← Nederland

ECLI:NL:RBAMS:2022:2535

RECHTBANK AMSTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: AWB 22/1653 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiseres] , eiseres (gemachtigde: mr. L. Boon), en de Belastingdienst/Toeslagen, verweer

moet verweerder dit doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak. Alleen in bijzondere gevallen kan de rechtbank een andere termijn bepalen. In dit geval ziet de rechtbank aanleiding om bijzondere omstandigheden aan te nemen en van de standaardtermijn van twee weken af te wijken. De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivatie. In algemene zin geldt dat er een zeer groot aantal aanvragen voor herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag bij verweerder zijn binnen gekomen, veel meer dan voorzien was. Deze aanvragen dienen allemaal met een grote zorgvuldigheid te worden beoordeeld. Verweerder heeft in het verweerschrift van 7 april 2022 de herbeoordelingsprocedure beschreven en de rechtbank geïnformeerd dat op 14 april 2022 een vooraankondiging aan eiseres wordt verzonden. Eiseres heeft daarna een termijn van zes weken om hierop te reageren. Daarna heeft verweerder twee weken nodig om een beslissing te nemen. Verweerder heeft de rechtbank daarom verzocht om een nadere termijn van acht weken vast te stellen. Eiseres heeft zich in een reactie hierop gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Deze omstandigheden rechtvaardigen naar het oordeel van de rechtbank in dit geval een beslistermijn van acht weken, gerekend vanaf het moment van het versturen van de aankondiging op 14 april 2022. Dit betekent dat verweerder dus uiterlijk op 9 juni 2022 (acht weken na 14 april 2022) een beslissing op het verzoek van eiseres moet nemen. 7. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:55d, tweede lid,

en in overeenstemming met het landelijke beleid (gepubliceerd op www.rechtspraak.nl) dat verweerder een dwangsom van € 100,- verschuldigd is voor elke dag waarmee de hiervoor genoemde termijn wordt overschreden, met een maximum van € 15.000,-.

  1. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 569,25 (1 punt voor het indienen van het beroepsschrift en 0,5 punt voor een nadere reactie met een waarde per punt van € 759,-, en een wegingsfactor 0,5). De rechtbank is van oordeel dat deze zaak van licht gewicht is, omdat de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep gegrond; draagt verweerder op om uiterlijk 9 juni 2022 alsnog een besluit op de aanvraag bekend te maken met inachtneming van deze uitspraak; bepaalt dat verweerder aan eiseres een dwangsom van € 100,- verbeurt voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,‑; draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 50,- aan eiseres te vergoeden; veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 569,
  2. Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Greebe, rechter, in aanwezigheid van mr. N. van der Kroft, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan verzet worden gedaan bij deze rechtbank. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord. Op grond van artikel 6:2, aanhef en onder b, in samenhang met artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder f,

Artikel 6

:12, tweede lid,

Artikel 4

:17

Artikel 4

:18, eerste lid,

Artikel 8

:55d, eerste en derde lid,

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.