inhoud van de communicatie voor anderen verborgen blijft. Voorts (…) is aannemelijk dat een groot tot een zeer groot deel van de gebruikers Encro-communicatie kennelijk gebruikt in relatie tot of ten behoeve van het plegen van ernstige, de rechtsorde verstorende vormen van (georganiseerde) criminaliteit. Aannemelijk is dat de keuze voor communicatie via Encro in vele gevallen is ingegeven door de wens om afgeschermd te kunnen communiceren teneinde ontdekking van gepleegde of te plegen strafbare feiten te voorkomen en om, bij ontdekking, het onderzoeken van die feiten onmogelijk te maken. In een aantal lopende strafrechtelijke onderzoeken is gebleken dat Encrofaciliteiten daadwerkelijk worden gebruikt, waarbij het gebruik ofwel aan de gepleegde of te plegen strafbare feiten is gekoppeld dan wel aan de (NN-)gebruikers die verdacht worden van betrokkenheid bij ernstige strafbare feiten die een ernstige inbreuk op de rechtsorde (zullen) opleveren. Het blijkt dat deze zaken betrekking hebben op onder meer (voorgenomen) liquidaties, wederrechtelijke vrijheidsberoving, grootschalige georganiseerde productie van en handel in verdovende middelen, witwassen en de voorbereiding van zulke strafbare feiten. Daarmee is meer dan duidelijk geworden dat het gaat om strafbare feiten die naar hun aard en/of door het georganiseerd verband waarin zij worden gepleegd, de rechtsorde ernstig ontwrichten. Voorts is voldoende gebleken dat Encrofaciliteiten worden gebruikt binnen criminele samenwerkingsverbanden en tevens dat niet zelden tot het gebruik daarvan is overgegaan nadat publiekelijk bekend werd dat communicatie via zogenoemde PGP-servers niet meer onbereikbaar bleek voor justitiële autoriteiten. Er kan van worden uitgegaan dat het op enige wijze kennisnemen van de communicatie via Encrofaciliteiten dienstbaar is aan en noodzakelijk is voor het onderzoek naar ernstige te plegen of gepleegde strafbare feiten. Inbreuk op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de gebruikers slechts kan worden gerechtvaardigd indien er sprake is van meer dan een beginnend vermoeden ten aanzien van de relatie tussen communicatie en strafbare feiten en indien daarbij gewaarborgd wordt dat anderen dan bij die feiten betrokkenen gevrijwaard blijven van een dergelijke inbreuk. Voorts dient de toepassing van dwangmiddelen, in alle gevallen van het opnemen en kennisnemen van vertrouwelijke communicatie, te voldoen aan de eisen van subsidiariteit en proportionaliteit. Op een andere wijze dan zoals gevorderd (namelijk door het binnendringen) onderzoek doen naar de inhoud van de Encrocommunicatie is bijzonder tijdrovend en bijzonder moeilijk, waardoor er geen of zeer weinig andere (effectieve) en minder ingrijpende methoden van opsporing en onderzoek mogelijk zijn, zodat de inzet van een middel tot het opnemen en kennisnemen van de inhoud, gelet op de aard en de ernst van de omschreven strafbare feiten, proportioneel en subsidiair is. De waarborging van de vertrouwelijkheid van de communicatie kan worden vormgegeven door het hanteren van een werkwijze waarbij filters worden toegepast bij het verkrijgen van communicatie, een werkwijze die enerzijds recht doet aan het opsporingsbelang maar anderzijds verifieerbaarheid en controleerbaarheid met zich brengt. Meer dan in voldoende mate is aannemelijk gemaakt dat de communicatie slechts kan worden vergaard door gebruik te maken van een de bevoegdheid tot het binnendringen van een geautomatiseerd werk. Het geautomatiseerde werk betreft in het bijzonder (telkens) het Encrotoestel van de eindgebruiker. De Franse rechter machtigingen heeft gegeven tot het binnendringen van geautomatiseerde werken en het opnemen van informatie daaruit, hetgeen impliceert dat ook daar waar de aanbieder van de diensten is gevestigd sprake is geweest van een onafhankelijke rechterlijke controle op door het Openbaar Ministerie in te zetten (zeer ingrijpende) dwangmiddelen.” De voorwaarden die de rechter-commissaris aan de uitvoering van de machtiging heeft gesteld luiden – voor zover hier relevant – als volgt: “(…) 4. De vergaarde informatie/communicatie kan slechts worden onderzocht met toepassing van de in een proces-verbaal vastgelegde zoeksleutels (woordenlijsten) welke zullen worden opgeslagen en bewaard ten behoeve van mogelijk latere reproductie of onderzoek, zulks met uitzondering van de onderzoeken waarin reeds is vastgesteld dat er sprake is van in georganiseerd verband gepleegde strafbare feiten, welke onderzoeken zijn vermeld op een voor aanvang van de inzet van het middel, aan de rechter-commissaris over te leggen lijst; (…) 6. De vergaarde informatie/communicatie wordt na het onderzoek door middel van voornoemde zoeksleutels na maximaal twee weken aangeboden aan de rechter-commissaris om de inhoud, omvang en relatie tot de vermoedelijk gepleegde of te plegen strafbare feiten te controleren en zal niet eerder ter beschikking worden gesteld aan het Openbaar Ministerie of de politie ten behoeve van (opsporings)onderzoeken; 7. De vergaarde informatie/communicatie zal slechts ter beschikking worden gesteld voor onderzoeken naar strafbare feiten die naar hun aard, in georganiseerd verband gepleegd of beraamd, een ernstige inbreuk op de rechtsorde maken, dan wel misdrijven met een terroristisch oogmerk, een en ander voor zover die onderzoeken niet behoren tot die welke op de reeds voor aanvang van de inzet van het middel aan de rechtercommissaris overgelegde lijst zijn vermeld.” Naar aanleiding van de machtiging van de rechter-commissaris heeft de officier van justitie in onderzoek 26Lemont op 1 april 2020 een bevel 126uba Sv afgegeven. De machtiging is drie keer verlengd, het bevel twee keer. Vanaf 1 april 2020 heeft de Franse politie door de inzet van een interceptiemiddel live informatie van EncroChat-toestellen verzameld. Hoewel dit niet met zoveel woorden blijkt uit de in 26Douglasville beschikbare stukken, zijn de verdediging en het Openbaar Ministerie het erover eens dat de interceptie plaatsvond doordat via een update vanaf de Franse server een tool is ingezet op alle EncroChat-toestellen van gebruikers, waarna de op die toestellen opgeslagen informatie werd verzameld en verzonden naar de Franse autoriteiten. De Nederlandse politie heeft vanaf 1 april 2020 tot en met 24 juni 2020 data van EncroChat-toestellen van gebruikers gekopieerd. Om een zo actueel mogelijke kopie van die data van de Franse computersystemen te verkrijgen, gebruikte de Nederlandse politie een wijze van kopiëren waarbij met een zo klein mogelijke vertraging de verzamelde nieuwe data van de EncroChat-toestellen werd gekopieerd naar het onderzoeksnetwerk van de Nederlandse politie. Op 10 april 2020 hebben de Nederlandse en Franse autoriteiten een Joint Investigation Team (hierna: JIT) overeenkomst gesloten. Dit JIT richt zich op het onderzoeken van de verdenkingen rondom EncroChat en de daaraan gelieerde natuurlijke personen. Het onderzoek 26Douglasville stond niet op de lijst van onderzoeken die bij de aanvraag van de 126uba Sv machtiging is gevoegd. De rechter-commissaris heeft in zijn proces-verbaal van 7 oktober 2021 uiteengezet dat het onderzoek 26Douglasville hem door de zaaksofficieren van justitie in 26Lemont in de periode van 15 tot en met 28 april 2020 is voorgelegd. Op basis van de door de officier van justitie gegeven beschrijving van de verdenking, de aard van de strafbare feiten die vermoedelijk in georganiseerd verband werden gepleegd en de identificatie van een of meer gebruikers van EncroChat-diensten heeft de rechter-commissaris, invulling gevend aan de beoordeling zoals uiteengezet in de 126uba Sv machtiging, ingestemd met het gebruik van data uit het onderzoek 26Lemont ten behoeve van het onderzoek 26Douglasville. Onderzoek 26Douglasville is op 30 april 2020 aan de lijst toegevoegd. Op 20 april 2020 heeft één van de zaaksofficieren van justitie in 26Lemont op grond van artikel 126dd Sv toestemming gegeven informatie uit het onderzoek 26Lemont te delen met het onderzoeksteam 26Douglasville. Op 13 juni 2020 waarschuwde het bedrijf EncroChat haar gebruikers dat de autoriteiten waren binnengedrongen. Op 26 juni 2020 eindigde de interceptie door de Franse politie. 5.1.3. Is de verkrijging van de EncroChat-data rechtmatig? Korte weergave van de standpunten De verdediging van verdachte [medeverdachte 4] (hierna: de verdediging) stelt zich – samengevat – op het standpunt dat met het vergaren van alle EncroChat-data een algemene en ongedifferentieerde gegevensverzameling heeft plaatsgevonden, waarbij alle data van alle gebruikers van EncroChat is verzameld zonder dat hiervoor een verband met een strafbaar feit was vereist. Deze wijze van verkrijging van de EncroChat-data verhoudt zich niet met de waarborgen van artikel 7 en 8 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: Handvest), gelet op het bepaalde in artikel 52 lid 1 Handvest en de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: Hof van Justitie). Mocht de rechtbank van oordeel zijn dat geen sprake is van een algemene en ongedifferentieerde gegevensverzameling, dan stelt de verdediging zich op het standpunt dat het (vervolgens) bewaren en gebruiken van de data eveneens in strijd is met de artikelen 7, 8 en 52 lid 1 Handvest. Het hieraan te verbinden rechtsgevolg zou volgens de verdediging primair bewijsuitsluiting moeten zijn en subsidiair strafvermindering. Het Openbaar Ministerie stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van onrechtmatig verkregen bewijs, zodat bewijsuitsluiting en strafvermindering niet aan de orde zijn. Hierna zal eerst het toepasselijke juridisch kader worden weergegeven, in het licht van hetgeen de verdediging en het Openbaar Ministerie hebben aangevoerd. Het internationaal vertrouwensbeginsel in het kader van de verkrijging van de EncroChat-data In haar beslissing naar aanleiding van de pro forma zitting van 4 december 2020 heeft de rechtbank een aantal overwegingen gewijd aan het internationaal vertrouwensbeginsel (hierna: vertrouwensbeginsel). In onderstaande overwegingen worden deze deels herhaald. Het vertrouwensbeginsel behelst het vertrouwen dat de tot het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) toegetreden staat de bepalingen van dat verdrag eerbiedigt en dat de verdachte in geval van schending van enig ander recht dan zijn recht op een eerlijk proces, zoals bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM dat hem in dat verdrag is toegekend, het recht heeft op een daadwerkelijk rechtsmiddel als bedoeld in art. 13 EVRM voor een instantie van die staat. Frankrijk is een tot het EVRM toegetreden staat. Uit vaste rechtspraak over de reikwijdte van het vertrouwensbeginsel volgt dat ten aanzien van onderzoekshandelingen waarvan de uitvoering plaatsvindt onder verantwoordelijkheid van de buitenlandse autoriteiten van een andere tot het EVRM toegetreden staat, de taak van de Nederlandse strafrechter ertoe is beperkt te waarborgen dat de wijze waarop van de resultaten van dit onderzoek in de strafzaak tegen de verdachte gebruik wordt gemaakt, geen inbreuk maakt op zijn recht op een eerlijk proces, zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM. Het behoort niet tot de taak van de Nederlandse strafrechter te toetsen of de wijze waarop dit onderzoek is uitgevoerd, strookt met de dienaangaande in het desbetreffende buitenland geldende rechtsregels. De Nederlandse strafrechter toets evenmin of in het recht van het desbetreffende buitenland al dan niet een toereikende wettelijke grondslag bestond voor de door de verrichte onderzoekshandelingen eventueel gemaakte inbreuk op het recht van de verdachte op respect voor zijn privéleven, zoals bedoeld in artikel 8 lid 1 EVRM, en of die inbreuk geacht kan worden noodzakelijk te zijn, zoals bedoeld in het tweede lid van die bepaling. Hierboven is vastgesteld dat de interceptie heeft plaatsgevonden door middel van de inzet van een tool op de EncroChat-toestellen van individuele gebruikers. Ook wat betreft de EncroChat-toestellen die zich op Nederlands grondgebied bevonden kan dus worden vastgesteld dat de Franse politie daarin is binnengedrongen, waarna de verkregen gegevens naar een server van de Franse politie zijn gestuurd. Anders dan de verdediging heeft betoogd is de rechtbank van oordeel dat deze gang van zaken niet maakt dat op de verkrijging van de gegevens door de Franse politie het vertrouwensbeginsel niet van toepassing is. Hoewel hiermee gezegd kan worden dat feitelijk sprake is van onderzoekshandelingen (in EncroChat-toestellen) in Nederland, geldt nog steeds dat de informatie is verzameld in Frankrijk, onder verantwoordelijkheid en met toestemming van de Franse autoriteiten. Hierop is naar het oordeel van de rechtbank het vertrouwensbeginsel onverkort van toepassing. Dat zou naar het oordeel van de rechtbank alleen anders kunnen zijn als dat Franse onderzoek op verzoek van de Nederlandse justitiële autoriteiten heeft plaatsgehad en/of de Nederlandse justitiële autoriteiten een verregaande invloed hebben gehad op de inzet van de interceptietool. Van een dergelijk verzoek dan wel verregaande invloed is niet gebleken. De omstandigheid dat de bij het onderzoek naar EncroChat sprake is geweest van een nauwe samenwerking tussen Frankrijk en Nederland voorafgaand aan het sluiten van de JIT-overeenkomst en later op basis van die overeenkomst staat vast. Dit gegeven op zich doet echter niet af aan de Franse verantwoordelijkheid voor dit deel van het opsporingsonderzoek. De verdediging heeft verder nog betoogd dat de Franse autoriteiten een rechtshulpverzoek hadden moeten doen voor de inzet van de interceptietool, omdat sprake is geweest van dataverzameling in Nederland. Ook dit betoog volgt de rechtbank niet. Zoals hiervoor uiteengezet heeft de inzet van de interceptietool plaatsgevonden door en onder verantwoordelijkheid van de Franse autoriteiten, waarbij de dataverzameling heeft plaatsgevonden in Frankrijk. De enkele omstandigheid dat de feitelijke uitwerking van de interceptie heeft plaatsgevonden in Nederlandse EncroChat-toestellen dan wel in EncroChat-toestellen op Nederlands grondgebied, maakt gelet op het voorgaande niet dat daarvoor een rechtshulpverzoek was vereist. Het antwoord op de vraag of het JIT al bestond ten tijde van de start van de interceptie op 1 april 2020, omdat de JIT-overeenkomst pas is ondertekend op 10 april 2020, kan wat de rechtbank betreft in het midden blijven. Een JIT kan worden ingesteld zodat de deelnemende landen opsporingsbevoegdheden kunnen inzetten zonder dat daarvoor telkens rechtshulpverzoeken nodig zijn. Hiervoor heeft de rechtbank geoordeeld dat voor de interceptie door de Franse autoriteiten geen rechtshulpverzoek nodig was. De vraag of die interceptie plaatsvond voorafgaand aan of tijdens het JIT is daarmee niet relevant. Voorts overweegt de rechtbank dat uit de beschreven gang van zaken niet blijkt dat sprake is van een inbreuk op de soevereiniteit van Nederland, nu uit de stukken blijkt dat de Nederlandse autoriteiten op de hoogte waren van het feit dat de Franse politie een interceptietool zou inzetten die zich ook zou uitstrekken tot toestellen van Nederlandse gebruikers dan wel gebruikers op Nederlands grondgebied. Nog daargelaten dat het antwoord op de vraag of de Franse autoriteiten inbreuk zouden hebben gemaakt op de soevereiniteit van Nederland niet van belang is in het kader van de beoordeling van de strafzaak tegen verdachte. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het vertrouwensbeginsel van toepassing is op de verkrijging van de EncroChat-data door de Franse autoriteiten. Dat betekent dat de taak van de rechtbank ertoe is beperkt te waarborgen dat de wijze waarop van de resultaten van dit buitenlandse onderzoek in de strafzaak gebruik wordt gemaakt, geen inbreuk maakt op het recht op een eerlijk proces, als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het EVRM. De verdediging heeft betoogd dat bij de verkrijging van de EncroChat-data artikel 6 EVRM is geschonden, omdat gehandeld is in strijd met de onschuldpresumptie. Immers – zo stelt de verdediging – is sprake geweest van een bulkinterceptie, waarbij alle data inclusief inhoudelijke communicatie, van alle gebruikers algemeen en ongedifferentieerd is verzameld. Er is dus data onderschept van veel personen die niet in verband gebracht konden worden met strafbare feiten en zonder dat er een verdenking bestond, aldus de verdediging. De rechtbank stelt voorop dat de verdediging niet heeft onderbouwd waarom specifiek in de strafzaak tegen verdachte sprake is van handelen in strijd met de onschuldpresumptie. De verdediging beschikt met betrekking tot hun cliënt over alle voor het onderzoek relevante data. De data die aan het dossier zijn toegevoegd kunnen zonder nadere uitleg moeilijk worden begrepen als communicatie die de stelling onderbouwt dat ‘veel personen niet in verband konden worden gebracht met strafbare feiten’ en dat is gehandeld in strijd met de onschuldpresumptie. De verdediging volstaat met het maken van algemene opmerkingen, alsof jegens ‘elke burger’ en daarmee dus ook jegens verdachte met de interceptie een inbreuk is gemaakt op artikel 6 EVRM. Daarmee miskent de verdediging de kaders van artikel 359a Sv en de op haar rustende verplichting een verweer van een deugdelijke – concrete – motivering te voorzien, zodat het verweer dat bij de verkrijging van de gegevens sprake is van schending van artikel 6 EVRM reeds daarom wordt verworpen. Dit gezegd hebbende hecht de rechtbank eraan toch enkele opmerkingen te maken over de stelling dat sprake zou zijn geweest van algemene en ongedifferentieerde gegevensverzameling, omdat dit punt ook verderop in dit vonnis besproken wordt waar het gaat om het gebruik van de EncroChat-data in Nederland. Naar het oordeel van de rechtbank is bij de EncroChat-hack geen sprake is geweest van algemene en ongedifferentieerde dataverzameling. Weliswaar trof de hack een fors aantal gebruikers, maar de rechtbank volgt op dit punt de overwegingen van de rechter-commissaris in de 126uba Sv beschikking, waarin hij onder meer heeft geoordeeld dat “Aannemelijk is dat de keuze voor communicatie via Encro in vele gevallen is ingegeven door de wens om afgeschermd te kunnen communiceren teneinde ontdekking van gepleegde of te plegen strafbare feiten te voorkomen en om, bij ontdekking, het onderzoeken van die feiten onmogelijk te maken.” De rechter-commissaris overweegt voorts dat “is gebleken dat Encrofaciliteiten daadwerkelijk worden gebruikt, gekoppeld aan de gepleegde of te plegen strafbare feiten dan wel aan de (NN-) gebruikers die verdacht worden van betrokkenheid bij onder meer (…) (voorgenomen) liquidaties, wederrechtelijke vrijheidsberoving, grootschalige georganiseerde productie van en handel in verdovende middelen, witwassen en de voorbereiding van zulke strafbare feiten, (…) feiten die naar hun aard en/of door het georganiseerd verband waarin zij worden gepleegd, de rechtsorde ernstig ontwrichten.” De rechter-commissaris heeft dit oordeel gebaseerd op de feiten en omstandigheden die de politie en het Openbaar Ministerie hebben omschreven en geverbaliseerd in de bij de aanvraag overgelegde stukken. De rechtbank onderschrijft dit oordeel van de rechter-commissaris. De rechter-commissaris heeft vervolgens een afweging gemaakt tussen het belang van de waarborging van de vertrouwelijkheid van de communicatie van de gebruikers van EncroChat enerzijds en het belang van de opsporing anderzijds en heeft, om aan beide belangen recht te doen, een werkwijze voorgeschreven waarbij filters worden toegepast bij het verkrijgen van communicatie. Een werkwijze die ook verifieerbaarheid en controleerbaarheid met zich brengt. Gelet hierop volgt de rechtbank de verdediging niet in het betoog dat sprake is geweest van algemene en ongedifferentieerde gegevensverzameling. De verdediging suggereert voorts dat een EncroChat-toestel een doorsnee communicatiemiddel is dat gewoon door de gemiddelde burger wordt gebruikt, maar onderbouwt deze suggestie op geen enkele manier. Daar staat tegenover dat de politie en het Openbaar Ministerie uitvoerig hebben uitgelegd dat de werking van een EncroChat-toestel het gebruik daarvan aantrekkelijk maakt voor ‘personen die willen dat zijzelf en hun handelen niet door de justitiële autoriteiten wordt onderschept’, kort gezegd: voor criminelen. Bovendien acht de rechtbank het ook niet goed voorstelbaar dat de ‘gemiddelde burger’ net zoveel belang als criminelen zou hebben bij het gebruik van een EncroChat-toestel, dat slechts geschikt is voor communicatie met een beperkt aantal medegebruikers en waaraan hoge kosten zijn verbonden. De rechtbank schuift de enkele suggestie van de verdediging dan ook als onaannemelijk terzijde. Conclusie De verkrijging van de EncroChat-data levert geen vormverzuim op als bedoeld in artikel 359a Sv. Evenmin is sprake van een inbreuk op artikel 6 EVRM. 5.1.4. Heeft het gebruik van de EncroChat-data in Nederland rechtmatig plaatsgevonden? Inleiding Vooropgesteld wordt dat op het gebruik van de EncroChat-data in Nederland het vertrouwensbeginsel niet van toepassing is, omdat het gaat om gebruik door de Nederlandse politie dat niet onder verantwoordelijkheid van de Franse autoriteiten heeft plaatsgevonden. De rechtbank moet dus beoordelen of bij het gebruik van de EncroChat-data in onderzoek 26Lemont sprake is van vormverzuimen in de zin van artikel 359a Sv waaraan in de strafzaak jegens verdachte in het onderzoek 26Douglasville gevolgen moeten worden verbonden. De verdediging heeft aangevoerd dat het gebruik van de data in strijd is met de artikelen 7, 8 en 11 Handvest, omdat er met de verwerking inbreuk is gemaakt op de in die artikelen vervatte grondrechten, terwijl die inbreuk gelet op het bepaalde in artikel 52 van het Handvest niet gerechtvaardigd was. De verdediging heeft in dit kader onder meer verwezen naar de Richtlijnen 2002/58 en 2016/680, de Verordening 2016/679 alsmede een aantal arresten van het Hof van Justitie. Het Openbaar Ministerie stelt dat een beroep op het Handvest niet opgaat, omdat de bepalingen uit het Handvest zijn gericht tot de lidstaten, uitsluitend wanneer zij het recht van de Unie ten uitvoer brengen. Dat is volgens het Openbaar Ministerie niet het geval, omdat het hier gaat om regels van opsporing en vervolging binnen een lidstaat en die vallen niet onder het recht van de Unie. Toepasselijkheid Unierecht Uit artikel 51 lid 1 Handvest volgt dat de bepalingen uit het Handvest zich richten tot de lidstaten, uitsluitend wanneer zij het recht van de Unie ten uitvoer brengen. Daarvan is sprake wanneer een juridische situatie binnen het toepassingsgebied (ook wel de werkingssfeer) van het Unierecht valt. Wanneer nationale wetgeving wordt toegepast die is aangenomen ter omzetting van een richtlijn of een kaderbesluit, dan is sprake van het ten uitvoer brengen van Unierecht. De Europese Unie heeft het ‘Kaderbesluit 2008/841/JBZ van de Raad van 24 oktober 2008 ter bestrijding van georganiseerde criminaliteit’ (hierna: Kaderbesluit) aangenomen. De artikelen 1 en 2 beogen harmonisatie van de strafbaarstelling van deelneming aan een criminele organisatie, onder meer om grensoverschrijdende criminaliteit doeltreffender aan te kunnen pakken. Deelneming aan een criminele organisatie was ten tijde van het aannemen van dit Kaderbesluit in Nederland al strafbaar gesteld in artikel 140 Sr. Nadat het Kaderbesluit is aangenomen is artikel 140 Sr wat betreft de strafbaarstelling niet gewijzigd, kennelijk omdat de Nederlandse regering van oordeel was dat Nederland met de bestaande strafbaarstelling al voldeed aan de verplichtingen die voortvloeiden uit het Kaderbesluit. Dat neemt niet weg dat het Kaderbesluit in werking is getreden. De strafbaarstelling zoals opgenomen in artikel 140 Sr past binnen de definitie van artikel 1 van het Kaderbesluit en daarmee vallen opsporing en vervolging ter zake van deelneming aan een criminele organisatie binnen de werkingssfeer van het Unierecht. Dat betekent dus dat met de opsporing en vervolging van deelneming aan een criminele organisatie het Unierecht ten uitvoer wordt gebracht, zodat de Nederlandse autoriteiten bij die opsporing en vervolging het Unierecht moeten eerbiedigen. Gelet op het gevoerde verweer moet de rechtbank dus toetsen of bij het gebruik van de EncroChat-data is voldaan aan de bepalingen van het Handvest, meer in het bijzonder de artikelen 7, 8 en 52 van het Handvest. De verdediging heeft niet onderbouwd waarom sprake zou zijn van een inbreuk op de vrijheid van meningsuiting als bedoeld in artikel 11 Handvest, zodat dit artikel verder buiten beschouwing wordt gelaten. In aanvulling op het voorgaande wordt nog opgemerkt dat uit artikel 52 lid 3 Handvest voortvloeit dat voor zover een grondrecht uit het Handvest overeenkomst met een grondrecht uit het EVRM, de betreffende bepaling uit het Handvest niet zo mag worden uitgelegd dat het minder bescherming biedt dan het overeenkomstige grondrecht uit het EVRM. Dit betekent dat de rechtbank het gebruik van de EncroChat-data ook moet toetsen aan artikel 8 EVRM. Overigens geldt dat de rechtbank met het Openbaar Ministerie en de verdediging van oordeel is dat met het gebruik van de EncroChat-data is gehandeld binnen de werkingssfeer van Richtlijn 2016/680. Deze Richtlijn ziet op de verwerking van persoonsgegevens door bevoegde autoriteiten ten behoeve van de voorkoming, de opsporing en de vervolging van strafbare feiten en de tenuitvoerlegging van straffen. Deze Richtlijn is in Nederland geïmplementeerd in de Wet politiegegevens (Wpg) en de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens (Wjsg). Verderop in dit vonnis zal nader worden ingegaan op de vraag of bij de verwerking van de EncroChat-gegevens is gehandeld conform de uit die Richtlijn voortvloeiende verplichtingen. Op deze plaats volstaat de rechtbank met de opmerking dat – anders dan het Openbaar Ministerie heeft betoogd – omzetting van een Richtlijn in nationaal recht niet tot gevolg heeft dat een direct beroep op de bepalingen van die Richtlijn niet meer aan de orde is. Op alle nationale autoriteiten (dus niet alleen de rechter) rust de verplichting het nationale recht zoveel mogelijk uit te leggen en toe te passen in het licht van de bewoordingen en doelstellingen van de Richtlijn. Indien een burger van mening is dat het nationale recht in strijd is met een bepaling uit een Richtlijn, kan hij een beroep doen op de rechtstreekse werking van die bepaling, mits deze voldoende nauwkeurig en onvoorwaardelijk is om te worden toegepast door de nationale rechter. Relevante bepalingen uit het Handvest Voor de beoordeling van het verweer van de verdediging zijn de volgende bepalingen uit het Handvest relevant: Artikel 7 Eenieder heeft recht op eerbiediging van zijn privéleven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn communicatie. Artikel 8 Eenieder heeft recht op bescherming van zijn persoonsgegevens. Deze gegevens moeten eerlijk worden verwerkt, voor bepaalde doeleinden en met toestemming van de betrokkene of op basis van een andere gerechtvaardigde grondslag waarin de wet voorziet. Eenieder heeft recht van inzage in de over hem verzamelde gegevens en op rectificatie daarvan. Een onafhankelijke autoriteit ziet erop toe dat deze regels worden nageleefd. Uit artikel 52 lid 1 Handvest volgt wanneer beperkingen op de grondrechten als bedoeld in de artikelen 7 en 8 zijn toegelaten: Beperkingen op de uitoefening van de in dit Handvest erkende rechten en vrijheden moeten bij wet worden gesteld en de wezenlijke inhoud van die rechten en vrijheden eerbiedigen. Met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel kunnen slechts beperkingen worden gesteld, indien zij noodzakelijk zijn en daadwerkelijk beantwoorden aan door de Unie erkende doelstellingen van algemeen belang of aan de eisen van de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen. De rechtbank is van oordeel dat bij de verwerking van de EncroChat-data sprake is van beperkingen op de grondrechten als bedoeld in de artikelen 7 en 8 van het Handvest alsmede artikel 8 EVRM. De vervolgvraag die dan moet worden beantwoord is of die beperkingen voldoen aan de eisen die artikel 52 lid 1 van het Handvest daaraan stelt. Wat is de grondslag voor het gebruik van de EncroChat-data? In het voorgaande is overwogen dat de machtiging van de rechter-commissaris ex artikel 126uba Sv en 126t Sv de grondslag heeft gevormd voor het gebruik van de EncroChat-data door Nederlandse opsporingsambtenaren. Op grond van die machtiging mocht de EncroChat-data worden doorzocht en geanalyseerd door het onderzoeksteam 26Lemont, waarna de beschikbare informatie pas met andere onderzoeksteams mocht worden gedeeld nadat daarvoor aanvullende toestemming was verkregen van de rechter-commissaris. Uiteen is gezet dat voor het gebruik van de EncroChat-data door het onderzoeksteam 26Douglasville aanvullende toestemming is verkregen van de rechter-commissaris. Anders dan de verdediging is de rechtbank van oordeel dat de artikelen 126uba Sv en 126t Sv de wettelijke grondslag zijn voor het gebruiken van de EncroChat-data. In artikel 126uba Sv is geregeld dat op bevel van de officier van justitie, na machtiging daartoe door de rechter-commissaris, kan worden binnengedrongen in een geautomatiseerd werk. Deze bevoegdheid omvat mede de vastlegging van gegevens die in dat geautomatiseerde werk zijn of worden opgeslagen. Voorts regelt artikel 126t Sv de bevoegdheid om communicatie te mogen opnemen. Uit beide bepalingen volgt niet dat deze bevoegdheden enkel mogen worden ingezet tegen personen van wie de identiteit bekend is: het gaat erom dat er een redelijk vermoeden moet zijn dat de persoon (al dan niet NN) betrokken is bij het in georganiseerd verband beramen of plegen van misdrijven. Hoewel in geen van beide artikelen expliciet benoemd is dat de door de inzet van deze bevoegdheden verkregen informatie mag worden doorzocht, is het naar het oordeel van de rechtbank evident dat deze bepalingen ook het gebruik van de informatie omvatten. Het in het kader van de opsporing mogen opnemen van communicatie en het mogen binnendringen in een geautomatiseerd werk waarbij gegevens mogen worden opgeslagen zonder dat die verder zouden mogen worden doorzocht, zou betrekkelijk zinloos zijn. Uit de machtiging blijkt dat de rechter-commissaris inzicht heeft gehad in de toe te passen methode (in Frankrijk), waarna hij de gevraagde machtiging tot binnendringen onder bepaalde voorwaarden heeft verleend. Daarmee heeft de rechter-commissaris tevens toestemming gegeven voor het gebruik van de EncroChat-data. Dat de verkrijging van de EncroChat-data (door middel van het feitelijk binnendringen van de geautomatiseerde werken) is gedaan door en onder verantwoordelijkheid van de Franse autoriteiten maakt dit niet anders. Toetsing van dit gedeelte van het opsporingsonderzoek wordt – zoals hierboven overwegen – beperkt door het vertrouwensbeginsel. Het gaat erom dat de Nederlandse politie op grond van de 126uba Sv machtiging de van de Fransen ontvangen EncroChat-data heeft kunnen en mogen gebruiken. Het voorgaande betekent dat in dit geval de inmenging van de Nederlandse politie in de communicatie en daarmee het privéleven van de individuele gebruiker, zoals dat wordt beschermd door de artikelen 7 en 8 Handvest en artikel 8 EVRM, bij wet is voorzien. Proportionaliteit en subsidiariteit De vervolgvraag is of is voldaan aan de uit artikel 52 lid 1 Handvest voortvloeiende eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. De verdediging heeft in dit verband verwezen naar meerdere arresten van het Hof van Justitie. Deze arresten zijn niet één op één toepasbaar in deze zaak omdat ze veelal gaan over de uitleg van Richtlijn 2002/58 en het gevallen betreft waarin verplichtingen aan aanbieders van elektronische communicatiemiddelen worden opgelegd, zoals de verplichting tot algemene en ongedifferentieerde bewaring van de verkeers- en locatiegegevens van gebruikers. De rechtbank heeft al eerder geoordeeld dat Richtlijn 2008/58 niet van toepassing is, omdat activiteiten op strafrechtelijk gebied zijn uitgezonderd van de werkingssfeer. De verdediging stelt zich inmiddels ook op het standpunt dat Richtlijn 2008/58 niet van toepassing is. Echter, de rechtbank is het met de verdediging eens dat dit niet wegneemt dat de kaders zoals geschetst in de door de verdediging aangehaalde arresten wel degelijk relevant kunnen zijn bij de beoordeling in deze zaak. Het Unierecht is immers van toepassing en aangezien de aangehaalde arresten gaan over de artikelen 7, 8 en 52 lid 1 Handvest kunnen zij wel degelijk handvatten bieden voor de beoordeling of de inbreuken op grondrechten in deze zaak gerechtvaardigd waren. Bij de beantwoording van de vraag of is voldaan aan de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit stelt de rechtbank voorop haar oordeel dat bij de EncroChat-hack geen sprake is geweest van algemene en ongedifferentieerde dataverzameling, zoals hierboven overwogen. De rechtbank volgt de verdediging dus niet in het primaire standpunt. De verdediging heeft als subsidiair standpunt aangevoerd dat –mocht de rechtbank oordelen dat geen sprake is van algemene en ongedifferentieerde dataverzameling– ook niet wordt voldaan aan de vereisten van een strikte noodzaak (als bedoeld in artikel 52 lid 1 Handvest) voor beperking van de grondrechten van de artikelen 7 en 8 Handvest. De verdediging onderbouwt dit door te stellen dat de EncroChat-hack niet beantwoordt aan de doelstellingen van het Openbaar Ministerie. De verdediging miskent hiermee dat blijkens artikel 52 lid 1 van het Handvest beperkingen kunnen worden gesteld op de uitoefening van de in het Handvest erkende rechten en vrijheden ‘indien zij noodzakelijk zijn en daadwerkelijk beantwoorden aan de door de Unie erkende doelstellingen van algemeen belang of aan de eisen van de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen’. De vraag of is voldaan aan de specifieke doelstellingen van het Openbaar Ministerie in het onderzoek 26Lemont is niet relevant. Uit de onderzoeksbevindingen in 26Douglasville blijkt evident dat de beperkingen op de grondrechten zoals vervat in de artikelen 7 en 8 Handvest beantwoorden aan het algemeen belang of de eisen van de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen. Immers zijn de grondrechten ingeperkt met als doel bestrijding van zware, gewelddadige criminaliteit, die naar zijn aard en/of door het georganiseerd verband waarin zij wordt gepleegd, de rechtsorde ernstig ontwricht. Dat betekent dat de rechtbank ook dit betoog verwerpt. Tot slot stelt de verdediging dat niet aan de eisen van subsidiariteit is voldaan, omdat ook met andere onderzoeken had kunnen volstaan. De verdediging voert ter onderbouwing van deze stelling in grote lijnen dezelfde argumenten aan als die ten grondslag zijn gelegd aan de stelling dat niet is voldaan aan de eisen van proportionaliteit, maar legt niet uit met welke onderzoeken in haar visie had kunnen worden volstaan. Daar staat tegenover dat de rechter-commissaris – zo blijkt uit de 126uba Sv machtiging – gemotiveerd heeft geoordeeld dat de informatie niet op een andere, effectieve en minder ingrijpende wijze te verkrijgen en te gebruiken was. Gelet hierop en in het licht van het gestelde, ziet de rechtbank geen redenen om te oordelen dat het gebruik van de EncroChat-data in strijd is met de beginselen van subsidiariteit. Wet politiegegevens en Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens Met de Wet politiegegevens (Wpg) en de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens (Wsjg) is Richtlijn 2016/680 geïmplementeerd. Deze Richtlijn is van toepassing op de verwerking van persoonsgegevens door bevoegde autoriteiten ten behoeve van de voorkoming, de opsporing en de vervolging van strafbare feiten en de tenuitvoerlegging van straffen. De Richtlijn beoogt te waarborgen dat de gegevens die door de autoriteiten worden verzameld op een legitieme wijze worden verwerkt, voor legitieme doelen worden verzameld en verwerkt, en op passende wijze worden beschermd tegen ongeoorloofde en onrechtmatige verwerking. De verdediging heeft betoogd dat de Wpg de wettelijke grondslag vormt voor het gebruik van de data. Het gaat de verdediging om het gebruik van de data voordat deze met onderzoek 26Douglasville is gedeeld. Hierboven is uiteengezet dat de rechtbank van oordeel is dat de 126uba Sv machtiging de wettelijke grondslag vormt voor het gebruik van de data. Dit geldt voor zowel het gebruik in 26Lemont als het (na aanvullende toestemming daartoe) gebruik in 26Douglasville. Dat betekent dat het verweer reeds daarom wordt verworpen. Dit neemt niet weg dat het bewaren van de data valt binnen de werkingssfeer van Richtlijn 2016/680. De rechtbank gaat echter niet verder in op de verweren die de verdediging in dit verband heeft gevoerd, omdat deze niet tot het oordeel kunnen leiden dat het gebruik van de data in de strafzaak tegen verdachte onrechtmatig is. De Wpg (noch de Wsjg) bevat enig belangrijk strafvorderlijk voorschrift, zodat de vragen in hoeverre deze voorschriften van toepassing zijn en of conform deze voorschriften is gehandeld geen vragen zijn die de rechtbank in het kader van de artikelen 348 en 350 Sv dient te beantwoorden, noch vragen die beantwoord moeten worden bij de toetsing of sprake is van een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 EVRM. Conclusie Het gebruik van de EncroChat-data in Nederland heeft rechtmatig plaatsgevonden. Er is geen sprake van schending van de artikelen 7, 8 en 52 lid 1 Handvest en evenmin van artikel 6 en 8 EVRM, zodat ook van vormverzuimen als bedoeld in artikel 359a Sv geen sprake is. Ook dit verweer van de verdediging wordt daarom verworpen. 5.1.5. Voorwaardelijk verzoek tot het stellen van prejudiciële vragen De verdediging heeft het voorwaardelijk verzoek gedaan tot het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie, onder de voorwaarde dat de rechtbank de verweren met betrekking tot de artikelen 7, 8 en 52 lid 1 Handvest niet honoreert. Nu dit laatste niet het geval is, is de voorwaarde ingetreden en zal de rechtbank beslissen op het verzoek. Om een uniforme toepassing van het EU-recht te waarborgen, voorziet art. 267 EU-werkingsverdrag in een samenwerking tussen het Hof van Justitie en nationale rechtscolleges: bestaat onduidelijkheid over de vraag hoe een bepaling van gemeenschapsrecht moet worden toegepast of uitgelegd, dan heeft de nationale rechter de mogelijkheid -en in sommige gevallen de verplichting- deze vraag voor te leggen aan het Hof van Justitie. Art. 267 EU-werkingsverdrag bepaalt tevens dat gerechten waarvan de beslissingen niet vatbaar zijn voor hoger beroep verplicht zijn zich tot het Hof te wenden wanneer zich vragen met betrekking tot de toepassing of uitleg van EU-recht voordoen. De rechtbank stelt voorop dat zij bevoegd is tot het stellen van prejudiciële vragen, maar daartoe niet verplicht is. Ook merkt de rechtbank op dat het initiatief om een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie voor te leggen uitsluitend door de nationale rechterlijke instanties kan worden uitgeoefend, ongeacht of partijen in het hoofdgeding al dan niet de wens hebben geuit dat de rechter zich tot het Hof van Justitie wendt. Het Hof van justitie heeft met betrekking tot het aanhangig maken van de prejudiciële procedure een aantal aanbevelingen gegeven, waaronder: 5. De rechterlijke instanties van de lidstaten kunnen zich tot het Hof wenden met een vraag over de uitlegging of de geldigheid van het recht van de Unie wanneer zij van oordeel zijn dat een beslissing van het Hof daarover noodzakelijk is om uitspraak te kunnen doen (zie artikel 267, tweede alinea, VWEU). Een prejudiciële verwijzing kan met name bijzonder nuttig zijn wanneer voor de nationale rechterlijke instantie een nieuwe uitleggingsvraag wordt opgeworpen die van belang is voor de uniforme toepassing van het recht van de Unie, of wanneer de bestaande rechtspraak niet voldoende duidelijk is voor een nieuw feitelijk of rechtskader. De meervoudige strafkamer in de rechtbank Amsterdam heeft geen vraag in de zaak 26Douglasville over de uitleg of de geldigheid van het recht van de Unie waarop zij het antwoord van het Hof van Justitie noodzakelijk vindt voordat zij zelf uitspraak kan doen. Het verzoek tot het stellen van prejudiciële vragen wordt daarom afgewezen. 5.1.6. Voorwaardelijk verzoek op het voorwaardelijk verzoek Indien de rechtbank het verzoek tot het stellen van prejudiciële vragen afwijst, verzoekt de verdediging om heropening van het onderzoek ter terechtzitting en voeging van de volgende stukken aan het dossier. - De JIT-overeenkomst tussen Nederland en Frankrijk; - De Europese Opsporingsbevelen (EOB’
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.