RECHTBANK AMSTERDAM VONNIS Parketnummer: 13/238954-21 (Promis). Datum uitspraak: 28 april 2022 Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren op [geboortedag] 1974 te [geboorteplaats] , gedetineerd in [detentieplaats] . 1Het onderzoek ter terechtzitting Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 7 april 2022. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. J.H. van der Meij, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. R.M.G. Sussenbach, naar voren hebben gebracht. 2Tenlastelegging Aan verdachte is – na wijziging op de zitting – kort gezegd ten laste gelegd dat verdachte zich in de periode van 5 september 2019 tot en met 28 september 2021 schuldig heeft gemaakt aan: feit 1: medeplegen van het bewerken/verwerken, het handelen in en het aanwezig hebben van cocaïne en/of pillen; feit 2: medeplegen van het voorbereiden van het bewerken/verwerken, het handelen in en het aanwezig hebben van cocaïne en/of MDMA; feit 3: medeplegen van gewoontewitwassen van een geldbedrag van 52.000,- euro. De tekst van de integrale tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd. 3Voorvragen 3.1. De geldigheid van de dagvaarding, de bevoegdheid van de rechtbank en redenen tot schorsing van de vervolging. De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging. 3.2. De ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie. Op de terechtzitting van 7 april 2022 heeft de raadsman betoogd dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging. Uit stukken die pas in een heel laat stadium aan het dossier zijn toegevoegd, blijkt dat een tweede SKY-account aan verdachte wordt toegeschreven. Deze onderzoeksresultaten zijn tot dusverre buiten het blikveld van de verdediging en de rechtbank gehouden. Daarnaast is verdachte door de politie ondervraagd buiten medeweten van zijn raadsman. Na beraadslaging in raadkamer, heeft de voorzitter als beslissing meegedeeld dat naar het oordeel van de rechtbank geen sprake is van een zodanig ernstige inbreuk op het recht van verdachte op een eerlijke behandeling van zijn zaak dat geen sprake meer kan zijn van een eerlijk proces in de zin van artikel 6 van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens. Ten aanzien van de toegevoegde onderzoeksresultaten is bovendien geen sprake van een onherstelbaar verzuim. Het proces-verbaal van bevindingen over de vragen die de politie op 30 september 2021 aan verdachte heeft gesteld (p. 250 – 251) zal de rechtbank niet gebruiken voor het bewijs. Het Openbaar Ministerie is ontvankelijk in de vervolging. 4Waardering van het bewijs 4.1. Inleiding In het strafrechtelijk onderzoek Argus is onderzoek gedaan naar criminele samenwerkingsverbanden van gebruikers van cryptocommunicatie via de aanbieder Sky ECC. Daarbij zijn veel encrypted berichten ontdekt en ontsleuteld, ten aanzien van een door de rechter-commissaris op voorhand gelimiteerd aantal categorieën misdrijven. Binnen Argus is onderzoek gedaan naar die ontsleutelde communicatie, waarbij is gezocht op zoekwoorden in de categorie ‘cocaïne.’ Daardoor zijn berichten van de gebruiker van Sky-ID [naam 1] in beeld gekomen. [naam 1] zou hebben deelgenomen aan (groeps)chats waarin wordt gesproken over drugs en grote geldbedragen. Vervolgens heeft de politie een nieuw onderzoek gestart, dat de naam Pelopon heeft gekregen. De gebruiker van het Sky ID [naam 1] is geïdentificeerd als verdachte. Op 29 september 2021 is verdachte aangehouden op verdenking van medeplegen van de handel in verdovende middelen, voorbereidingshandelingen daartoe en witwassen. Onder hem is een iPod in beslag genomen, waarop onder meer belastende chatberichten over de handel in verdovende middelen zijn aangetroffen. 4.2. Standpunt van de officier van justitie Inleidende standpunten De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de chatberichten uit Sky ECC voor het bewijs kunnen worden gebruikt. Het interstatelijk vertrouwensbeginsel verzet zich tegen toetsing door de Nederlandse strafrechter van de rechtmatigheid van de verkregen Sky-data, nu het verkrijgen van die gegevens niet heeft plaatsgevonden in een onderzoek onder Nederlandse verantwoordelijkheid. Vervolgens heeft de officier van justitie uiteengezet dat verdachte kan worden geïdentificeerd als gebruiker van Sky-ID [naam 1] . Verder heeft de officier van justitie betoogd dat kan worden vastgesteld dat in de chats wordt gesproken over cocaïne en het daadwerkelijk om cocaïne gaat. In dit verband heeft zij gewezen op onder andere de benamingen colo en bolie in de chats en de foto’s van blokken cocaïne. Feit 1 De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat onder feit 1 kan worden bewezen: medeplegen van het voorhanden hebben van 40 blokken cocaïne en het vervoeren en afleveren van 27 blokken; medeplegen van de verkoop, het vervoer en aanwezig hebben van 10 blokken cocaïne; medeplegen van de verkoop, het vervoer en aanwezig hebben van 6 blokken cocaïne. Ten aanzien van de onderste twee gedachtestreepjes op de tenlastelegging, die zien op de 150 blokken cocaïne en 10.000 pillen heeft zij gevorderd dat verdachte daarvan partieel wordt vrijgesproken. Feit 2 Het medeplegen van voorbereidingshandelingen in de ten laste gelegde periode kan eveneens worden bewezen. Uit de berichten in de verschillende groepschats kan – in onderlinge samenhang bezien – worden afgeleid dat verdachte fungeerde als een tussenpersoon tussen verkopers en afnemers, dat hij drugs liet vervoeren en afleveren, dat hij opdrachten gaf aan anderen en chauffeurs op pad stuurde en de betaling regelde via tokennummers. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan handelingen die erop gericht waren om de handel in verdovende middelen voor te bereiden of te bevorderen. Hij heeft afspraken met anderen gemaakt over de aankoop en aflevering van 150 blokken cocaïne met een dolfijnenlogo en heeft in een andere chat gesproken over de verkoop van 10.000 pillen. Feit 3 Het medeplegen van witwassen van 52.000,- kan worden bewezenverklaard. Gelet op de geldbedragen die worden genoemd in de chats en het feit dat gesprekken worden gevoerd over de betaling van blokken verdovende middelen, kan het niet anders dan dat het gaat om geldbedragen waarmee verdovende middelen zijn afgerekend. Uit de berichten blijkt dat op 8 oktober 2020 een bedrag van 209.250,- euro is betaald en dat daarvan 52.000,- naar verdachte is gegaan. 4.3. Standpunt van de raadsman Primair heeft de raadsman betoogd dat de Sky-berichten dienen te worden uitgesloten van het bewijs, nu niet transparant is of deze rechtmatig zijn verkregen en/of de inhoud daarvan als betrouwbaar kan worden aangemerkt. Het Openbaar Ministerie baseert zich op het vertrouwensbeginsel, terwijl uit de brief van de zaaksofficieren in het onderzoek Argus van 13 september 2021 kan worden geconcludeerd dat de Nederlandse opsporingsambtenaren bijstand hebben verleend aan Frankrijk bij het opvangen van berichten. Er is dus sprake van een nauwere samenwerking tussen het Nederlandse Openbaar Ministerie en het Franse onderzoeksteam dan eerder is voorgespiegeld. Desondanks heeft het Openbaar Ministerie de stukken van de Franse rechter-commissaris en de JIT-overeenkomst niet overgelegd, waardoor het voor de rechtbank niet mogelijk is om te toetsen of het bewijs rechtmatig is verkregen. Nu de Sky-berichten dienen te worden uitgesloten van het bewijs en er onvoldoende bewijs overblijft, dient verdachte te worden vrijgesproken. Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat niet kan worden bewezen dat verdachte gebruik heeft gemaakt van het Sky-ID [naam 1] . Voor die identificatie is in het dossier te weinig bewijs te vinden en daarnaast valt niet uit te sluiten dat er meerdere gebruikers van dat account zijn geweest. Daar komt bij dat er nooit een telefoon met dat betreffende Sky-ID bij verdachte is aangetroffen. Verder kan van de gegevens en conversaties die op de Ipod zijn aangetroffen, niet zonder meer worden gesteld dat die allemaal van verdachte afkomstig zijn. Tevens kan niet zonder meer worden gesteld dat verdachte de Ipod in de drie weken voorafgaand aan zijn aanhouding bij zich had toen hij in het buitenland was. Meer subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat enig bewijs voor de specifieke data en aflevering van hoeveelheden harddrugs in de tenlastelegging ontbreekt. Zelfs al zouden de Sky-berichten voor het bewijs kunnen worden gebruikt, dan ontbreekt enig ondersteund bewijs voor de vermeende belastende inhoud van die berichten, zodat verdachte ook om die reden integraal dient te worden vrijgesproken. Meest subsidiair dient verdacht te worden vrijgesproken van medeplegen, nu er geen sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachten en een of meer gebruikers van andere Sky-accounts. Ten aanzien van de verschillende onderdelen van de tenlastelegging heeft de raadsman het volgende naar voren gebracht. Feit 1 Ten aanzien van de eerste drie gedachtestreepjes op de tenlastelegging geldt dat uit de chatgesprekken niet blijkt waar, aan wie of voor welke prijs een overdracht van blokken zou hebben plaatsgevonden. Ten aanzien van het eerste gedachtestreepje (27 tot 40 blokken) geldt bovendien dat volstrekt onduidelijk is welke hoeveelheid zou zijn overgedragen, terwijl uit verdere chats blijkt dat de aangeboden partij niet is goedgekeurd en er uiteindelijk dus niets is verkocht. Ten aanzien van gedachtestreepje vier en vijf heeft de raadsman opgemerkt dat niet duidelijk wordt waar precies over gesproken wordt en dat niet blijkt dat er iets is gekocht of verkocht. Concluderend dient verdachte van feit 1 te worden vrijgesproken. Feit 2 De raadsman heeft opgemerkt dat het dossier foto’s bevat, maar dat dit niets zegt omdat foto’s vaak worden doorgestuurd. Bovendien kan niet worden vastgesteld dat hetgeen op de foto’s te zien is, echt cocaïne is. Feit 3 Uit de chatberichten wordt niet duidelijk dat [naam 1] een bedrag van 52.000,- voorhanden heeft gehad. In het dossier is onvoldoende bewijs aanwezig dat er daadwerkelijk een overdracht van geld aan [naam 1] heeft plaatsgevonden en bovendien kan het bedrag niet worden vastgesteld. Verder kan niet worden vastgesteld dat [naam 1] witwashandelingen heeft verricht. Bij verdachte zijn geen aanzienlijke en onverklaarbare geldbedragen aangetroffen die op gewoontewitwassen duiden. Concluderend dient verdachte van feit 3 te worden vrijgesproken. 4.4. De beoordeling door de rechtbank 4.4.1. De rechtmatigheid van het verkregen bewijs De rechtbank overweegt dat in het internationaal rechtshulpverkeer het vertrouwensbeginsel geldt (vgl. het arrest van de Hoge Raad van 5 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL5629). Dit houdt in dat de Nederlandse rechter erop moet vertrouwen dat de interceptie in Frankrijk op basis van een toereikende wettelijke grondslag en in overeenstemming met artikel 8 EVRM heeft plaatsgevonden en dat het recht op privacy dus bij de opsporingshandelingen in acht is genomen. Vanwege dit vertrouwensbeginsel wordt de inzet van buitenlandse bevoegdheden op basis van buitenlands recht niet door de Nederlandse rechter getoetst. Bovendien wordt het vertrouwensbeginsel niet opzij gezet vanwege bijstand aan Frankrijk van Nederlandse opsporingsambtenaren ten tijde van de ontwikkeling en plaatsing van de interceptietool. De verantwoordelijkheid voor het opsporingsonderzoek ligt dan nog steeds bij de Franse opsporingsdiensten, die het interceptiemiddel hebben ingezet nadat dit door een Franse rechter was getoetst, op basis van Frans recht. Voor de suggestie van de raadsman dat de rol van het Nederlandse Openbaar Ministerie in het Franse onderzoek groter is dan het Openbaar Ministerie heeft doen voorkomen, zijn geen concrete aanknopingspunten genoemd. Zelfs al zou dat het geval zijn, dan is naar het naar oordeel van de rechtbank nog steeds sprake van een onderzoek dat onder de Franse regelgeving in de Franse rechtssfeer heeft plaatsgevonden. Op grond van het vertrouwensbeginsel ligt dit onderzoek daarom niet ter toetsing voor. De rechtbank overweegt dat zij aan de hand van de verstrekte stukken voldoende kan controleren of het bewijs rechtmatig is verkregen. De machtiging van de Nederlandse rechter-commissaris in het onderzoek Argus van 15 december 2020 geeft – in combinatie met de aanvullende toestemming van 4 juli 2021 en het proces-verbaal van bevindingen van 6 mei 2021 – voldoende inzicht in de individuele belangenafwegingen die zijn gemaakt bij het besluit om de informatie uit Argus te gebruiken om het onderzoek Pelopon te starten. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de Sky-berichten uit Argus op rechtmatige wijze verkregen en kunnen deze berichten voor het bewijs in deze strafzaak worden gebruikt. 4.4.2. De identificatie van de gebruiker van Sky-ID [naam 1] en de gebruiker van de iPod De rechtbank dient allereerst de vraag te beantwoorden of verdachte kan worden geïdentificeerd als gebruiker van het Sky-ID [naam 1] . In dit verband overweegt de rechtbank als volgt. Uit het proces-verbaal van identificatie op pagina 27 van het dossier volgt dat uit de analyse van verkeersgegevens is gebleken dat het telefoonnummer [nummer 1] aan het IMSI-nummer [nummer 2] gekoppeld is. De simkaart zit in een telefoontoestel met het IMEI-nummer [nummer 3] . Gelet op de inhoud van het proces-verbaal “IMEI Sky-ID [naam 1] ” van 10 januari 2022, gaat de rechtbank ervan uit dat waar in het dossier wordt gesproken over een IMEI-nummer eindigend op [nummer 4] , dit gezien moet worden als een kennelijke verschrijving en dat steeds het IMEI-nummer op [nummer 3] wordt bedoeld. Uit het proces-verbaal “26BRIER - metadata/telecomdata WERL” van 11 januari 2022 blijkt dat de telefoon met voornoemd IMEI-nummer (eindigend op [nummer 3] ) niet aan andere Sky-ID's dan aan [naam 1] gekoppeld is geweest. Evenmin zijn er registraties van voornoemd telefoon- en IMSI-nummer gevonden in combinatie met een ander IMEI-nummer. Verder volgt uit laatstgenoemd proces-verbaal ook dat de meeste registraties in de nachtelijke uren zijn opgevangen door de cell-id locatie [locatie] . Die telefoonmast bevindt zich op 750 meter van de [adres] . Hier bevindt zich het adres waar verdachte tijdens het verhoor op 29 september 2021 zegt te verblijven. Daarnaast is onderzoek gedaan naar de verkeersgegevens in combinatie met mogelijke vliegbewegingen. Daaruit is gebleken dat de gebruiker van het voorgenoemde IMSI-nummer vermoedelijk gebruik heeft gemaakt van drie vluchten. Vervolgens zijn de passagierslijsten van deze vluchten gevorderd. Verdachte is de enige persoon die voorkomt op de passagierslijsten van alle drie de vluchten. Verdachte heeft geen verklaring afgelegd over de Sky-telefoon. Hij heeft niet naar voren gebracht dat iemand anders gebruik zou hebben gemaakt van de telefoon. Gelet op het vorenstaande, is de rechtbank met de officier van justitie van oordeel dat verdachte als de gebruiker van Sky-ID [naam 1] kan worden geïdentificeerd. Verdachte is op 29 september 2021 aangehouden. Bij zijn aanhouding droeg hij een Louis Vuitton tasje bij zich, waarin een iPod is aangetroffen. De gebruikersnaam van de iPod is [naam 9] . Nu de iPod bij verdachte is aangetroffen en hij niet heeft verklaard dat de iPod door anderen werd gebruikt, gaat de rechtbank ervan uit dat de iPod bij verdachte in gebruik was. 4.4.3. Feit 1 Partiële vrijspraak feit 1 Met de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat verdachte partieel dient te worden vrijgesproken van de laatste twee gedachtestreepjes bij feit 1, nu niet kan worden vastgesteld dat er een levering of overdracht heeft plaatsgevonden of dat het - wat de pillen betreft - gaat om een onder de Opiumwet verboden middel. Vaststelling dat het om cocaïne gaat Bij de beoordeling van feit 1 rijst allereerst de vraag of kan worden vastgesteld dat in de chatgesprekken wordt gesproken over cocaïne. De rechtbank overweegt als volgt. Op onder andere de pagina’s 11 tot en met 14 van het dossier staan foto’s van in folie verpakte blokken, blokken met een ingeperst logostempel en onverpakte witte blokken. Uit het proces-verbaal van bevindingen op pagina 29 van het dossier blijkt dat het materiaal op deze foto's met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid bestaat uit (samengeperste) cocaïne. Verder wordt in de chats gesproken over colo en bolie. Dit zijn in het criminele circuit bekende en gangbare benamingen voor Colombiaanse en Boliviaanse cocaïne. Ook nam verdachte deel aan groepchats met namen die kunnen worden geassocieerd met de handel in verdovende middelen, zoals bol 1, Fendi Tops, Group Col en Group Carta&Peru. De namen verwijzen bijvoorbeeld naar de logo’s op de cocaïne en de te gebruiken transportmiddelen. Gelet op het vorenstaande stelt de rechtbank vast dat het daadwerkelijk om cocaïne gaat. Voordat de rechtbank toekomt aan de bespreking van de eerste drie gedachtestreepjes bij feit 1, zal zij eerst ingaan op de vraag of steeds medeplegen kan worden bewezen. Medeplegen Medeplegen kan worden bewezenverklaard wanneer sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking, waaraan verdachte een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd. De rechtbank leidt uit de chatgesprekken af dat daarin wordt gesproken over transacties van cocaïne. Uit de groepschats blijkt dat de deelnemers samenwerken ter voltooiing van die transacties, waarbij verdachte voornamelijk een coördinerende rol heeft. Concluderend kan naar het oordeel van de rechtbank bij alle drie de gedachtestreepjes medeplegen worden bewezen. 27 tot 40 blokken (eerste gedachtestreepje) Uit het proces-verbaal op pagina 16 en verder blijkt dat verdachte samen met de gebruikers van de Sky-ID’s [naam 2] , [naam 3] , [naam 4] in een groepschat (genaamd fendi
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.