← Nederland

ECLI:NL:RBAMS:2022:2613

RECHTBANK AMSTERDAM VONNIS Parketnummer: 13/995008-20 (Promis) Datum uitspraak: 11 mei 2022 Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1966, ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres verdachte] . Inhoudsopgave 1. Onderzoek ter terechtzitting 2 2. Tenlastelegging 2 3. Algemene inleiding 3 4. Voorvragen 3 5. Bewijs 3 5.1. De rechtmatigheid van de EncroChat-data als bewijs 3 5.1.1. Inleiding 3 5.1.2. De feitelijke gang van zaken rondom de EncroChat-hack 5 5.1.3. Is de verkrijging van de EncroChat-data rechtmatig? 9 5.1.4. Heeft het gebruik van de EncroChat-data in Nederland rechtmatig plaatsgevonden? 13 5.1.5. Voorwaardelijk verzoek tot het stellen van prejudiciële vragen 18 5.1.6. Voorwaardelijk verzoek op het voorwaardelijk verzoek 19 5.2. Feiten in het onderzoek 26Douglasville 19 5.2.1. Standpunt van het Openbaar Ministerie 19 5.2.2. Standpunt van de verdediging 19 5.2.3. Oordeel van de rechtbank 20 5.2.3.1. Identificatie EncroChat-gebruikers 20 5.2.3.2. Identificatie Telegram-gebruikers en dragers van bijnamen 55 5.2.3.3. Voorbereidingshandelingen (feit 1) 61 5.2.3.4. Criminele organisatie (feit 2) 72 6. Bewezenverklaring 74 7. Strafbaarheid van de feiten 76 8. Strafbaarheid van verdachte 76 9. Motivering van de straffen 76 9.1. Standpunt van het Openbaar Ministerie 76 9.2. Standpunt van de verdediging 76 9.3. Oordeel van de rechtbank 77 10. Beslag 78 11. Toepasselijke wettelijke voorschriften 78 12. Beslissing 79 1Onderzoek ter terechtzitting Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 26 januari 2022, 2, 7, 8, 9 februari 2022 en 28 april 2022. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officieren van justitie mrs. J. Plooij en F. Heus (hierna gezamenlijk aangeduid als: het Openbaar Ministerie) en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. N. van Schaik, naar voren hebben gebracht. Het Openbaar Ministerie heeft zijn requisitoir op schrift gesteld en dienovereenkomstig gerekwireerd. De verdediging heeft haar pleidooi in een pleitnota vastgelegd en dienovereenkomstig gepleit. Hieronder zullen, per onderwerp, steeds de standpunten van het Openbaar Ministerie en de verdediging kort worden weergegeven. 2Tenlastelegging Aan verdachte is na wijziging op de zitting van 21 mei 2021 – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan medeplegen van voorbereiding van opzettelijke wederrechtelijke vrijheidsberoving, gijzeling, afpersing en/of zware mishandeling met voorbedachten rade in de periode 1 maart 2020 tot en met 22 juni 2020 te Wouwse Plantage, Wouw, Rotterdam, Den Haag en/of Utrecht ; deelneming aan een organisatie, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, waaronder moord, opzettelijke wederrechtelijke vrijheidsberoving, gijzeling, afpersing in vereniging, zware mishandeling met voorbedachten rade, opzetheling en/of handelen in strijd met de Wet Wapens en Munitie in de periode van 1 november 2019 tot en met 22 juni 2020 te Capelle aan den IJssel, Den Haag, Nieuwegein, Rotterdam, Schiedam, Utrecht , Wouw, Wouwse Plantage en/of elders in Nederland. De rechtbank leest het in de derde regel van het tweede tenlastegelegde vermelde “ [medeverdachte 1] ” als “ [foutieve naam medeverdachte 1] ”, omdat van een kennelijke misslag sprake is. De verbetering van deze misslag schaadt verdachte niet in zijn verdediging. De tekst van de volledige tenlastelegging is opgenomen in de bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd. 3Algemene inleiding Onderzoek 26Douglasville ziet op een groep personen die ervan wordt verdacht deel te hebben uitgemaakt van een criminele organisatie die tot doel had om – kort gezegd – derden van hun vrijheid te beroven en af te persen en daarbij zo nodig (zwaar) te mishandelen en te doden. De reden daarvoor lijkt te zijn gelegen in een conflict in het criminele milieu naar aanleiding van de verduistering van zeer aanzienlijke geldbedragen. Teneinde het hiervoor beschreven doel te bereiken is in georganiseerd verband – onder meer – een tweetal loodsen gehuurd en ingericht en is een groot aantal goederen verworven. Eén van de loodsen zou daarbij gaan dienen als uitvalsbasis voor de groep die mensen van hun vrijheid zou gaan beroven. De andere loods was uitgerust als een particuliere gevangenis met naast een aantal cellen waarin mensen opgesloten konden worden een ruimte die speciaal was uitgerust om mensen te martelen. Het onderzoek 26Douglasville is voortgekomen uit het onderzoek 26Antigo. In dat onderzoek ontstond het vermoeden dat de verdachte [medeverdachte 2] , die werd verdacht van het overtreden van de Opiumwet, op zoek was naar een loods. Onderzoek naar de verblijfplaats van [medeverdachte 2] leidde vervolgens naar de verdachte [medeverdachte 3] , die een loods bleek te huren in Wouwse Plantage. In april 2020 werd deze loods nader onderzocht. Rond die tijd werden er in het onderzoek 26Lemont EncroChat-berichten ontvangen waarvan vermoed werd dat die door [medeverdachte 2] werden verzonden en die tevens verband leken te houden met de loods in Wouwse Plantage. Nader onderzoek naar die loods en een loods in Rotterdam en de daarin en daarbij waargenomen activiteiten en het daarmee samenhangende berichtenverkeer heeft geleid tot de huidige verdenkingen. 4Voorvragen De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en het Openbaar Ministerie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging. 5Bewijs De rechtbank zal eerst de rechtmatigheid van het bewijs bespreken dat is verkregen uit het berichtenverkeer dat is gevoerd via EncroChat. 5.1. De rechtmatigheid van de EncroChat-data als bewijs 5.1.1. Inleiding Enkele algemene opmerkingen De verdediging van verdachte [medeverdachte 4] heeft als meest verstrekkende verweer aangevoerd dat zowel de verkrijging als het gebruik van de EncroChat-data onrechtmatig heeft plaatsgevonden, waardoor sprake is van een onherstelbaar vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv, hetgeen zou moeten leiden tot bewijsuitsluiting en daarmee tot vrijspraak, dan wel strafvermindering. De rechtbank heeft zich in de loop van de behandeling ter terechtzitting van het onderzoek 26Douglasville al meerdere malen uitgelaten over (onderdelen van) deze discussie, in het kader van beslissingen op onderzoekswensen die door verschillende (andere) raadslieden in deze zaak zijn ingediend. Nu het onderzoek ter terechtzitting is afgerond wordt in dit vonnis een eindoordeel gegeven over het gevoerde verweer. Daar waar delen van die eerdere –voorlopige– beslissingen nog relevant zijn zal daarnaar worden verwezen of worden die verkort weergegeven. Ook zal worden verwezen naar recente vonnissen van andere rechtbanken over dezelfde materie, of zullen overwegingen soms ontleend zijn aan hetgeen in die vonnissen is overwogen. Een aantal raadslieden in het onderzoek 26Douglasville heeft zich aangesloten bij het verweer dat de verdediging van [medeverdachte 4] heeft gevoerd. De raadslieden van [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6] hebben daarnaast ook nog zelf aanvullende opmerkingen gemaakt. Omdat de vraag of de EncroChat-data als bewijs mag worden gebruikt in alle zaken in het onderzoek 26Douglasville in meer of mindere mate relevant is, bespreekt de rechtbank deze vraag ambtshalve in alle vonnissen (voor zover niet tot een vrijspraak wordt gekomen). Daar waar nodig zullen argumenten die aanvullend op het pleidooi van de verdediging van [medeverdachte 4] zijn aangevoerd, afzonderlijk worden besproken. Om proceseconomische redenen is met de raadslieden en het Openbaar Ministerie afgesproken dat indien naar aanleiding van onderzoekswensen stukken aan het dossier zouden worden toegevoegd, (omdat de rechtbank daartoe had beslist dan wel omdat het Openbaar Ministerie daar zelf aanleiding toe zag) deze in het zaaksdossier betreffende alle verdachten zouden worden gevoegd. Dat is ook gebeurd, waardoor het zaaksdossier voor alle verdachten hetzelfde is. Het Openbaar Ministerie heeft volledigheidshalve ook de tussenbeslissingen van de rechtbank op de onderzoekswensen in het zaaksdossier gevoegd. Het toepassingsbereik van artikel 359a Sv Het gevoerde verweer moet worden beoordeeld in het kader van het bepaalde in artikel 359a Sv, dat ziet op onherstelbare vormverzuimen begaan bij het voorbereidend onderzoek. Het gaat dan om vormverzuimen die zouden zijn begaan in het onderzoek 26Lemont, nu de EncroChat-data afkomstig is uit dat onderzoek. In dit verband verwijst de rechtbank naar hetgeen zij reeds heeft geoordeeld in de beslissing van 16 juli 2021 op de onderzoekswensen van de verdediging van [medeverdachte 2] . Dat oordeel houdt kort gezegd in dat aan eventuele vormverzuimen begaan in het onderzoek 26Lemont gevolgen kunnen worden verbonden in 26Douglasville, omdat de verkregen EncroChat-berichten uit onderzoek 26Lemont van bepalende invloed lijken te zijn op het opsporingsonderzoek naar en de vervolging van verdachten in het onderzoek 26Douglasville. Niet kan worden volgehouden dat het onderzoek 26Lemont uitsluitend ziet op het bedrijf EncroChat zelf. De rechtbank gaat er daarom van uit dat het onderzoek 26Lemont ook tot doel had om strafbare feiten van de gebruikers van EncroChat op te kunnen sporen, waarna nieuwe opsporingsonderzoeken zouden worden gestart teneinde daarnaar verder onderzoek te doen. Alvorens dieper in te gaan op de vraag of de EncroChat-data rechtmatig is verkregen en gebruikt, wordt eerst de feitelijke gang van zaken rondom de EncroChat-hack uiteengezet. 5.1.2. De feitelijke gang van zaken rondom de EncroChat-hack ‘EncroChat’ betreft de naam van de aanbieder van een versleutelde berichtendienst. Een EncroChat-toestel is een gecodeerd (‘versleuteld’) toestel, in de vormgeving lijkend op een mobiele telefoon, die op grote schaal in (onder meer) Nederland en Frankrijk werd aangeboden. Het bedrijf EncroChat leverde naast deze versleutelde toestellen een pakket aan diensten, bestaande uit toegang tot een communicatienetwerk waarbinnen een gebruiker van de dienst via een chat-applicatie ‘versleuteld’ (encrypted) tekstberichten en afbeeldingen kon versturen naar en ontvangen van andere gebruikers van EncroChat-toestellen. De toestellen beschikten over een speciaal ontwikkeld besturingssysteem. Tevens was ieder toestel voorzien van een zogenaamde ‘panic wipe’ en ‘password wipe’ waarmee de inhoud van het complete toestel eenvoudig en snel gewist kon worden. Op 27 september 2017 werd door het Openbaar Ministerie het onderzoek 26Bismarck gestart naar het bedrijf EncroChat. Ook in Frankrijk werd onderzoek gedaan naar EncroChat. Op 30 januari 2020 heeft een Franse rechter een machtiging afgegeven, waarna de Franse politie een interceptiemiddel heeft geïnstalleerd op een server in Roubaix die werd gelinkt aan het bedrijf EncroChat. Op 10 februari 2020 werd in Nederland het onderzoek 26Lemont gestart. Dit onderzoek vloeide voort uit het hiervoor genoemde onderzoek 26Bismarck en richtte zich op het bedrijf EncroChat, daaraan gelieerde personen, resellers en daarnaast op de onbekende gebruikers van EncroChat-toestellen die zich schuldig zouden maken aan diverse vormen van georganiseerde criminaliteit. In het onderzoek 26Lemont heeft het Openbaar Ministerie op 13 maart 2020 een vordering ingediend bij de rechter-commissaris om een machtiging te verstrekken voor een bevel op grond van de artikelen 126uba en 126t Sv. Ter onderbouwing van deze vordering zijn de volgende stukken overgelegd aan de rechter-commissaris: - Een proces-verbaal ‘Aanvraag bevel binnendringen en onderzoek doen geautomatiseerd werk’, d.d. 13 maart 2020. - Een proces-verbaal ‘Titel V beschrijving NN gebruikers Encro c.s.’, d.d. 13 maart 2020. - Een ‘begeleidend schrijven bij aanvraag art 126uba Sv in 26Lemont’ van de zaaksofficieren van justitie in de zaak 26Lemont, d.d. 16 maart 2020. Uit deze stukken blijkt onder meer het volgende. In verschillende Nederlandse en buitenlandse opsporingsonderzoeken werden vanaf 2017 toestellen van EncroChat aangetroffen. Volgens de politie zijn de functionaliteiten van EncroChat bestemd om nasporing door politie of justitie onmogelijk te maken en snel te kunnen handelen bij een aanhouding. Bovendien hadden eerdere ervaringen met vergelijkbare aanbieders geen legitieme klanten in beeld gebracht, met uitzondering van mogelijk enkele strafrechtadvocaten, aldus de politie. Ten tijde van het schrijven van de brief van 16 maart 2020 was in (ten minste) 95 lopende onderzoeken zicht op het gebruik van EncroChat-toestellen door één of meerdere subjecten binnen criminele samenwerkingsverbanden die onderwerp van onderzoek waren. Er was zicht gekregen op circa 1750 IMEI-nummers en chat-id’s die in verband konden worden gebracht met lopende onderzoeken. Verder had het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) 46 EncroChat-toestellen gekraakt die in het kader van onderzoek naar ernstige strafbare feiten in beslag waren genomen. Uit de resultaten van dat onderzoek was gebleken dat deze toestellen werden gebruikt door verdachten die in reeds geïdentificeerde criminele samenwerkingsverbanden ernstige strafbare feiten pleegden en/of beraamden. Uit onderzoek is verder gebleken dat de infrastructuur (bestaande uit servers) van EncroChat in een datacentrum in Roubaix (Frankrijk) stond. Al het dataverkeer liep – geheel versleuteld – via deze servers. Het ging, aldus de politie, om circa 55.000 EncroChat-toestellen. De gebruikers bevonden zich over de hele wereld. Er waren vermoedelijk circa 12.000 Nederlandse gebruikers en circa 3.000 Franse gebruikers. Tot slot blijkt uit voornoemde stukken dat de vordering zich richtte op Nederlandse NN-gebruikers of NN-gebruikers in Nederland van EncroChat, tegen wie de verdenking bestond dat zij zich bezighielden met het beramen of plegen van strafbare feiten in georganiseerde verbanden die door EncroChat werden gefaciliteerd. Aan de rechter-commissaris is een lijst overgelegd van zaken en onderzoeken waarin EncroChat-toestellen zijn aangetroffen dan wel IMEI-nummers van EncroChat-gebruikers zijn onderkend en EncroChat-adressen naar voren zijn gekomen. Op 27 maart 2020 heeft de rechter-commissaris in het onderzoek 26Lemont de gevorderde machtiging ex de artikelen 126uba en 126t Sv (hierna: de 126uba Sv machtiging) verleend voor de duur van maximaal vier weken en onder een zevental voorwaarden. In deze beschikking heeft de rechter-commissaris onder meer het volgende overwogen: “Het blijkt voldoende dat de gebruikers van de door Encro c.s. aangeboden diensten waarde hechten aan communiceren op zodanige wijze dat de inhoud van de communicatie voor anderen verborgen blijft. Voorts (…) is aannemelijk dat een groot tot een zeer groot deel van de gebruikers Encro-communicatie kennelijk gebruikt in relatie tot of ten behoeve van het plegen van ernstige, de rechtsorde verstorende vormen van (georganiseerde) criminaliteit. Aannemelijk is dat de keuze voor communicatie via Encro in vele gevallen is ingegeven door de wens om afgeschermd te kunnen communiceren teneinde ontdekking van gepleegde of te plegen strafbare feiten te voorkomen en om, bij ontdekking, het onderzoeken van die feiten onmogelijk te maken. In een aantal lopende strafrechtelijke onderzoeken is gebleken dat Encrofaciliteiten daadwerkelijk worden gebruikt, waarbij het gebruik ofwel aan de gepleegde of te plegen strafbare feiten is gekoppeld dan wel aan de (NN-)gebruikers die verdacht worden van betrokkenheid bij ernstige strafbare feiten die een ernstige inbreuk op de rechtsorde (zullen) opleveren. Het blijkt dat deze zaken betrekking hebben op onder meer (voorgenomen) liquidaties, wederrechtelijke vrijheidsberoving, grootschalige georganiseerde productie van en handel in verdovende middelen, witwassen en de voorbereiding van zulke strafbare feiten. Daarmee is meer dan duidelijk geworden dat het gaat om strafbare feiten die naar hun aard en/of door het georganiseerd verband waarin zij worden gepleegd, de rechtsorde ernstig ontwrichten. Voorts is voldoende gebleken dat Encrofaciliteiten worden gebruikt binnen criminele samenwerkingsverbanden en tevens dat niet zelden tot het gebruik daarvan is overgegaan nadat publiekelijk bekend werd dat communicatie via zogenoemde PGP-servers niet meer onbereikbaar bleek voor justitiële autoriteiten. Er kan van worden uitgegaan dat het op enige wijze kennisnemen van de communicatie via Encrofaciliteiten dienstbaar is aan en noodzakelijk is voor het onderzoek naar ernstige te plegen of gepleegde strafbare feiten. Inbreuk op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de gebruikers slechts kan worden gerechtvaardigd indien er sprake is van meer dan een beginnend vermoeden ten aanzien van de relatie tussen communicatie en strafbare feiten en indien daarbij gewaarborgd wordt dat anderen dan bij die feiten betrokkenen gevrijwaard blijven van een dergelijke inbreuk. Voorts dient de toepassing van dwangmiddelen, in alle gevallen van het opnemen en kennisnemen van vertrouwelijke communicatie, te voldoen aan de eisen van subsidiariteit en proportionaliteit. Op een andere wijze dan zoals gevorderd (namelijk door het binnendringen) onderzoek doen naar de inhoud van de Encrocommunicatie is bijzonder tijdrovend en bijzonder moeilijk, waardoor er geen of zeer weinig andere (effectieve) en minder ingrijpende methoden van opsporing en onderzoek mogelijk zijn, zodat de inzet van een middel tot het opnemen en kennisnemen van de inhoud, gelet op de aard en de ernst van de omschreven strafbare feiten, proportioneel en subsidiair is. De waarborging van de vertrouwelijkheid van de communicatie kan worden vormgegeven door het hanteren van een werkwijze waarbij filters worden toegepast bij het verkrijgen van communicatie, een werkwijze die enerzijds recht doet aan het opsporingsbelang maar anderzijds verifieerbaarheid en controleerbaarheid met zich brengt. Meer dan in voldoende mate is aannemelijk gemaakt dat de communicatie slechts kan worden vergaard door gebruik te maken van een de bevoegdheid tot het binnendringen van een geautomatiseerd werk. Het geautomatiseerde werk betreft in het bijzonder (telkens) het Encrotoestel van de eindgebruiker. De Franse rechter machtigingen heeft gegeven tot het binnendringen van geautomatiseerde werken en het opnemen van informatie daaruit, hetgeen impliceert dat ook daar waar de aanbieder van de diensten is gevestigd sprake is geweest van een onafhankelijke rechterlijke controle op door het Openbaar Ministerie in te zetten (zeer ingrijpende) dwangmiddelen.” De voorwaarden die de rechter-commissaris aan de uitvoering van de machtiging heeft gesteld luiden – voor zover hier relevant – als volgt: “(…) 4. De vergaarde informatie/communicatie kan slechts worden onderzocht met toepassing van de in een proces-verbaal vastgelegde zoeksleutels (woordenlijsten) welke zullen worden opgeslagen en bewaard ten behoeve van mogelijk latere reproductie of onderzoek, zulks met uitzondering van de onderzoeken waarin reeds is vastgesteld dat er sprake is van in georganiseerd verband gepleegde strafbare feiten, welke onderzoeken zijn vermeld op een voor aanvang van de inzet van het middel, aan de rechter-commissaris over te leggen lijst; (…) 6. De vergaarde informatie/communicatie wordt na het onderzoek door middel van voornoemde zoeksleutels na maximaal twee weken aangeboden aan de rechter-commissaris om de inhoud, omvang en relatie tot de vermoedelijk gepleegde of te plegen strafbare feiten te controleren en zal niet eerder ter beschikking worden gesteld aan het Openbaar Ministerie of de politie ten behoeve van (opsporings)onderzoeken; 7. De vergaarde informatie/communicatie zal slechts ter beschikking worden gesteld voor onderzoeken naar strafbare feiten die naar hun aard, in georganiseerd verband gepleegd of beraamd, een ernstige inbreuk op de rechtsorde maken, dan wel misdrijven met een terroristisch oogmerk, een en ander voor zover die onderzoeken niet behoren tot die welke op de reeds voor aanvang van de inzet van het middel aan de rechtercommissaris overgelegde lijst zijn vermeld.” Naar aanleiding van de machtiging van de rechter-commissaris heeft de officier van justitie in onderzoek 26Lemont op 1 april 2020 een bevel 126uba Sv afgegeven. De machtiging is drie keer verlengd, het bevel twee keer. Vanaf 1 april 2020 heeft de Franse politie door de inzet van een interceptiemiddel live informatie van EncroChat-toestellen verzameld. Hoewel dit niet met zoveel woorden blijkt uit de in 26Douglasville beschikbare stukken, zijn de verdediging en het Openbaar Ministerie het erover eens dat de interceptie plaatsvond doordat via een update vanaf de Franse server een tool is ingezet op alle EncroChat-toestellen van gebruikers, waarna de op die toestellen opgeslagen informatie werd verzameld en verzonden naar de Franse autoriteiten. De Nederlandse politie heeft vanaf 1 april 2020 tot en met 24 juni 2020 data van EncroChat-toestellen van gebruikers gekopieerd. Om een zo actueel mogelijke kopie van die data van de Franse computersystemen te verkrijgen, gebruikte de Nederlandse politie een wijze van kopiëren waarbij met een zo klein mogelijke vertraging de verzamelde nieuwe data van de EncroChat-toestellen werd gekopieerd naar het onderzoeksnetwerk van de Nederlandse politie. Op 10 april 2020 hebben de Nederlandse en Franse autoriteiten een Joint Investigation Team (hierna: JIT) overeenkomst gesloten. Dit JIT richt zich op het onderzoeken van de verdenkingen rondom EncroChat en de daaraan gelieerde natuurlijke personen. Het onderzoek 26Douglasville stond niet op de lijst van onderzoeken die bij de aanvraag van de 126uba Sv machtiging is gevoegd. De rechter-commissaris heeft in zijn proces-verbaal van 7 oktober 2021 uiteengezet dat het onderzoek 26Douglasville hem door de zaaksofficieren van justitie in 26Lemont in de periode van 15 tot en met 28 april 2020 is voorgelegd. Op basis van de door de officier van justitie gegeven beschrijving van de verdenking, de aard van de strafbare feiten die vermoedelijk in georganiseerd verband werden gepleegd en de identificatie van een of meer gebruikers van EncroChat-diensten heeft de rechter-commissaris, invulling gevend aan de beoordeling zoals uiteengezet in de 126uba Sv machtiging, ingestemd met het gebruik van data uit het onderzoek 26Lemont ten behoeve van het onderzoek 26Douglasville. Onderzoek 26Douglasville is op 30 april 2020 aan de lijst toegevoegd. Op 20 april 2020 heeft één van de zaaksofficieren van justitie in 26Lemont op grond van artikel 126dd Sv toestemming gegeven informatie uit het onderzoek 26Lemont te delen met het onderzoeksteam 26Douglasville. Op 13 juni 2020 waarschuwde het bedrijf EncroChat haar gebruikers dat de autoriteiten waren binnengedrongen. Op 26 juni 2020 eindigde de interceptie door de Franse politie. 5.1.3. Is de verkrijging van de EncroChat-data rechtmatig? Korte weergave van de standpunten De verdediging van verdachte [medeverdachte 4] (hierna: de verdediging) stelt zich – samengevat – op het standpunt dat met het vergaren van alle EncroChat-data een algemene en ongedifferentieerde gegevensverzameling heeft plaatsgevonden, waarbij alle data van alle gebruikers van EncroChat is verzameld zonder dat hiervoor een verband met een strafbaar feit was vereist. Deze wijze van verkrijging van de EncroChat-data verhoudt zich niet met de waarborgen van artikel 7 en 8 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: Handvest), gelet op het bepaalde in artikel 52 lid 1 Handvest en de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: Hof van Justitie). Mocht de rechtbank van oordeel zijn dat geen sprake is van een algemene en ongedifferentieerde gegevensverzameling, dan stelt de verdediging zich op het standpunt dat het (vervolgens) bewaren en gebruiken van de data eveneens in strijd is met de artikelen 7, 8 en 52 lid 1 Handvest. Het hieraan te verbinden rechtsgevolg zou volgens de verdediging primair bewijsuitsluiting moeten zijn en subsidiair strafvermindering. Het Openbaar Ministerie stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van onrechtmatig verkregen bewijs, zodat bewijsuitsluiting en strafvermindering niet aan de orde zijn. Hierna zal eerst het toepasselijke juridisch kader worden weergegeven, in het licht van hetgeen de verdediging en het Openbaar Ministerie hebben aangevoerd. Het internationaal vertrouwensbeginsel in het kader van de verkrijging van de EncroChat-data In haar beslissing naar aanleiding van de pro forma zitting van 4 december 2020 heeft de rechtbank een aantal overwegingen gewijd aan het internationaal vertrouwensbeginsel (hierna: vertrouwensbeginsel). In onderstaande overwegingen worden deze deels herhaald. Het vertrouwensbeginsel behelst het vertrouwen dat de tot het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) toegetreden staat de bepalingen van dat verdrag eerbiedigt en dat de verdachte in geval van schending van enig ander recht dan zijn recht op een eerlijk proces, zoals bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM dat hem in dat verdrag is toegekend, het recht heeft op een daadwerkelijk rechtsmiddel als bedoeld in art. 13 EVRM voor een instantie van die staat. Frankrijk is een tot het EVRM toegetreden staat. Uit vaste rechtspraak over de reikwijdte van het vertrouwensbeginsel volgt dat ten aanzien van onderzoekshandelingen waarvan de uitvoering plaatsvindt onder verantwoordelijkheid van de buitenlandse autoriteiten van een andere tot het EVRM toegetreden staat, de taak van de Nederlandse strafrechter ertoe is beperkt te waarborgen dat de wijze waarop van de resultaten van dit onderzoek in de strafzaak tegen de verdachte gebruik wordt gemaakt, geen inbreuk maakt op zijn recht op een eerlijk proces, zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM. Het behoort niet tot de taak van de Nederlandse strafrechter te toetsen of de wijze waarop dit onderzoek is uitgevoerd, strookt met de dienaangaande in het desbetreffende buitenland geldende rechtsregels. De Nederlandse strafrechter toets evenmin of in het recht van het desbetreffende buitenland al dan niet een toereikende wettelijke grondslag bestond voor de door de verrichte onderzoekshandelingen eventueel gemaakte inbreuk op het recht van de verdachte op respect voor zijn privéleven, zoals bedoeld in artikel 8 lid 1 EVRM, en of die inbreuk geacht kan worden noodzakelijk te zijn, zoals bedoeld in het tweede lid van die bepaling. Hierboven is vastgesteld dat de interceptie heeft plaatsgevonden door middel van de inzet van een tool op de EncroChat-toestellen van individuele gebruikers. Ook wat betreft de EncroChat-toestellen die zich op Nederlands grondgebied bevonden kan dus worden vastgesteld dat de Franse politie daarin is binnengedrongen, waarna de verkregen gegevens naar een server van de Franse politie zijn gestuurd. Anders dan de verdediging heeft betoogd is de rechtbank van oordeel dat deze gang van zaken niet maakt dat op de verkrijging van de gegevens door de Franse politie het vertrouwensbeginsel niet van toepassing is. Hoewel hiermee gezegd kan worden dat feitelijk sprake is van onderzoekshandelingen (in EncroChat-toestellen) in Nederland, geldt nog steeds dat de informatie is verzameld in Frankrijk, onder verantwoordelijkheid en met toestemming van de Franse autoriteiten. Hierop is naar het oordeel van de rechtbank het vertrouwensbeginsel onverkort van toepassing. Dat zou naar het oordeel van de rechtbank alleen anders kunnen zijn als dat Franse onderzoek op verzoek van de Nederlandse justitiële autoriteiten heeft plaatsgehad en/of de Nederlandse justitiële autoriteiten een verregaande invloed hebben gehad op de inzet van de interceptietool. Van een dergelijk verzoek dan wel verregaande invloed is niet gebleken. De omstandigheid dat de bij het onderzoek naar EncroChat sprake is geweest van een nauwe samenwerking tussen Frankrijk en Nederland voorafgaand aan het sluiten van de JIT-overeenkomst en later op basis van die overeenkomst staat vast. Dit gegeven op zich doet echter niet af aan de Franse verantwoordelijkheid voor dit deel van het opsporingsonderzoek. De verdediging heeft verder nog betoogd dat de Franse autoriteiten een rechtshulpverzoek hadden moeten doen voor de inzet van de interceptietool, omdat sprake is geweest van dataverzameling in Nederland. Ook dit betoog volgt de rechtbank niet. Zoals hiervoor uiteengezet heeft de inzet van de interceptietool plaatsgevonden door en onder verantwoordelijkheid van de Franse autoriteiten, waarbij de dataverzameling heeft plaatsgevonden in Frankrijk. De enkele omstandigheid dat de feitelijke uitwerking van de interceptie heeft plaatsgevonden in Nederlandse EncroChat-toestellen dan wel in EncroChat-toestellen op Nederlands grondgebied, maakt gelet op het voorgaande niet dat daarvoor een rechtshulpverzoek was vereist. Het antwoord op de vraag of het JIT al bestond ten tijde van de start van de interceptie op 1 april 2020, omdat de JIT-overeenkomst pas is ondertekend op 10 april 2020, kan wat de rechtbank betreft in het midden blijven. Een JIT kan worden ingesteld zodat de deelnemende landen opsporingsbevoegdheden kunnen inzetten zonder dat daarvoor telkens rechtshulpverzoeken nodig zijn. Hiervoor heeft de rechtbank geoordeeld dat voor de interceptie door de Franse autoriteiten geen rechtshulpverzoek nodig was. De vraag of die interceptie plaatsvond voorafgaand aan of tijdens het JIT is daarmee niet relevant. Voorts overweegt de rechtbank dat uit de beschreven gang van zaken niet blijkt dat sprake is van een inbreuk op de soevereiniteit van Nederland, nu uit de stukken blijkt dat de Nederlandse autoriteiten op de hoogte waren van het feit dat de Franse politie een interceptietool zou inzetten die zich ook zou uitstrekken tot toestellen van Nederlandse gebruikers dan wel gebruikers op Nederlands grondgebied. Nog daargelaten dat het antwoord op de vraag of de Franse autoriteiten inbreuk zouden hebben gemaakt op de soevereiniteit van Nederland niet van belang is in het kader van de beoordeling van de strafzaak tegen verdachte. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het vertrouwensbeginsel van toepassing is op de verkrijging van de EncroChat-data door de Franse autoriteiten. Dat betekent dat de taak van de rechtbank ertoe is beperkt te waarborgen dat de wijze waarop van de resultaten van dit buitenlandse onderzoek in de strafzaak gebruik wordt gemaakt, geen inbreuk maakt op het recht op een eerlijk proces, als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het EVRM. De verdediging heeft betoogd dat bij de verkrijging van de EncroChat-data artikel 6 EVRM is geschonden, omdat gehandeld is in strijd met de onschuldpresumptie. Immers – zo stelt de verdediging – is sprake geweest van een bulkinterceptie, waarbij alle data inclusief inhoudelijke communicatie, van alle gebruikers algemeen en ongedifferentieerd is verzameld. Er is dus data onderschept van veel personen die niet in verband gebracht konden worden met strafbare feiten en zonder dat er een verdenking bestond, aldus de verdediging. De rechtbank stelt voorop dat de verdediging niet heeft onderbouwd waarom specifiek in de strafzaak tegen verdachte sprake is van handelen in strijd met de onschuldpresumptie. De verdediging beschikt met betrekking tot hun cliënt over alle voor het onderzoek relevante data. De data die aan het dossier zijn toegevoegd kunnen zonder nadere uitleg moeilijk worden begrepen als communicatie die de stelling onderbouwt dat ‘veel personen niet in verband konden worden gebracht met strafbare feiten’ en dat is gehandeld in strijd met de onschuldpresumptie. De verdediging volstaat met het maken van algemene opmerkingen, alsof jegens ‘elke burger’ en daarmee dus ook jegens verdachte met de interceptie een inbreuk is gemaakt op artikel 6 EVRM. Daarmee miskent de verdediging de kaders van artikel 359a Sv en de op haar rustende verplichting een verweer van een deugdelijke – concrete – motivering te voorzien, zodat het verweer dat bij de verkrijging van de gegevens sprake is van schending van artikel 6 EVRM reeds daarom wordt verworpen. Dit gezegd hebbende hecht de rechtbank eraan toch enkele opmerkingen te maken over de stelling dat sprake zou zijn geweest van algemene en ongedifferentieerde gegevensverzameling, omdat dit punt ook verderop in dit vonnis besproken wordt waar het gaat om het gebruik van de EncroChat-data in Nederland. Naar het oordeel van de rechtbank is bij de EncroChat-hack geen sprake is geweest van algemene en ongedifferentieerde dataverzameling. Weliswaar trof de hack een fors aantal gebruikers, maar de rechtbank volgt op dit punt de overwegingen van de rechter-commissaris in de 126uba Sv beschikking, waarin hij onder meer heeft geoordeeld dat “Aannemelijk is dat de keuze voor communicatie via Encro in vele gevallen is ingegeven door de wens om afgeschermd te kunnen communiceren teneinde ontdekking van gepleegde of te plegen strafbare feiten te voorkomen en om, bij ontdekking, het onderzoeken van die feiten onmogelijk te maken.” De rechter-commissaris overweegt voorts dat “is gebleken dat Encrofaciliteiten daadwerkelijk worden gebruikt, gekoppeld aan de gepleegde of te plegen strafbare feiten dan wel aan de (NN-) gebruikers die verdacht worden van betrokkenheid bij onder meer (…) (voorgenomen) liquidaties, wederrechtelijke vrijheidsberoving, grootschalige georganiseerde productie van en handel in verdovende middelen, witwassen en de voorbereiding van zulke strafbare feiten, (…) feiten die naar hun aard en/of door het georganiseerd verband waarin zij worden gepleegd, de rechtsorde ernstig ontwrichten.” De rechter-commissaris heeft dit oordeel gebaseerd op de feiten en omstandigheden die de politie en het Openbaar Ministerie hebben omschreven en geverbaliseerd in de bij de aanvraag overgelegde stukken. De rechtbank onderschrijft dit oordeel van de rechter-commissaris. De rechter-commissaris heeft vervolgens een afweging gemaakt tussen het belang van de waarborging van de vertrouwelijkheid van de communicatie van de gebruikers van EncroChat enerzijds en het belang van de opsporing anderzijds en heeft, om aan beide belangen recht te doen, een werkwijze voorgeschreven waarbij filters worden toegepast bij het verkrijgen van communicatie. Een werkwijze die ook verifieerbaarheid en controleerbaarheid met zich brengt. Gelet hierop volgt de rechtbank de verdediging niet in het betoog dat sprake is geweest van algemene en ongedifferentieerde gegevensverzameling. De verdediging suggereert voorts dat een EncroChat-toestel een doorsnee communicatiemiddel is dat gewoon door de gemiddelde burger wordt gebruikt, maar onderbouwt deze suggestie op geen enkele manier. Daar staat tegenover dat de politie en het Openbaar Ministerie uitvoerig hebben uitgelegd dat de werking van een EncroChat-toestel het gebruik daarvan aantrekkelijk maakt voor ‘personen die willen dat zijzelf en hun handelen niet door de justitiële autoriteiten wordt onderschept’, kort gezegd: voor criminelen. Bovendien acht de rechtbank het ook niet goed voorstelbaar dat de ‘gemiddelde burger’ net zoveel belang als criminelen zou hebben bij het gebruik van een EncroChat-toestel, dat slechts geschikt is voor communicatie met een beperkt aantal medegebruikers en waaraan hoge kosten zijn verbonden. De rechtbank schuift de enkele suggestie van de verdediging dan ook als onaannemelijk terzijde. Conclusie De verkrijging van de EncroChat-data levert geen vormverzuim op als bedoeld in artikel 359a Sv. Evenmin is sprake van een inbreuk op artikel 6 EVRM. 5.1.4. Heeft het gebruik van de EncroChat-data in Nederland rechtmatig plaatsgevonden? Inleiding Vooropgesteld wordt dat op het gebruik van de EncroChat-data in Nederland het vertrouwensbeginsel niet van toepassing is, omdat het gaat om gebruik door de Nederlandse politie dat niet onder verantwoordelijkheid van de Franse autoriteiten heeft plaatsgevonden. De rechtbank moet dus beoordelen of bij het gebruik van de EncroChat-data in onderzoek 26Lemont sprake is van vormverzuimen in de zin van artikel 359a Sv waaraan in de strafzaak jegens verdachte in het onderzoek 26Douglasville gevolgen moeten worden verbonden. De verdediging heeft aangevoerd dat het gebruik van de data in strijd is met de artikelen 7, 8 en 11 Handvest, omdat er met de verwerking inbreuk is gemaakt op de in die artikelen vervatte grondrechten, terwijl die inbreuk gelet op het bepaalde in artikel 52 van het Handvest niet gerechtvaardigd was. De verdediging heeft in dit kader onder meer verwezen naar de Richtlijnen 2002/58 en 2016/680, de Verordening 2016/679 alsmede een aantal arresten van het Hof van Justitie. Het Openbaar Ministerie stelt dat een beroep op het Handvest niet opgaat, omdat de bepalingen uit het Handvest zijn gericht tot de lidstaten, uitsluitend wanneer zij het recht van de Unie ten uitvoer brengen. Dat is volgens het Openbaar Ministerie niet het geval, omdat het hier gaat om regels van opsporing en vervolging binnen een lidstaat en die vallen niet onder het recht van de Unie. Toepasselijkheid Unierecht Uit artikel 51 lid 1 Handvest volgt dat de bepalingen uit het Handvest zich richten tot de lidstaten, uitsluitend wanneer zij het recht van de Unie ten uitvoer brengen. Daarvan is sprake wanneer een juridische situatie binnen het toepassingsgebied (ook wel de werkingssfeer) van het Unierecht valt. Wanneer nationale wetgeving wordt toegepast die is aangenomen ter omzetting van een richtlijn of een kaderbesluit, dan is sprake van het ten uitvoer brengen van Unierecht. De Europese Unie heeft het ‘Kaderbesluit 2008/841/JBZ van de Raad van 24 oktober 2008 ter bestrijding van georganiseerde criminaliteit’ (hierna: Kaderbesluit) aangenomen. De artikelen 1 en 2 beogen harmonisatie van de strafbaarstelling van deelneming aan een criminele organisatie, onder meer om grensoverschrijdende criminaliteit doeltreffender aan te kunnen pakken. Deelneming aan een criminele organisatie was ten tijde van het aannemen van dit Kaderbesluit in Nederland al strafbaar gesteld in artikel 140 Sr. Nadat het Kaderbesluit is aangenomen is artikel 140 Sr wat betreft de strafbaarstelling niet gewijzigd, kennelijk omdat de Nederlandse regering van oordeel was dat Nederland met de bestaande strafbaarstelling al voldeed aan de verplichtingen die voortvloeiden uit het Kaderbesluit. Dat neemt niet weg dat het Kaderbesluit in werking is getreden. De strafbaarstelling zoals opgenomen in artikel 140 Sr past binnen de definitie van artikel 1 van het Kaderbesluit en daarmee vallen opsporing en vervolging ter zake van deelneming aan een criminele organisatie binnen de werkingssfeer van het Unierecht. Dat betekent dus dat met de opsporing en vervolging van deelneming aan een criminele organisatie het Unierecht ten uitvoer wordt gebracht, zodat de Nederlandse autoriteiten bij die opsporing en vervolging het Unierecht moeten eerbiedigen. Gelet op het gevoerde verweer moet de rechtbank dus toetsen of bij het gebruik van de EncroChat-data is voldaan aan de bepalingen van het Handvest, meer in het bijzonder de artikelen 7, 8 en 52 van het Handvest. De verdediging heeft niet onderbouwd waarom sprake zou zijn van een inbreuk op de vrijheid van meningsuiting als bedoeld in artikel 11 Handvest, zodat dit artikel verder buiten beschouwing wordt gelaten. In aanvulling op het voorgaande wordt nog opgemerkt dat uit artikel 52 lid 3 Handvest voortvloeit dat voor zover een grondrecht uit het Handvest overeenkomst met een grondrecht uit het EVRM, de betreffende bepaling uit het Handvest niet zo mag worden uitgelegd dat het minder bescherming biedt dan het overeenkomstige grondrecht uit het EVRM. Dit betekent dat de rechtbank het gebruik van de EncroChat-data ook moet toetsen aan artikel 8 EVRM. Overigens geldt dat de rechtbank met het Openbaar Ministerie en de verdediging van oordeel is dat met het gebruik van de EncroChat-data is gehandeld binnen de werkingssfeer van Richtlijn 2016/680. Deze Richtlijn ziet op de verwerking van persoonsgegevens door bevoegde autoriteiten ten behoeve van de voorkoming, de opsporing en de vervolging van strafbare feiten en de tenuitvoerlegging van straffen. Deze Richtlijn is in Nederland geïmplementeerd in de Wet politiegegevens (Wpg) en de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens (Wjsg). Verderop in dit vonnis zal nader worden ingegaan op de vraag of bij de verwerking van de EncroChat-gegevens is gehandeld conform de uit die Richtlijn voortvloeiende verplichtingen. Op deze plaats volstaat de rechtbank met de opmerking dat – anders dan het Openbaar Ministerie heeft betoogd – omzetting van een Richtlijn in nationaal recht niet tot gevolg heeft dat een direct beroep op de bepalingen van die Richtlijn niet meer aan de orde is. Op alle nationale autoriteiten (dus niet alleen de rechter) rust de verplichting het nationale recht zoveel mogelijk uit te leggen en toe te passen in het licht van de bewoordingen en doelstellingen van de Richtlijn. Indien een burger van mening is dat het nationale recht in strijd is met een bepaling uit een Richtlijn, kan hij een beroep doen op de rechtstreekse werking van die bepaling, mits deze voldoende nauwkeurig en onvoorwaardelijk is om te worden toegepast door de nationale rechter. Relevante bepalingen uit het Handvest Voor de beoordeling van het verweer van de verdediging zijn de volgende bepalingen uit het Handvest relevant: Artikel 7 Eenieder heeft recht op eerbiediging van zijn privéleven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn communicatie. Artikel 8 Eenieder heeft recht op bescherming van zijn persoonsgegevens. Deze gegevens moeten eerlijk worden verwerkt, voor bepaalde doeleinden en met toestemming van de betrokkene of op basis van een andere gerechtvaardigde grondslag waarin de wet voorziet. Eenieder heeft recht van inzage in de over hem verzamelde gegevens en op rectificatie daarvan. Een onafhankelijke autoriteit ziet erop toe dat deze regels worden nageleefd. Uit artikel 52 lid 1 Handvest volgt wanneer beperkingen op de grondrechten als bedoeld in de artikelen 7 en 8 zijn toegelaten: Beperkingen op de uitoefening van de in dit Handvest erkende rechten en vrijheden moeten bij wet worden gesteld en de wezenlijke inhoud van die rechten en vrijheden eerbiedigen. Met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel kunnen slechts beperkingen worden gesteld, indien zij noodzakelijk zijn en daadwerkelijk beantwoorden aan door de Unie erkende doelstellingen van algemeen belang of aan de eisen van de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen. De rechtbank is van oordeel dat bij de verwerking van de EncroChat-data sprake is van beperkingen op de grondrechten als bedoeld in de artikelen 7 en 8 van het Handvest alsmede artikel 8 EVRM. De vervolgvraag die dan moet worden beantwoord is of die beperkingen voldoen aan de eisen die artikel 52 lid 1 van het Handvest daaraan stelt. Wat is de grondslag voor het gebruik van de EncroChat-data? In het voorgaande is overwogen dat de machtiging van de rechter-commissaris ex artikel 126uba Sv en 126t Sv de grondslag heeft gevormd voor het gebruik van de EncroChat-data door Nederlandse opsporingsambtenaren. Op grond van die machtiging mocht de EncroChat-data worden doorzocht en geanalyseerd door het onderzoeksteam 26Lemont, waarna de beschikbare informatie pas met andere onderzoeksteams mocht worden gedeeld nadat daarvoor aanvullende toestemming was verkregen van de rechter-commissaris. Uiteen is gezet dat voor het gebruik van de EncroChat-data door het onderzoeksteam 26Douglasville aanvullende toestemming is verkregen van de rechter-commissaris. Anders dan de verdediging is de rechtbank van oordeel dat de artikelen 126uba Sv en 126t Sv de wettelijke grondslag zijn voor het gebruiken van de EncroChat-data. In artikel 126uba Sv is geregeld dat op bevel van de officier van justitie, na machtiging daartoe door de rechter-commissaris, kan worden binnengedrongen in een geautomatiseerd werk. Deze bevoegdheid omvat mede de vastlegging van gegevens die in dat geautomatiseerde werk zijn of worden opgeslagen. Voorts regelt artikel 126t Sv de bevoegdheid om communicatie te mogen opnemen. Uit beide bepalingen volgt niet dat deze bevoegdheden enkel mogen worden ingezet tegen personen van wie de identiteit bekend is: het gaat erom dat er een redelijk vermoeden moet zijn dat de persoon (al dan niet NN) betrokken is bij het in georganiseerd verband beramen of plegen van misdrijven. Hoewel in geen van beide artikelen expliciet benoemd is dat de door de inzet van deze bevoegdheden verkregen informatie mag worden doorzocht, is het naar het oordeel van de rechtbank evident dat deze bepalingen ook het gebruik van de informatie omvatten. Het in het kader van de opsporing mogen opnemen van communicatie en het mogen binnendringen in een geautomatiseerd werk waarbij gegevens mogen worden opgeslagen zonder dat die verder zouden mogen worden doorzocht, zou betrekkelijk zinloos zijn. Uit de machtiging blijkt dat de rechter-commissaris inzicht heeft gehad in de toe te passen methode (in Frankrijk), waarna hij de gevraagde machtiging tot binnendringen onder bepaalde voorwaarden heeft verleend. Daarmee heeft de rechter-commissaris tevens toestemming gegeven voor het gebruik van de EncroChat-data. Dat de verkrijging van de EncroChat-data (door middel van het feitelijk binnendringen van de geautomatiseerde werken) is gedaan door en onder verantwoordelijkheid van de Franse autoriteiten maakt dit niet anders. Toetsing van dit gedeelte van het opsporingsonderzoek wordt – zoals hierboven overwegen – beperkt door het vertrouwensbeginsel. Het gaat erom dat de Nederlandse politie op grond van de 126uba Sv machtiging de van de Fransen ontvangen EncroChat-data heeft kunnen en mogen gebruiken. Het voorgaande betekent dat in dit geval de inmenging van de Nederlandse politie in de communicatie en daarmee het privéleven van de individuele gebruiker, zoals dat wordt beschermd door de artikelen 7 en 8 Handvest en artikel 8 EVRM, bij wet is voorzien. Proportionaliteit en subsidiariteit De vervolgvraag is of is voldaan aan de uit artikel 52 lid 1 Handvest voortvloeiende eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. De verdediging heeft in dit verband verwezen naar meerdere arresten van het Hof van Justitie. Deze arresten zijn niet één op één toepasbaar in deze zaak omdat ze veelal gaan over de uitleg van Richtlijn 2002/58 en het gevallen betreft waarin verplichtingen aan aanbieders van elektronische communicatiemiddelen worden opgelegd, zoals de verplichting tot algemene en ongedifferentieerde bewaring van de verkeers- en locatiegegevens van gebruikers. De rechtbank heeft al eerder geoordeeld dat Richtlijn 2008/58 niet van toepassing is, omdat activiteiten op strafrechtelijk gebied zijn uitgezonderd van de werkingssfeer. De verdediging stelt zich inmiddels ook op het standpunt dat Richtlijn 2008/58 niet van toepassing is. Echter, de rechtbank is het met de verdediging eens dat dit niet wegneemt dat de kaders zoals geschetst in de door de verdediging aangehaalde arresten wel degelijk relevant kunnen zijn bij de beoordeling in deze zaak. Het Unierecht is immers van toepassing en aangezien de aangehaalde arresten gaan over de artikelen 7, 8 en 52 lid 1 Handvest kunnen zij wel degelijk handvatten bieden voor de beoordeling of de inbreuken op grondrechten in deze zaak gerechtvaardigd waren. Bij de beantwoording van de vraag of is voldaan aan de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit stelt de rechtbank voorop haar oordeel dat bij de EncroChat-hack geen sprake is geweest van algemene en ongedifferentieerde dataverzameling, zoals hierboven overwogen. De rechtbank volgt de verdediging dus niet in het primaire standpunt. De verdediging heeft als subsidiair standpunt aangevoerd dat –mocht de rechtbank oordelen dat geen sprake is van algemene en ongedifferentieerde dataverzameling– ook niet wordt voldaan aan de vereisten van een strikte noodzaak (als bedoeld in artikel 52 lid 1 Handvest) voor beperking van de grondrechten van de artikelen 7 en 8 Handvest. De verdediging onderbouwt dit door te stellen dat de EncroChat-hack niet beantwoordt aan de doelstellingen van het Openbaar Ministerie. De verdediging miskent hiermee dat blijkens artikel 52 lid 1 van het Handvest beperkingen kunnen worden gesteld op de uitoefening van de in het Handvest erkende rechten en vrijheden ‘indien zij noodzakelijk zijn en daadwerkelijk beantwoorden aan de door de Unie erkende doelstellingen van algemeen belang of aan de eisen van de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen’. De vraag of is voldaan aan de specifieke doelstellingen van het Openbaar Ministerie in het onderzoek 26Lemont is niet relevant. Uit de onderzoeksbevindingen in 26Douglasville blijkt evident dat de beperkingen op de grondrechten zoals vervat in de artikelen 7 en 8 Handvest beantwoorden aan het algemeen belang of de eisen van de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen. Immers zijn de grondrechten ingeperkt met als doel bestrijding van zware, gewelddadige criminaliteit, die naar zijn aard en/of door het georganiseerd verband waarin zij wordt gepleegd, de rechtsorde ernstig ontwricht. Dat betekent dat de rechtbank ook dit betoog verwerpt. Tot slot stelt de verdediging dat niet aan de eisen van subsidiariteit is voldaan, omdat ook met andere onderzoeken had kunnen volstaan. De verdediging voert ter onderbouwing van deze stelling in grote lijnen dezelfde argumenten aan als die ten grondslag zijn gelegd aan de stelling dat niet is voldaan aan de eisen van proportionaliteit, maar legt niet uit met welke onderzoeken in haar visie had kunnen worden volstaan. Daar staat tegenover dat de rechter-commissaris – zo blijkt uit de 126uba Sv machtiging – gemotiveerd heeft geoordeeld dat de informatie niet op een andere, effectieve en minder ingrijpende wijze te verkrijgen en te gebruiken was. Gelet hierop en in het licht van het gestelde, ziet de rechtbank geen redenen om te oordelen dat het gebruik van de EncroChat-data in strijd is met de beginselen van subsidiariteit. Wet politiegegevens en Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens Met de Wet politiegegevens (Wpg) en de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens (Wsjg) is Richtlijn 2016/680 geïmplementeerd. Deze Richtlijn is van toepassing op de verwerking van persoonsgegevens door bevoegde autoriteiten ten behoeve van de voorkoming, de opsporing en de vervolging van strafbare feiten en de tenuitvoerlegging van straffen. De Richtlijn beoogt te waarborgen dat de gegevens die door de autoriteiten worden verzameld op een legitieme wijze worden verwerkt, voor legitieme doelen worden verzameld en verwerkt, en op passende wijze worden beschermd tegen ongeoorloofde en onrechtmatige verwerking. De verdediging heeft betoogd dat de Wpg de wettelijke grondslag vormt voor het gebruik van de data. Het gaat de verdediging om het gebruik van de data voordat deze met onderzoek 26Douglasville is gedeeld. Hierboven is uiteengezet dat de rechtbank van oordeel is dat de 126uba Sv machtiging de wettelijke grondslag vormt voor het gebruik van de data. Dit geldt voor zowel het gebruik in 26Lemont als het (na aanvullende toestemming daartoe) gebruik in 26Douglasville. Dat betekent dat het verweer reeds daarom wordt verworpen. Dit neemt niet weg dat het bewaren van de data valt binnen de werkingssfeer van Richtlijn 2016/680. De rechtbank gaat echter niet verder in op de verweren die de verdediging in dit verband heeft gevoerd, omdat deze niet tot het oordeel kunnen leiden dat het gebruik van de data in de strafzaak tegen verdachte onrechtmatig is. De Wpg (noch de Wsjg) bevat enig belangrijk strafvorderlijk voorschrift, zodat de vragen in hoeverre deze voorschriften van toepassing zijn en of conform deze voorschriften is gehandeld geen vragen zijn die de rechtbank in het kader van de artikelen 348 en 350 Sv dient te beantwoorden, noch vragen die beantwoord moeten worden bij de toetsing of sprake is van een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 EVRM. Conclusie Het gebruik van de EncroChat-data in Nederland heeft rechtmatig plaatsgevonden. Er is geen sprake van schending van de artikelen 7, 8 en 52 lid 1 Handvest en evenmin van artikel 6 en 8 EVRM, zodat ook van vormverzuimen als bedoeld in artikel 359a Sv geen sprake is. Ook dit verweer van de verdediging wordt daarom verworpen. 5.1.5. Voorwaardelijk verzoek tot het stellen van prejudiciële vragen De verdediging heeft het voorwaardelijk verzoek gedaan tot het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie, onder de voorwaarde dat de rechtbank de verweren met betrekking tot de artikelen 7, 8 en 52 lid 1 Handvest niet honoreert. Nu dit laatste niet het geval is, is de voorwaarde ingetreden en zal de rechtbank beslissen op het verzoek. Om een uniforme toepassing van het EU-recht te waarborgen, voorziet art. 267 EU-werkingsverdrag in een samenwerking tussen het Hof van Justitie en nationale rechtscolleges: bestaat onduidelijkheid over de vraag hoe een bepaling van gemeenschapsrecht moet worden toegepast of uitgelegd, dan heeft de nationale rechter de mogelijkheid -en in sommige gevallen de verplichting- deze vraag voor te leggen aan het Hof van Justitie. Art. 267 EU-werkingsverdrag bepaalt tevens dat gerechten waarvan de beslissingen niet vatbaar zijn voor hoger beroep verplicht zijn zich tot het Hof te wenden wanneer zich vragen met betrekking tot de toepassing of uitleg van EU-recht voordoen. De rechtbank stelt voorop dat zij bevoegd is tot het stellen van prejudiciële vragen, maar daartoe niet verplicht is. Ook merkt de rechtbank op dat het initiatief om een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie voor te leggen uitsluitend door de nationale rechterlijke instanties kan worden uitgeoefend, ongeacht of partijen in het hoofdgeding al dan niet de wens hebben geuit dat de rechter zich tot het Hof van Justitie wendt. Het Hof van justitie heeft met betrekking tot het aanhangig maken van de prejudiciële procedure een aantal aanbevelingen gegeven, waaronder: 5. De rechterlijke instanties van de lidstaten kunnen zich tot het Hof wenden met een vraag over de uitlegging of de geldigheid van het recht van de Unie wanneer zij van oordeel zijn dat een beslissing van het Hof daarover noodzakelijk is om uitspraak te kunnen doen (zie artikel 267, tweede alinea, VWEU). Een prejudiciële verwijzing kan met name bijzonder nuttig zijn wanneer voor de nationale rechterlijke instantie een nieuwe uitleggingsvraag wordt opgeworpen die van belang is voor de uniforme toepassing van het recht van de Unie, of wanneer de bestaande rechtspraak niet voldoende duidelijk is voor een nieuw feitelijk of rechtskader. De meervoudige strafkamer in de rechtbank Amsterdam heeft geen vraag in de zaak 26Douglasville over de uitleg of de geldigheid van het recht van de Unie waarop zij het antwoord van het Hof van Justitie noodzakelijk vindt voordat zij zelf uitspraak kan doen. Het verzoek tot het stellen van prejudiciële vragen wordt daarom afgewezen. 5.1.6. Voorwaardelijk verzoek op het voorwaardelijk verzoek Indien de rechtbank het verzoek tot het stellen van prejudiciële vragen afwijst, verzoekt de verdediging om heropening van het onderzoek ter terechtzitting en voeging van de volgende stukken aan het dossier. - De JIT-overeenkomst tussen Nederland en Frankrijk; - De Europese Opsporingsbevelen (EOB’

  1. s)die vanuit onderzoek Bismarck naar Frankrijk zijn gestuurd; - Het proces-verbaal van verdenking jegens het bedrijf EncroChat en de daaraan gelieerde personen; - De Franse machtigingen voor de inzet van de interceptietool, alsmede de vorderingen daartoe en de onderliggende aanvragen c.q. onderbouwingen. De verdediging stelt dat de rechtbank kennelijk meent dat het Hof van Justitie niet voldoende kan worden geïnformeerd over de feiten en het rechtskader om prejudiciële vragen te beantwoorden, maar dat dit betekent dat de rechtbank zichzelf ook onvoldoende geïnformeerd acht om op de verweren te reageren. Zoals hierboven overwogen ziet de rechtbank geen noodzaak tot het stellen van prejudiciële vragen over de uitleg of de geldigheid van het recht van de Unie, omdat zij zich voldoende voorgelicht acht om uitspraak te kunnen doen. Om dezelfde reden ziet de rechtbank geen redenen het onderzoek te heropenen en de verzochte stukken aan het dossier toe te voegen. Het verzoek daartoe wordt daarom afgewezen. 5.2. Feiten in het onderzoek 26Douglasville 5.2.1. Standpunt van het Openbaar Ministerie Het Openbaar Ministerie heeft zich op het standpunt gesteld dat het alternatieve scenario dat verdachte heeft geschetst ongeloofwaardig is en in strijd met de bewijsmiddelen. Daarom moet dit scenario terzijde worden geschoven. Hij heeft zich daarnaast op het standpunt gesteld dat de ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden en daartoe de in zijn ogen redengevende bewijsmiddelen opgesomd. 5.2.2. Standpunt van de verdediging De verdediging heeft betoogd dat verdachte ten aanzien van den ten laste gelegde feiten moet worden vrijgesproken, wegens het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs. Ten aanzien van feit 1 heeft de verdediging aangevoerd dat verdachte vanaf september 2019 hulp is gaan bieden bij het onder meer opruimen van wiethokken, met de gedachte om bij wijze van dagbesteding wat hand- en spandiensten te leveren aan een club hennepkwekers. Toen verdachte het vermoeden kreeg dat er iets anders werd opgericht, heeft hij niet de durf gehad om met zijn werkzaamheden te stoppen. Verdachte was echter slechts één van de klussers en zijn handelen is nooit gepaard gegaan met de intentie om de voorbereiding van ernstige misdrijven te faciliteren. Verdachte had geen opzettelijke betrokkenheid bij de verwerving van de tenlastegelegde voorbereidingsmiddelen ten behoeve van de uitvoering daarvan. Van de aanwezigheid van een aanzienlijk deel van die middelen is hij zich niet eens bewust geweest. Daar komt bij dat de bestemming van de voorwerpen die in de loodsen zijn aangetroffen, hoofdzakelijk wordt ingevuld aan de hand van PGP-communicatie waar verdachte geen deelgenoot van was. Ten aanzien van feit 2 heeft de verdediging aangevoerd dat dat de ‘klussers’ slechts een bijdrage hebben willen leveren aan hennepfeiten en dat zij in hun (latere) bijdrage hebben gedwaald ten aanzien van het tenlastegelegde oogmerk, hetgeen aan het aannemen van opzet in de weg staat. 5.2.3. Oordeel van de rechtbank De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit. 5.2.3.1. Identificatie EncroChat-gebruikers Uit het dossier blijkt van een uitwisseling van chats (berichten) die kennelijk betrekking hebben op ernstige gepleegde en/of nog te plegen geweldsdelicten. De inhoud van de chats en de tijdstippen van verzenden van de chats vormen een substantieel deel van de bewijsvoering door het Openbaar Ministerie. De chatuitwisseling vond plaats via EncroChat-accounts, telkens onder een door de gebruiker van het desbetreffende account zelfgekozen (Engelse) bijnaam. Op 13 juni 2020 stuurde EncroChat een bericht uit naar zijn gebruikers met de mededeling dat de server gehackt was door de politie. Er zijn bij de aanhoudingen en doorzoekingen, verricht vanaf 22 juni 2020, geen EncroChat-toestellen aangetroffen op de doorzochte adressen of bij de verdachten. Bij de onderzoeksbevindingen in het dossier bevinden zich ook berichten die via de berichtendienst ‘Telegram’ zijn verzonden. Telegram is een app, vergelijkbaar met WhatsApp, die op iedere telefoon is te downloaden. Ook gebruikers van Telegram kunnen berichten uitwisselen en communiceren met gebruikmaking van nicknames of bijnamen. Verdachten, door de politie en ter terechtzitting geconfronteerd met onderzoeksbevindingen, hebben zich overwegend beroepen op hun zwijgrecht dan wel ontkend dat zij gebruik maakten van EncroChat. Ook voor wat betreft de bijnamen en gebruikersnamen hebben verdachten overwegend ontkend of gezwegen. Voor het antwoord op de vraag of een gebruiker van een bepaalde gebruikersnaam kan worden geïdentificeerd heeft de politie onder meer gekeken naar onderlinge verbanden tussen de inhoud van chatberichten, het taalgebruik in chatberichten, paallocaties van EncroChat- en telefoontoestellen, de inhoud en tijdstippen van afgeluisterde telefoongesprekken, tijdstippen van chatberichten, observaties (al dan niet met camera’
  2. s)en de tijdstippen en locaties daarvan, afbeeldingen van verstuurde foto’s, in beslag genomen goederen en naar dat wat men wist over de persoonlijke omstandigheden van de in het onderzoek al naar voren gekomen verdachten. In die verbanden zijn aanwijzingen gevonden voor de identiteit van de gebruiker. De politie en het Openbaar Ministerie hebben ten aanzien van een aantal gebruikersnamen geconcludeerd dat op basis van de gevonden aanwijzingen de identiteit van de gebruiker kan worden vastgesteld. De vraag die de rechtbank allereerst moet beantwoorden is of op basis van de onderzoeksbevindingen in het dossier vastgesteld kan worden welke accounts/bijnamen door welke afzonderlijke verdachten zijn gebruikt in de tenlastegelegde periode en welke bijnaam op welke verdachte ziet. Gelet op de samenhang van diverse onderzoeksbevindingen kunnen ook de vaststelling van de gebruikte bijnamen van andere gebruikers relevant zijn voor de identificatie van een gebruiker. De behandeling van de zaak van medeverdachte [medeverdachte 2] is aangehouden voor onbepaalde tijd. De rechtbank zal gelet op de samenhang van de bevindingen betreffende [medeverdachte 2] met de overige onderzoeksbevindingen echter ook de identiteit van [bijnaam 1 medeverdachte 2] en de aan [medeverdachte 2] gekoppelde bijnamen vaststellen en tevens onderbouwen, mede nu de verdediging van een aantal medeverdachten naar het verweer van [medeverdachte 2] met betrekking tot de identificatie van [bijnaam 1 medeverdachte 2] heeft gewezen. Datzelfde geldt voor de op [datum] vermoorde [persoon 1] . [persoon 1] kwam, onder meer als gebruiker van EncroChat-accounts, in diverse onderzoeken naar voren. Gelet op de samenhang van bepaalde onderzoeksgegevens betreffende [persoon 1] , met onderzoeksgegevens die van belang zijn voor de identificatie van medeverdachten, zal ook bij de identificatie van [persoon 1] als gebruiker van een aantal EncroChat-accounts worden stilgestaan. Algemene context onderzoeksbevindingen identificatie Voordat het onderzoek 26Douglasville startte was een aantal verdachten al als verdachte in beeld bij de politie in het kader van andere strafrechtelijke onderzoeken. Op 20 juni 2019 was onderzoek 26Antigo gestart, een onderzoek naar grootschalige drugshandel en de voorbereiding van moord, waarin onder meer [medeverdachte 2] als verdachte was aangemerkt. In de loop van onderzoek 26Antigo kwam een loods aan de [adres 1] in Wouwse Plantage in beeld, die gehuurd bleek door betalingen via rekeningen gelieerd aan [medeverdachte 3] . Het vermoeden bestond dat deze loods door of ten behoeve van [medeverdachte 2] werd gehuurd. Op 7 april 2020 werd de nabije omgeving van de loods aan de [adres 1] te Wouwse Plantage geobserveerd. Op 22 april 2020 vond, in het kader van onderzoek 26Douglasville, een inkijk in de loods aan de [adres 1] in Wouwse Plantage plaats en werden camera’s geplaatst in en buiten de loods. Uit onderzoek 26Antigo zijn verschillende gecommuniceerde tekstberichten, uitgewerkte afgeluisterde telefoongesprekken, beschrijvingen van camerabeelden en observaties toegevoegd aan het dossier 26Douglasville. [medeverdachte 5] , [persoon 1] en [medeverdachte 6] waren, behalve in 26Douglasville, ook in beeld als verdachten in onderzoek 26Tumwater, een onderzoek naar handel in verdovende middelen. [medeverdachte 5] was daarnaast in beeld als verdachte in de onderzoeken 26Sartell en 26Branson. Begin 2020 wordt gestart met het onderzoek 26Lemont, gericht op EncroChat en daaraan gelieerde personen. Op 1 april 2020 hebben de Nederlandse autoriteiten voor het eerst data verkregen die rechtstreeks afkomstig waren van de Nederlandse EncroChat-toestellen. Er werd in 26Lemont onder andere vanaf 8 april 2020 data verkregen van het EncroChat-toestel met IMEI-nummer [IMEI-nummer 1] (hierna: [IMEI-nummer 1] ), met daaraan gekoppeld de gebruikersnaam ‘[bijnaam 1 medeverdachte 2] @encrochat.com’ (hierna: [bijnaam 1 medeverdachte 2]), waarvan het onderzoeksteam vermoedde dat dit gebruikt werd door [medeverdachte 2] . De voor de verdenking jegens [medeverdachte 2] relevant geachte chatgesprekken zijn aan het onderzoeksteam van 26Douglasville ter beschikking gesteld. Uit de berichten en de door [bijnaam 1 medeverdachte 2] gestuurde foto’s rees het vermoeden dat [bijnaam 1 medeverdachte 2] een wederrechtelijke vrijheidsberoving dan wel een ander zwaar geweldsmisdrijf aan het voorbereiden was. Op door [bijnaam 1 medeverdachte 2] verzonden foto’s waren ( zee )containers in een loods te zien, containers die kennelijk aan de binnenkant verbouwd werden. In één container was op foto’s een behandelstoel te zien, met riemen om de armen en benen te fixeren. Op één van de verstuurde foto’s waren de opvallend langwerpige dakramen van een loods te zien. Deze foto is vergeleken met een foto van Google Maps van de loods in Wouwse Plantage die in 26Antigo al in beeld was gekomen en men kwam tot de conclusie dat de loods op de foto dezelfde loods kon betreffen als de loods in Wouwse Plantage, die in onderzoek 26Lemont naar voren was gekomen. [medeverdachte 2] heeft ter terechtzitting bevestigd dat hij iets met die loods te maken had, in verband met hennepkweek. EncroChat-toestellen en -accounts Een EncroChat-toestel betreft een op een telefoon lijkend toestel, voorzien van een simkaart en beveiligd met twee wachtwoorden: een lang wachtwoord om het toestel op te starten als het langer dan 24 uur vergrendeld was en een korter wachtwoord om de telefoon te ontgrendelen als de telefoon korter dan 24 uur vergrendeld was. Deze wachtwoorden konden door de gebruiker worden ingesteld. EncroChat-gebruikers konden alleen één-op-één communiceren met een andere EncroChat-gebruiker, maar pas nadat deze over en weer elkaars username onder een zelfgekozen nickname hadden opgeslagen in de contactlijst. Een chat (bericht) kon bestaan uit tekstberichten en foto’s. In onderzoek 26Douglasville zijn vele EncroChat-gebruikersnamen naar voren gekomen. Een gebruikersnaam (username) bestond steeds uit een bijnaam, gevolgd door ‘@EncroChat.com’ Kortheidshalve worden de accounts en de gebruikers hierna meestal alleen met hun bijnaam aangeduid, cursief weergegeven. Dus in plaats van bijvoorbeeld ‘de gebruiker van het EncroChat-toestel met daaraan gekoppeld de gebruikersnaam ‘[gebruikersnaam 1] @encrochat.com’ zal hierna kortheidshalve worden gesproken over [gebruikersnaam 1] . In 26Douglasville zijn diverse bevindingen uit de hierboven (onder ‘context’) genoemde onderzoeken gecombineerd om tot identificatie van de gebruikersnamen te kunnen komen. Die identificaties hangen veelal met elkaar samen en versterken elkaar over en weer. [medeverdachte 2] ‘ [bijnaam 2 medeverdachte 2] ’ of [emoticon] ‘’ Uit diverse EncroChat-berichten is gebleken dat [gebruikersnaam 1 medeverdachte 5], [gebruikersnaam 1 medeverdachte 6] en [gebruikersnaam 1 persoon 1] in hun chats spreken over iemand die ze ‘ [bijnaam 2 medeverdachte 2] ’ noemen en deze persoon (ook) aanduiden met kortweg ‘’, de emoticon [emoticon] (hierna: ). In een EncroChat-gesprek van 27 maart 2020 tussen [gebruikersnaam 1 medeverdachte 5] en [gebruikersnaam 1 persoon 1] wordt onder meer het volgende uitgewisseld: [gebruikersnaam 1 medeverdachte 5] Heb je mail [gebruikersnaam 1 persoon 1] Nee geef ze mail maar [gebruikersnaam 1 medeverdachte 5] [bijnaam 1 medeverdachte 2] . Uit deze chat zou kunnen worden opgemaakt dat met en [bijnaam 1 medeverdachte 2] dezelfde persoon wordt bedoeld. Datzelfde valt op de maken uit een chat van 4 april 2020 tussen [gebruikersnaam 1 medeverdachte 5] en [gebruikersnaam 1 persoon 1] en een chat van 31 maart 2020 tussen [gebruikersnaam 1 medeverdachte 6] en [gebruikersnaam 1 medeverdachte 5] . Ook uit de inhoud van de chats tussen [bijnaam 1 medeverdachte 2] en [gebruikersnaam 1 persoon 1] , betreffende auto’s en gestolen kentekenplaten en de chats tussen [bijnaam 1 medeverdachte 2] en [gebruikersnaam 1 medeverdachte 5] over benodigde auto’s, gevolgd door het al genoemde verwijzen naar [bijnaam 1 medeverdachte 2] in antwoord op de vraag naar de mail van , sterkt de conclusie dat met ‘ [bijnaam 2 medeverdachte 2] ’ bedoeld wordt [bijnaam 1 medeverdachte 2] . De rechtbank stelt dan ook vast dat met ‘ [bijnaam 2 medeverdachte 2] ’ en de emoticon ‘’ gedoeld werd op [bijnaam 1 medeverdachte 2] . Persoon verdachte [medeverdachte 2] , feiten en omstandigheden Uit de periode vanaf ongeveer medio 2018 tot de datum van zijn aanhouding, 22 juni 2020, staan de volgende feiten en omstandigheden over [medeverdachte 2] vast, die door hem ook niet zijn betwist. [medeverdachte 2] , een man met een opvallend gespierd en breed postuur, runde sportschool [sportschool] aan de [adres 2] te Utrecht . Hij heeft twee kinderen, [kind 1 medeverdachte 2] en [kind 2 medeverdachte 2] . [medeverdachte 2] stond ingeschreven op het adres [adres 3] in De Meern, evenals zijn kinderen en de moeder van de kinderen, [naam moeder] . [medeverdachte 2] had een relatie met [naam vriendin] , van wie de roepnaam [roepnaam vriendin] is. [naam vriendin] runde een autowasstraat aan de [adres 4] te Utrecht . Uit onderzoek bleek dat [medeverdachte 2] overdag regelmatig verbleef op, of in de directe omgeving, van de [adres 4] te Utrecht . In het verleden had hij gewoond op het adres [adres 5] te Utrecht . [medeverdachte 2] stond op een dodenlijst. Hij wilde ‘onder de radar’ blijven en verbleef daarom op diverse adressen, waar hij niet stond ingeschreven. Voor hem werden onder meer een woning aan de [adres 6] te Den Haag gehuurd en (vervolgens) een woning aan de [adres 7] te Den Haag. Beide adressen betroffen appartementen, gelegen boven winkelcentrum [naam winkelcentrum] . Onder de appartementencomplexen bevond zich een parkeergarage, de Q-Park parkeergarage [locatie parkeergarage] / [naam winkelcentrum] . De betalingen voor die appartementen werden gedaan via [medeverdachte 3] , ook wel aangeduid met (die) [bijnaam 2 medeverdachte 3] of [bijnaam 1 medeverdachte 3], die ook de loods in Wouwse Plantage had gehuurd. [medeverdachte 2] had betrokkenheid bij die loods. [medeverdachte 2] had de beschikking over een gepantserde BMW X5 (kenteken [kentekennummer 1] ) en een gepantserde Volkswagen Passat (kenteken [kentekennummer 2] ). [persoon 2] , vermoord op 5 mei 2019, was bij leven een vriend van [medeverdachte 2] . [persoon 3] is een contact van [medeverdachte 2] , beiden waren ook verdachte in onderzoek 26Antigo. Verklaring verdachte [medeverdachte 2] ontkent stellig dat hij [bijnaam 1 medeverdachte 2] en/of [bijnaam 2 medeverdachte 2] en/of [bijnaam 3 medeverdachte 2] en/of [bijnaam 4 medeverdachte 2] en/of [bijnaam 5 medeverdachte 2] en/of [bijnaam 6 medeverdachte 2] is of is geweest. Hij heeft verklaard dat [bijnaam 1 medeverdachte 2] zich heel dicht in zijn omgeving bevond maar dat hij niet wil zeggen wie het was; de politie moet beter zoeken en niet alleen vanuit hun tunnelvisie naar bevestiging van hun hypothese zoeken. In reactie op bovenstaande onderzoeksbevindingen heeft hij, onder meer, verklaard dat de BMW X5 en de VW Passat behalve door hem ook door anderen werden gebruikt en dat de politie verkeerde conclusies trekt uit de onderzoeksbevindingen. Ter terechtzitting van 12 augustus 2021 heeft hij desgevraagd bevestigd dat hij degene was die het wachtwoord waar ‘ [naam 1] ’ in voorkomt had ingevoerd op een EncroChat-toestel. Hij had, zo verklaarde hij, dat toestel echter teruggegeven aan degene van wie hij het had gekregen, met de bijbehorende wachtwoorden op een notitie erbij. Dat was meende hij in februari/maart (de rechtbank begrijpt: 2020) geweest, in ieder geval vóór de start van onderzoek 26Douglasville. Hij had het toestel niet lang in gebruik gehad. Hij wil niet zeggen van wie hij het toestel had gekregen en aan wie hij het had teruggegeven. In mei 2020 had hij, aldus [medeverdachte 2] , een ander EncroChat-toestel gekregen van een andere bron. Hij heeft eveneens bevestigd dat hij betrokkenheid had bij de loods in Wouwse Plantage. Kort samengevat komt de uitvoerige schriftelijke verklaring van [medeverdachte 2] , opgesteld op basis van het volledige dossier en de onderzoeksbevindingen van de politie, neer op het bevestigen van de meeste onderzoeksbevindingen in het dossier, maar het betwisten van de conclusies die daaruit worden getrokken. [bijnaam 1 medeverdachte 2] Op het toestel van , met IMEI nummer [IMEI-nummer 1] was (vanaf 4 mei 2021) een printertap aangesloten. Omdat het toestel soms was ontkoppeld van het netwerk gaf het niet altijd locatiegegevens, mogelijk omdat het toestel dan was uitgeschakeld. Het wachtwoord van het [bijnaam 1 medeverdachte 2]-toestel bleek ‘ [wachtwoord 1] ’. Uit onderzoek is gebleken dat ook het wachtwoord ' [wachtwoord 2] ' vijfmaal was ingevoerd om het [bijnaam 1 medeverdachte 2]-toestel te ontgrendelen. Dit wachtwoord vormt een link met [medeverdachte 2] , omdat gebleken is dat hij tot en met 2016 eigenaar was van een perceel aan het [adres 5] te Utrecht , met postcode [adres 5] . Op 8 april 2020 stuurt [bijnaam 1 medeverdachte 2] foto’s naar [gebruikersnaam 1 medeverdachte 5] van een loods waarin zeecontainers staan. Uit ingesteld onderzoek bleek dat de uiterlijke kenmerken van de loods op de foto's sterk overeenkwamen met die van de loods aan de [adres 1] te Wouwse Plantage (loods 1), die naar voren was gekomen in het onderzoek naar o.a. [medeverdachte 2] . Wegens het vermoeden dat [medeverdachte 2] de gebruiker van het [bijnaam 1 medeverdachte 2] -toestel was, zijn ter identificatie vervolgens verschillende observaties op hem gedaan en vergeleken met de gegevens van de printertap. Op 19 april 2020 omstreeks 19:47 uur werd gezien dat een BMW X5 ( [kentekennummer 1] ) in Den Haag in de parkeergarage [naam winkelcentrum] (de Q-Park parkeergarage [locatie parkeergarage] / [naam winkelcentrum] , gevestigd in perceel [adres 8] ) parkeerde. Op 20 april 2020 werd een observatie verricht op [medeverdachte 2] . De observanten werd continu de locatie doorgegeven van de telecommunicatiemasten waar het toestel van [bijnaam 1 medeverdachte 2] contact mee maakte. Tot 10:10 uur straalde het -toestel verschillende masten in dezelfde omgeving aan. Om 10:11 uur zag het observatieteam dat de BMW X5 ( [kentekennummer 1] ) vertrok uit de parkeergarage [naam winkelcentrum] , gelegen onder het appartementencomplex waarin het perceel [adres 7] is gevestigd. Er zaten twee personen in de BMW X5. Op de printertap zag men dat het [bijnaam 1 medeverdachte 2] -toestel vervolgens verschillende zendmasten langs de A12 vanuit Den Haag richting Utrecht aanstraalde. Het observatieteam zag dat omstreeks 10:51 uur de BMW X5 ( [kentekennummer 1] ) op de [adres 9] ter hoogte van de [adres 10] te Utrecht (Vleuten) geparkeerd werd. Het [bijnaam 1 medeverdachte 2]-toestel straalde om 10:50 uur een mast aan in de directe omgeving van de [adres 9] . Om 10:54 uur zag het observatieteam dat vanaf de bestuurderszijde van de BMW X5 ( [kentekennummer 1] ) [naam vriendin] uitstapte en aan de passagierskant [medeverdachte 2] uitstapte. Op 23 april 2020 werd aan de hand van de telecom-locatiegegevens vastgesteld dat vanaf 10:23 uur het [bijnaam 1 medeverdachte 2]-toestel vanuit centrum Den Haag verschillende zendmasten in de richting van Utrecht aanstraalde en vervolgens om 10:59 uur meerdere telecom-masten in Vleuten gebruikte. Hierna was het toestel losgekoppeld van het netwerk en gaf het geen locatiegegevens. Om 13:42 werd geobserveerd dat de zwarte BMW X5 ( [kentekennummer 1] ) zonder inzittenden stond geparkeerd op de [adres 11] te Vleuten. Gezien werd dat om 15:34 uur [medeverdachte 2] aan kwam lopen en om 15:35 instapte als bestuurder van de BMW X5 op de [adres 11] en vertrok. Vanaf 16:17 uur bewoog het [bijnaam 1 medeverdachte 2]-toestel via het aanstralen van zendmasten vanuit Vleuten, via de Meern, (weer terug) in de richting van Den Haag. Op 24 april 2020 is aan de hand van de locatiegegevens van telecommasten waargenomen dat het [bijnaam 1 medeverdachte 2]-toestel ’s ochtends vanuit het Centrum Den Haag in de richting van Utrecht verplaatste en om 11:17 uur als laatste een telecommast op de locatie [adres 12] te Vleuten gebruikte. De betreffende telecommast geeft dekking over het gebied waar het observatieteam om 12:12 uur de BMW geparkeerd zag staan aan de [adres 9] . [medeverdachte 2] is niet waargenomen. Na 11:17 uur is het [bijnaam 1 medeverdachte 2]-toestel ontkoppeld van het netwerk en werden geen locatiegegevens doorgegeven, tot 17:24 uur. Om 17:24 uur gebruikt het [bijnaam 1 medeverdachte 2]-toestel een telecommast te Breukelen ( [adres 13] ) en daarna verplaatste het zich blijkens de aangestraalde masten richting Den Haag. De rechtbank overweegt dat uit de samenhang van bovenstaande onderzoeksbevindingen kan worden opgemaakt dat het [bijnaam 1 medeverdachte 2]-toestel (IMEI-nummer [IMEI-nummer 1] ) op de dagen en de tijdstippen dat van [medeverdachte 2] werd geobserveerd, een telecommast in de directe omgeving van die observaties gebruikte, waarbij de dekking van die mast samen viel met de locatie waar [medeverdachte 2] en/of de BMW en/of de Volkswagen Passat ( [kentekennummer 2] ) op dat moment werden waargenomen. De rechtbank ziet hierin een aanwijzing die wijst naar [medeverdachte 2] als mogelijke gebruiker van [bijnaam 1 medeverdachte 2] . Op 19 mei 2020 werd tussen 14:47 en 14:50 een EncroChat tussen [bijnaam 1 medeverdachte 2], [gebruikersnaam medeverdachte 4] en [gebruikersnaam medeverdachte 7] gevoerd: [bijnaam 1 medeverdachte 2] [bijnaam 3 medeverdachte 2] ik moet je spoed zien Voor klus [gebruikersnaam medeverdachte 7] Oke zeg maar waar kom ik gelijk [bijnaam 3 medeverdachte 2] Moet ik nou naar de gym komen [bijnaam 1 medeverdachte 2] Nee ik ben net klaar Ga nu rijden maar dh [gebruikersnaam medeverdachte 7] Oke zou ij nou daar komen [bijnaam 3 medeverdachte 2] (…) [bijnaam 1 medeverdachte 2] Zal ik je appen als ik dh ben Spreken we daar af Denk met 2 uurtjes Doen we wandelen in dat park [gebruikersnaam medeverdachte 7] Oke toptop Naar aanleiding van deze chat vond op 19 mei 2020 een observatie op het [locatie] in Den Haag plaats. Hierbij werd onder andere om 17:10 uur [medeverdachte 7] in een VW Caddy ( [kentekennummer 3] ) waargenomen in de omgeving van de [straat 1] te Den Haag. Om 17:40 uur werd gezien dat [medeverdachte 7] op een bankje ging zitten in [park] naast de [straat 1] en om 18:20 uur zat ook [medeverdachte 4] op het bankje. [medeverdachte 7] en [medeverdachte 4] waren in gesprek met elkaar. Na een tijdje liepen ze weg. Om 18:46 uur werd waargenomen dat ze [medeverdachte 2] ontmoetten. Om 19:43 uur werd gezien dat ze gedrieën richting [straat 1] liepen. [medeverdachte 7] liep vervolgens terug naar de VW Caddy en reed daarin weg. Mastlocatiegegevens IMEI [IMEI-nummer 1] : Tussen 18:34 uur en 20:03 uur gebruikte het toestel van [bijnaam 1 medeverdachte 2] (IMEI-nummer [IMEI-nummer 1] ) meerdere telecommasten rondom het [locatie] die dekking gaven over de locatie waar [medeverdachte 2] werd waargenomen door het observatieteam. Als de gebruiker van [gebruikersnaam medeverdachte 4] is [medeverdachte 4] geïdentificeerd en als de gebruiker van [gebruikersnaam medeverdachte 7] ' [medeverdachte 7] , zie hieronder. De rechtbank ziet in de samenhang van bovenstaande onderzoeksresultaten opnieuw een aanwijzing dat [medeverdachte 2] mogelijk [bijnaam 1 medeverdachte 2] is. Op 1 juni 2020 vond de volgende chat tussen [gebruikersnaam medeverdachte 5 en 6] en [bijnaam 1 medeverdachte 2] plaats: [gebruikersnaam medeverdachte 5 en 6] Even afspreken? [bijnaam 1 medeverdachte 2] Ja kan ben nu in ut. Ga zo reizen naar sh. Dh. Zeg maar”. [gebruikersnaam medeverdachte 5 en 6] 16:00 [bijnaam 1 medeverdachte 2] Oke top Parkwandeling? [gebruikersnaam medeverdachte 5 en 6] Ja is goed maat. Op 1 juni 2020 om 16:04 uur straalde het [bijnaam 1 medeverdachte 2]-toestel een mast aan in de omgeving van het [locatie] . Om 16:06 uur stopt de BMW X5 ( [kentekennummer 1] ) bij het Paviljoen [locatie] . [medeverdachte 2] stapt uit en vervolgt te voet zijn weg in de richting van het Paviljoen [locatie] . Bij Paviljoen [locatie] neemt [medeverdachte 2] plaats bij [medeverdachte 6] en [medeverdachte 5] op het terras. Vanaf 16:27 uur zijn [medeverdachte 2] , [medeverdachte 6] en [medeverdachte 5] te zien terwijl ze samen heen en weer lopen op een van de voetpaden aan het [locatie] . Rond 17:30 uur splitsen de drie mannen op. [medeverdachte 6] en [medeverdachte 5] vertrekken kort daarna in een VW Golf, [medeverdachte 2] loopt korte tijd later de parkeergarage Q-Park [naam winkelcentrum] binnen. Ook in deze combinatie van onderzoeksbevindingen ziet de rechtbank een aanwijzing dat [medeverdachte 2] mogelijk [bijnaam 1 medeverdachte 2] is. Op 2 juni 2020 chatte [bijnaam 1 medeverdachte 2] met [gebruikersnaam medeverdachte 5 en 6] : [bijnaam 1 medeverdachte 2] En hoop vandaag of morgen leuk nieuws te hebben dan zetten we deze week al stempel [gebruikersnaam medeverdachte 5 en 6] Toppp [bijnaam 1 medeverdachte 2] Zeg je live wat we gaan doen maar gaat heftig worden als lukt Wordt voorpagina. [afkorting naam 5] zeg die [bijnaam 1 medeverdachte 8] niks over onze plannen ik moet even wat uitzoeken er is wat gelekt wil weten waar vandaan komt (…) [bijnaam 1 medeverdachte 2] Maat zullen we ff rondje lopen vanmiddag? Dan pak ik die [bijnaam 4] gelijk mee [gebruikersnaam medeverdachte 5 en 6] Ja maag Op 3 juni 2020 chatte [bijnaam 1 medeverdachte 2] met [gebruikersnaam medeverdachte 5 en 6] : [bijnaam 1 medeverdachte 2] Zeg hoe laat in rotje haal ik die [bijnaam 4] op en doen we rondje geef ik jullie update Ik kan vanaf 1530 [gebruikersnaam medeverdachte 5 en 6] Ja 15:30 (…) Dus 15:30. Zelfde plek [bijnaam 1 medeverdachte 2] Oke is goed. Dat park in DH? Of rtm [gebruikersnaam medeverdachte 5 en 6] Doe rtm maat [bijnaam 1 medeverdachte 2] Is goed. (13:45:24) Ik zit al op a12 ik kan ook nu. Rij nu bij gouda. (…) (13:46:10) Ik ben er met 20 min wacht ik wel op je geen probleem [gebruikersnaam medeverdachte 5 en 6] Ja fles heb ik rond 14:15. En dan kom ik. [bijnaam 1 medeverdachte 2] Top. Ok wacht bij speeltuin (chatbericht van 13:47 uur) Een observatieteam ziet op 3 juni 2020 rond 14:43 uur [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6] bij een speeltuin aan de [straat 2] in Rotterdam Noord. Om 15:00 uur straalt het toestel van [bijnaam 1 medeverdachte 2] een mast op het Terbregseplein (een verkeersknooppunt op de A20) in het noordoosten van Rotterdam aan. De rechtbank overweegt dat de verbanden tussen vorenstaande onderzoeksbevindingen wijzen naar [medeverdachte 2] als gebruiker van het account [bijnaam 1 medeverdachte 2] . Op 12 juni 2020 maakt het [bijnaam 1 medeverdachte 2]-toestel (IMEI-nummer [IMEI-nummer 1] ) tussen 14:11 en 14:21 uur gebruik van telecommasten die dekking geven over de Rijksweg A12 en Nieuwerbrug. Om 14:16 uur stuurt [bijnaam 1 medeverdachte 2] twee foto’s naar [gebruikersnaam 2 medeverdachte 6]: een foto, gemaakt vanaf de bijrijdersstoel door de voorruit van een auto, van een file en een foto van een navigatiesysteem in een dashboard. Op deze tweede foto is op de kaart van het navigatiesysteem de rijksweg A12 tussen Waarder en Nieuwerbrug zichtbaar. Ook zichtbaar op de foto zijn, in het stof op het scherm van het navigatiesysteem, vingerafdrukken en een vingerveeg. De BMW X5 met kenteken [kentekennummer 1] werd op 12 juni 2020 om 14:18 uur door een ANPR-camera vastgelegd, de locatie van de BMW was ‘Rijksweg A 12, Li 38.6 TS3 Nieuwerbrug’. Na inbeslagname op 20 juni 2020 van de BMW X5 ( [kentekennummer 1] ) in de parkeergarage [naam winkelcentrum] , is op 25 juni 2020 een foto gemaakt van het scherm van het navigatiesysteem. Bij onderzoek bleek dat op de foto die op 25 juni 2020 was gemaakt, op het scherm van het navigatiesysteem van de BMW X5 een duidelijke vingerveeg en vingerafdrukken in het stof zichtbaar waren. De rechtbank overweegt dat uit de samenhang van bovenstaande onderzoeksgegevens kan worden opgemaakt dat de foto’s door [bijnaam 1 medeverdachte 2] zijn verzonden vanuit de BMW type X5 ( [kentekennummer 1] ), die gebruikt wordt door [medeverdachte 2] en [naam vriendin] . Ook dit wijst naar [medeverdachte 2] als zijnde [bijnaam 1 medeverdachte 2] . Overige bijnamen Met betrekking tot de identiteit van degene die door anderen met de bijnamen [bijnaam 5 medeverdachte 2] , [bijnaam 6 medeverdachte 2] , [bijnaam 7 medeverdachte 2] , [afkorting bijnaam 7 medeverdachte 2] of [afkorting bijnaam 5 en 6 medeverdachte 2] wordt aangeduid zijn onder meer de volgende onderzoeksbevindingen van belang. - Op 14 augustus 2019 spreekt [vriendin persoon 3] , de vriendin van [persoon 3] , over de telefoon met haar zus [zus van vriendin persoon 3] . Ze gebruiken af en toe Surinaamse woorden. [medeverdachte 3] is een oom van [vriendin persoon 3] . Ze spreekt over ‘ [bijnaam 3 medeverdachte 2] ’ en over ‘ [medeverdachte 3] ’ en zegt dat hij (ze heeft het dan over [afkorting naam persoon 3] , haar vriend [persoon 3] ) gewoon nog een maand salaris krijgt van die [bijnaam 8 medeverdachte 2] (vertaald: grote baas). [persoon 3] krijgt volgens [vriendin persoon 3] een vast maandsalaris. En daarnaast, wanneer hij een klusje doet krijgt hij extra. Omdat hij bij die [bijnaam 5 medeverdachte 2] hoort, moet hij nog wel gewoon nog steeds deel uitmaken van alles wat bij hem hoort. [vriendin persoon 3] zegt: “Dus hij heeft zoiets van, als ik mijzelf niet nuttig maak voor ‘ [bijnaam 3 medeverdachte 2] ’, gaat ’ [bijnaam 3 medeverdachte 2] ’ ook mijn salaris stoppen.” - Op 17 augustus 2019 praat [persoon 3] met [moeder medeverdachte 3] , zijnde de moeder van [medeverdachte 3] ( [medeverdachte 3] , die in dit vonnis verder wordt aangeduid als verdachte [medeverdachte 3] ) en de oma van [vriendin persoon 3] . [moeder medeverdachte 3] heeft het over [bijnaam 5 medeverdachte 2] (vertaald: grote baas) en dat [persoon 3] niet steeds tussen [medeverdachte 3] en [bijnaam 6 medeverdachte 2] moet komen. [persoon 3] zegt daarop: “Maar die baas en ik zijn toch samen? Wij betalen dat toch samen, dus“ - Op 31 augustus 2019 belt [vriendin persoon 3] het met haar zus [zus van vriendin persoon 3] . [vriendin persoon 3] zegt dat [roepnaam vriendin] [bijnaam 5 medeverdachte 2] van iets op de hoogte had gesteld. [zus van vriendin persoon 3] reageert: “Dus zo is het, ja, zo weet hij het. Zij gaat het toch wel tegen haar man zegen.” - Op 3 september 2019 is op camerabeelden waargenomen dat [persoon 3] om 18:38 uur in het centrum van Den Haag loopt, richting het station. Ook is waargenomen dat [medeverdachte 2] die avond in Den Haag is: [medeverdachte 2] (en [persoon 4] ) liepen om 19:01 uur die avond door het centrum van Den Haag. - Enkele minuten na de waarneming van [persoon 3] , om 18:45 uur, geeft [persoon 3] via de telefoon aan [vriendin persoon 3] door dat hij op Den Haag CS staat en de metro zoekt. Vervolgens zegt hij onder meer: “Hij is gewoon bang dat ik eigenlijk mijn werk niet meer wil doen of kan doen. (…) Kijk, ik ben gewoon eigenlijk de belangrijkste persoon voor hen. (…) lk zeg mijn meissie gaat niet klagen als ik een avond niet thuis kom. Als ik moet omdat ik uh uhm, iemand in de gaten (..ntv..) daar zit geen vaste tijden aan vast. lk zeg uh (..ntv..) snappen, Niet dat hij niet meer die einde gevaarlijke dit dat zus zo. Ik zeg hem, ik wíl dat ook gewoon niet meer. (…) Hij zegt ja, eigenlijk komt het er gewoon op neer dat iedereen mii nodig heeft. Maar ik zeg tegen hem, ja maar ja, ik kan mij, ik kan dat gewoon niet man. Mijn hoofd is ook gewoon te gestrest.” - Op een in beslag genomen telefoon stond een chat van 10 september 2019 tussen [persoon 3] en [vriendin persoon 3] . [persoon 3] chat om 13:54 Ik was bij [bijnaam 3 medeverdachte 2] . Ga nu naar de telefoonwinkel. - Uit verder onderzoek van de inhoud van de telefoon blijkt dat deze telefoon eerder op die dag, op 10 september 2019 tussen 12:29 uur en 13:38 uur, gebruik heeft gemaakt van de wifi-verbinding Coolblue [filiaal] . Vastgesteld werd dat dit bewuste Coolblue-filiaal is gevestigd in het winkelcentrum [naam winkelcentrum] te Den Haag, gelegen onder het appartement [adres 7] . - Op 5 december 2019 wordt vertrouwelijke communicatie opgenomen tussen [persoon 3] en [persoon 5] , die samen in een auto zitten. [persoon 3] voert telefoongesprek en zegt daarin onder meer: P: "lk snap wel wat we daar willen doen, dat dat stinkt natuurlijk." Daarna, tegen [persoon 5] : P: [bijnaam 3 medeverdachte 2] maakt hem helemaal af. R: lacht. P: Die man is al maanden bezig met iets te huren, hebben ze een loods gehuurd, zitten de gaten en buizen van de wietplantage van de vorige er nog in. P: Is logisch dat die man boos wordt toch? R: Ja sowieso. P: Kost geld, tijd, dit dat. (…) [bijnaam 3 medeverdachte 2] zit er zelf ook mee dat hij ons geen geld kan geven. (…) En als hij dan dingen probeert en het andere lukt niet. (…) Ja dan voelt hij misschien een beetje druk van ons. Je weet toch. Uit gegevens van het politiesysteem BVI-IB is naar voren gekomen dat op 4 september 2018 in het bedrijfspand, met een loods, aan de [adres 14] te Capelle aan den IJssel een in werking zijnde hennepkwekerij met 460 planten was aangetroffen. Vanaf een bankrekening op naam van [medeverdachte 10] werd eind november 2019 de waarborgsom voor het bedrijfspand aan de [adres 14] te Capelle aan den IJssel voldaan. De huurovereenkomst van deze loods werd op 22 november 2019 namens [naam B.V. 1] ondertekend door [medeverdachte 10] . De rechtbank overweegt dat op grond van bovenstaande onderzoeksbevindingen, in onderlinge samenhang bezien, kan worden geconcludeerd dat [persoon 3] betaald wordt voor werkzaamheden die hij verricht voor [bijnaam 8 medeverdachte 2], die ook wel [bijnaam 5 medeverdachte 2] of [bijnaam 7 medeverdachte 2] wordt genoemd en dat de vrouw van [bijnaam 5 medeverdachte 2] ‘ [roepnaam vriendin] ’ heet. Voorts kan uit de onderzoeksbevindingen worden opgemaakt dat schijnbaar [medeverdachte 2] bedoeld wordt waar wordt gesproken over [bijnaam 3 medeverdachte 2] en [bijnaam 4 medeverdachte 2] etc. De rechtbank overweegt voorts dat de loods waar in het aangehaalde gesprek op wordt gedoeld, kennelijk de loods aan de [adres 14] te Capelle aan den IJssel betreft en dat deze verkeerd gekozen was omdat er eerder een hennepkwekerij door de politie was ontdekt. Standpunt Openbaar Ministerie Het Openbaar Ministerie is van oordeel dat bovengenoemde reeksen van onderzoeksbevindingen, in onderling verband en samenhang beschouwd, voldoende bewijs leveren dat [medeverdachte 2] gebruik maakte van het EncoChat-account [bijnaam 1 medeverdachte 2] . De beoordeling De rechtbank overweegt het volgende. Bezien tegen de achtergrond van het dossier, leiden de samenhang en de verbanden tussen de hierboven weergegeven onderzoeksbevindingen steeds alleen naar [medeverdachte 2] als de gebruiker van [bijnaam 1 medeverdachte 2] gedurende het onderzoek 26Douglasville. De ontkennende verklaring die verdachte hier tegenover stelt, inhoudende dat de politie niet goed genoeg heeft gezocht en de verkeerde conclusies heeft getrokken en dat de bedoelde persoon iemand was die dicht bij hem was, acht de rechtbank niet aannemelijk. Ook de verklaring dat hij slechts een korte periode de beschikking over het [bijnaam 1 medeverdachte 2]-toestel had en dat dat was vóórdat het onderzoek 26Douglasville was gestart acht de rechtbank niet aannemelijk. Ook aangaande de bijnamen [bijnaam 7 medeverdachte 2] of [bijnaam 6 medeverdachte 2] (in allerlei varianten) is, gelet op de samenhang en het onderlinge verband van de verschillende onderzoeksbevindingen, aannemelijk dat [medeverdachte 2] degene is die daarmee wordt aangeduid. Hetgeen hier door [medeverdachte 2] tegenover wordt gesteld doet daar niet aan af. De rechtbank stelt op basis van het vorengaande het volgende vast: [medeverdachte 2] was de gebruiker van het EncroChat-account [bijnaam 1 medeverdachte 2] . Waar in chats gesproken werd over [bijnaam 2 medeverdachte 2] of [emoticon] ‘’ werd gebruikt, werd hiermee gedoeld op [bijnaam 1 medeverdachte 2] , derhalve op [medeverdachte 2] . Er zijn uit het onderzoek geen aanwijzingen naar voren gekomen dat een ander dan [medeverdachte 2] gebruik heeft gemaakt van het EncroChat-account [bijnaam 1 medeverdachte 2] . De rechtbank stelt ook vast dat voor [medeverdachte 2] tevens de volgende bijnamen werden gebruikt: [bijnaam 5 medeverdachte 2] , [bijnaam 6 medeverdachte 2] , [bijnaam 7 medeverdachte 2] , [bijnaam 7 medeverdachte 2] , [bijnaam 3 medeverdachte 2] , [afkorting bijnaam 7 medeverdachte 2] en [afkorting bijnaam 5 en 6 medeverdachte 2] . [persoon 1] Persoon [persoon 1] , feiten en omstandigheden Uit het onderzoek komen onder meer de volgende feiten en omstandigheden met betrekking tot [persoon 1] naar voren. is geboren in [geboorteplaats persoon 1] op [geboortedag persoon 1] 1995. Behalve de Nederlandse nationaliteit had [persoon 1] ook de [nationaliteit persoon 1] nationaliteit. In onderzoek 26Tumwater was gebleken dat [medeverdachte 5] en [persoon 1] zeer nauwe contacten van elkaar waren en het zeer sterke vermoeden was ontstaan dat [persoon 1] werkzaamheden voor [medeverdachte 5] verrichtte. Op [datum] omstreeks 21:50 uur is [persoon 1] in Rotterdam doodgeschoten. [gebruikersnaam 1 persoon 1] , [gebruikersnaam 2 persoon 1] , [gebruikersnaam 3 persoon 1] en [gebruikersnaam 4 persoon 1] Uit onderzoek van de EcroChat-data is gebleken dat: [gebruikersnaam 1 persoon 1] , werd gebruikt van 27-03-2020 tot 15-04-2020 [gebruikersnaam 2 persoon 1] werd gebruikt van 09-04-2020 tot 17-04-2020 en [gebruikersnaam 3 persoon 1] werd gebruikt van 18-04-2020 tot 10-05-2020. Op één bericht na is geen communicatie waargenomen tussen [gebruikersnaam 1 persoon 1] , [gebruikersnaam 2 persoon 1] en [gebruikersnaam 3 persoon 1]. [gebruikersnaam 4 persoon 1] werd gebruikt van 4 tot en met 6 april 2020. [gebruikersnaam 1 persoon 1] is naar eigen zeggen ook [gebruikersnaam 2 persoon 1]. [gebruikersnaam 2 persoon 1] beschrijft zichzelf in een chat tegenover [gebruikersnaam 2] als “ [bijnaam 7 persoon 1] , samen een keer gps geplakt nesselande. Ginf alarm af” waarop de ander reageert: “Ooow [bijnaam 2 persoon 1] ”. [gebruikersnaam 2 persoon 1] reageert met: “Yeaa bro”. Tegen andere gebruikers, die vragen wie [gebruikersnaam 2 persoon 1] is, antwoordt hij respectievelijk: “ [bijnaam 1] ” “ [bijnaam 1 persoon 1] ”, “ [bijnaam 4 persoon 1] ” en “ [bijnaam 2] ”. Daarmee weten de anderen kennelijk genoeg. [gebruikersnaam 3 persoon 1] stuurt, op 18 april 2020, de volgende chats: “Nieuwe mail [bijnaam 4 persoon 1] ” en – naar een andere gebruiker – “Jo jneef. Dit me nieuwe mailnhe”. Als [gebruikersnaam 2] vraagt wie [gebruikersnaam 3 persoon 1] is antwoordt : “ [bijnaam 2 persoon 1] ”. [gebruikersnaam 3 persoon 1] identificeert zich op 18 april 2020 tenslotte naar een andere gebruiker in een chat als “ [gebruikersnaam 3] ”. Op 19 april 2020 stelt [gebruikersnaam 3 persoon 1] zich aan [gebruikersnaam 4] voor als “ [bijnaam 14 persoon 1] ”. In de telefoon van [gebruikersnaam 4] staat [gebruikersnaam 3 persoon 1] opgeslagen als “ [bijnaam 9 persoon 1] ”. Uit opgenomen vertrouwelijke communicatie tussen [persoon 1] en een vrouw blijkt dat [persoon 1] zegt dat hij “gewoon [bijnaam 9 persoon 1] ” wordt genoemd. De vrouw zegt dan dat de ene hem [bijnaam 9 persoon 1] noemt en eentje [bijnaam 15 persoon 1] . Daarop zegt [persoon 1] dat hij ook [bijnaam 1 persoon 1] , [bijnaam 16 persoon 1] en [bijnaam 17 persoon 1] genoemd wordt. Ook komt uit onderzoek naar voren dat ‘ [bijnaam 13 persoon 1] ’ als aanduiding voor [persoon 1] is gebruikt. De politie heeft uit analyse van opgenomen vertrouwelijke communicatie en EncroChat-communicatie van [gebruikersnaam 1 persoon 1] , [gebruikersnaam 2 persoon 1], [gebruikersnaam 3 persoon 1] en [gebruikersnaam 4 persoon 1] identificerende kenmerken en aanwijzingen gehaald die, in combinatie met feiten en omstandigheden betreffende [persoon 1] , wijzen naar [persoon 1] als de gebruiker van deze EncroChat-accounts. De bijnamen die bij andere contacten naar voren zijn gekomen als gekoppeld aan de gebruiker van genoemde accounts zijn: - voor [gebruikersnaam 1 persoon 1] onder meer: [bijnaam 1 persoon 1] , [bijnaam 2 persoon 1] , [bijnaam 3 persoon 1] en [bijnaam 4 persoon 1] , - voor [gebruikersnaam 2 persoon 1] onder meer: [bijnaam 2 persoon 1] , [bijnaam 5 persoon 1] , [bijnaam 4 persoon 1] , [bijnaam 6 persoon 1] , [bijnaam 1 persoon 1] , [bijnaam 7 persoon 1] , - voor [gebruikersnaam 3 persoon 1] onder meer: [bijnaam 8 persoon 1] , [bijnaam 9 persoon 1] , [bijnaam 10 persoon 1] , [bijnaam 4 persoon 1] , [bijnaam 11 persoon 1] , [bijnaam 12 persoon 1] . De beoordeling De rechtbank overweegt het volgende. De rechtbank stelt op grond van deze onderzoeksbevindingen, in onderlinge samenhang en tegen de achtergrond van het dossier bezien, vast dat [persoon 1] de gebruiker was van de accounts [gebruikersnaam 1 persoon 1] , [gebruikersnaam 2 persoon 1] , [gebruikersnaam 3 persoon 1] en [gebruikersnaam 4 persoon 1] en de drager van al de genoemde bijnamen. [medeverdachte 5] was tevens verdachte in (onder meer) de onderzoeken 26Lemont, 26Sartell, 26Branson en 26Tumwater. Uit TGO Berg, het onderzoek naar de moord op [persoon 1] , kwam ook informatie over [medeverdachte 5] naar voren. Diverse onderzoeksbevindingen uit deze onderzoeken zijn gedeeld met het onderzoeksteam 26Douglasville en maken deel uit van dit dossier. Persoon verdachte [medeverdachte 5] , feiten en omstandigheden Uit het onderzoek komen onder meer de volgende feiten en omstandigheden met betrekking tot [medeverdachte 5] naar voren. [medeverdachte 5] had een [uiterlijk kenmerk] hoofd. Hij had verschillende bijnamen, waaronder ‘ [bijnaam 1 medeverdachte 5] ’ en ‘ [bijnaam 2 medeverdachte 5] ’. [medeverdachte 5] had nauw contact met [persoon 1] . [persoon 1] , ‘ [bijnaam 13 persoon 1] ’, was geboren in 1995. Uit onderzoek van een telefoon die bij [persoon 1] vanaf 20 januari 2020 in gebruik was bleek dat er, via WhatsApp, intensief contact was geweest tussen [medeverdachte 5] en [persoon 1] . [persoon 1] verrichte diverse werkzaamheden voor [medeverdachte 5] , van het huren en laten afleveren van auto’s en het regelen van een chauffeur voor [medeverdachte 5] tot het verzorgen van een cadeau op Valentijnsdag voor een vrouw met wie [medeverdachte 5] een kind had. [medeverdachte 6] kwam ook als contact van [medeverdachte 5] naar voren. Ook [medeverdachte 2] ([bijnaam 1 medeverdachte 2] ) was bekend als contact van [medeverdachte 5] . In 2016 had [medeverdachte 5] , in de Engelse taal, contact met een persoon die hij ‘ [persoon 6] ’ noemde. Die [persoon 6] noemde [medeverdachte 5] destijds ‘ [bijnaam 3 medeverdachte 5] ’. [medeverdachte 5] verbleef regelmatig in Spanje, in een huurwoning in Sant Andreu de Llavarenes (nabij Mataró, Barcelona). [vriendin medeverdachte 5] was daar de vriendin van [medeverdachte 5] . Verklaring verdachte [medeverdachte 5] Verdachte [medeverdachte 5] heeft de onderzoeksbevindingen en conclusies van de politie ontkend noch bevestigd en op alle vragen gezwegen. Ook ter terechtzitting heeft hij op alle vragen gezwegen en geen reactie gegeven op de voorgehouden stukken. [gebruikersnaam 1 medeverdachte 5] Aan de gebruikersnaam was de gebruikersnaam ‘ [bijnaam 2 medeverdachte 5] ’ gekoppeld. , gebruikte een EncroChat-toestel met IMEI-nummer [IMEI-nummer 2] . Op 28 januari 2020 verplaatste het toestel met IMEI [IMEI-nummer 2] zich vanuit Nederland, via Frankrijk, naar Spanje. Vanaf 30 januari 2020 werd uitsluitend nog gebruik gemaakt van zendmasten in Spanje. Het toestel werd enkel gebruikt voor datacommunicatie, niet voor gesprekken.[gebruikersnaam 1 medeverdachte 5] had onder meer chatcontact met [persoon 1] , via verschillende door [persoon 1] gebruikte accounts: - met [gebruikersnaam 1 persoon 1], tot en met 9 april 2020; - met [gebruikersnaam 2 persoon 1] van 9 tot en met 17 april 2020; - met [gebruikersnaam 3 persoon 1] vanaf 23 april 2020. Op 5 april 2020 chatte [gebruikersnaam 1 medeverdachte 5] met [gebruikersnaam 5] onder meer: [gebruikersnaam 1 medeverdachte 5] Kzit perfect maat en zit niet vast ik zit hier best…ff beetje uit zicht blijven (…) Die [bijnaam 7] loopt te tippen zit nieuw onderzoek op ons en zijn wat hitters met ons bezig (…) Staat 200k op hoofd [bijnaam 2 persoon 1] [bijnaam 1 persoon 1] reden omdat hij voor mij werkt zo ziek is [bijnaam 7] dus je weet (…) De telecommunicatie via IMEI-nummer [IMEI-nummer 2] werd vanaf 24 april 2020 opgenomen. Na [datum] werd er geen communicatie meer geregistreerd. Het toestel straalde voor laatst op [datum] een zendmast aan (bij Barcelona). [gebruikersnaam 1 medeverdachte 5] had tot en met [datum] chatcontact, steeds in het Engels, met [gebruikersnaam 6] . Op [datum] om 21:50 uur werd [persoon 1] , bijnamen onder meer [bijnaam 2 persoon 1] en [bijnaam 1 persoon 1], vermoord in Rotterdam. [gebruikersnaam 6] chat op [datum] tussen 17:50 en 18:01 uur CST in het Engels met [gebruikersnaam 1] . De uit het Engels vertaalde chat: [gebruikersnaam 6] [bijnaam 3 medeverdachte 2] ik hoorde dat er iemand van [de] kant van [bijnaam 3 medeverdachte 5] is omgelegd. [gebruikersnaam 1] Yeah bro [gebruikersnaam 6] Ik heb [bijnaam 3 medeverdachte 5] een bericht gestuurd maar bericht kwam niet aan [gebruikersnaam 1] Hij is onderweg [naar] Nederland [gebruikersnaam 6] Is dit waar? Verdorie. Er is een vent hier die PC’s test. Dat is zijn goede vriend. Hij voelt zich nu klote. Shit (…) [gebruikersnaam 6] Het is een oorlog geweest. Deze vent was [bijnaam 3 medeverdachte 5] heel dierbaar/had een hele goede band met [bijnaam 3 medeverdachte 5] vertelde hij me. (…) [gebruikersnaam 6] Is het de chauffeur van [bijnaam 3 medeverdachte 5] ? Degene met wie ik soms praat. [gebruikersnaam 1] Ja [bijnaam 3 medeverdachte 2] . Jonge gozer. Net getrouwd. De rechtbank merkt over deze chat het volgende op. Uit het dossier blijkt dat ten tijde van deze chat [gebruikersnaam 1] en [gebruikersnaam 6] zich in een andere tijdzone bevonden. [gebruikersnaam 6] verbleef op het moment van de chat in Costa Rica (8 uur tijdverschil met Nederland) [gebruikersnaam 1] verbleef op datzelfde moment in Colombia (7 uur tijdverschil met Nederland). Gezien de bij de chat vermelde tijdstippen begrijpt de rechtbank dat dit de lokale tijd betreft op de locatie waar (het toestel van) degene die de chat begint zich op dat moment bevond, waarmee verklaard kan worden dat ze om 17:50 uur lokale tijd spreken over een gebeurtenis die om 21:50 uur Nederlandse tijd plaatsvond. [gebruikersnaam 7] chat op 11 mei 2020 omstreeks 00:05 met [gebruikersnaam 8] : [gebruikersnaam 7] Deze jongen was rechterhand van [bijnaam 1 medeverdachte 5] . Was multimiljonair. (…) Hij was gwn werker van [bijnaam 1 medeverdachte 5] . [gebruikersnaam 8] wanneer is dit gebeurd [gebruikersnaam 7] Net 2 uur geleden. [gebruikersnaam 2 medeverdachte 5] Ook aan de gebruikersnaam was de gebruikersnaam ‘ [bijnaam 2 medeverdachte 5] ’ gekoppeld. Alle contacten van [gebruikersnaam 2 medeverdachte 5] bleken tevens eerdere contacten van [gebruikersnaam 1 medeverdachte 5]. Op 12 mei 2020 ontvangt [gebruikersnaam 6] voor het eerst berichten van [gebruikersnaam 2 medeverdachte 5] : [gebruikersnaam 6] Yoooo? [gebruikersnaam 2 medeverdachte 5] [bijnaam 3 medeverdachte 5] [gebruikersnaam 2 medeverdachte 5] new one [gebruikersnaam 6] Okok. Heard what happened thru the test guy here. You need me down there with you? (..) [gebruikersnaam 6] noemt de gebruiker van [gebruikersnaam 2 medeverdachte 5] verder in de chat ‘ [bijnaam 3 medeverdachte 5] ’. [gebruikersnaam 1 medeverdachte 6] , [gebruikersnaam medeverdachte 5 en 6] en [gebruikersnaam 2 medeverdachte 6]. De rechtbank is voorts van oordeel dat uit de onderzoeksbevindingen is komen vast te staan dat [medeverdachte 6] de gebruiker was van EncroChat-accounts [gebruikersnaam 1 medeverdachte 6] , [gebruikersnaam medeverdachte 5 en 6] en [gebruikersnaam 2 medeverdachte 6] . Er zijn echter diverse aanwijzingen dat op een aantal concrete momenten na 11 mei 2020 ook [medeverdachte 5] communiceert als gebruiker van die accounts danwel dat [medeverdachte 6] namens [medeverdachte 5] communiceert. Kortheidshalve verwijst de rechtbank voor de overwegingen die tot dat oordeel hebben geleid naar de hieronder opgenomen pagina’s, vanaf pagina 41, volgende identificatie van [medeverdachte 6] als de gebruiker van deze accounts. Telefoons in gebruik bij [medeverdachte 5] . [IMEI-nummer 3] In onderzoek 26Branson is aannemelijk geworden dat [medeverdachte 5] gebruik maakte van een telefoon met daarin telefoonnummer [IMEI-nummer 3] (hierna: nummer [IMEI-nummer 3] ). [medeverdachte 5] stuurde onder meer een foto van zijn paspoort, rijbewijs en een huurcontract waarop [medeverdachte 5] stond vermeld, via [IMEI-nummer 3] naar de telefoon van [persoon 1] . In onderzoek 26Tumwater is nummer [IMEI-nummer 3] getapt vanaf 1 oktober 2019. Na 11 mei 2020 werd er geen communicatie via dit nummer geregistreerd. Nummer [IMEI-nummer 3] gebruikte op 28 januari 2020 achtereenvolgens zendmasten in België, Frankrijk en Spanje. Uit vergelijking van zendmastgegevens van nummer [IMEI-nummer 3] met de zendmastgegevens van [gebruikersnaam 1 medeverdachte 5] (IMEI [IMEI-nummer 2] ), in de periode van 24 april 2020 tot en met [datum] , is gebleken dat deze twee nummers vrijwel dagelijks gebruik maakten van dezelfde zendmasten op min of meer dezelfde tijdstippen. De zendmasten bevonden zich allemaal ten oosten van Mataró (Barcelona, Spanje). Nummer [IMEI-nummer 3] werd in de onderzochte periode (1 oktober 2019 t/m 11 mei 2020) uitsluitend gebruikt in een toestel met IMEI-nummer [IMEI-nummer 4] . Op basis van de zendmastgegevens lijkt het dat het toestel met daarin nummer [IMEI-nummer 3] buiten Nederland werd aangezet en in Nederland werd uitgezet. Het toestel werd alleen gebruikt voor datacommunicatie/internetgebruik. Er is vanaf [datum] te 23:37 uur een (gelet op de afgelegde afstand tussen de eerste en laatste aangestraalde zendmast: kennelijk erg snelle) verplaatsing van [IMEI-nummer 3] langs zendmasten te zien, vanaf Sint Andreu de Llavaneres (nabij Barcelona), door Spanje en Frankrijk noordwaarts. Op 11 mei 2020 06:48 uur werd een zendmast tussen Nancy en Metz aangestraald en tenslotte om 07:22 voor het laatst een zendmast (op een onbekende locatie) in Frankrijk. B.01.03, iPhone 7 plus Tijdens onderzoek Berg, naar de moord op [persoon 1] , werden meerdere mobiele telefoons in beslag genomen. Uit het onderzoek in telefoon ‘B.01.03, i-Phone 7 plus’ bleek dat onder meer foto’s aanwezig waren van [medeverdachte 5] , van een gebouw in aanbouw (vermoedelijk in het buitenland) en van een Spaanstalig (vermoedelijk) contract op naam van [vriendin medeverdachte 5] . Bij de contacten stond onder meer het vermoedelijke telefoonnummer van [persoon 1] . Op grond van de inhoud van de data van deze telefoon bestond het vermoeden dat [medeverdachte 5] de gebruiker was geweest van de telefoon. Uit de inhoud van de telefoon bleek dat [medeverdachte 5] zichzelf ‘ [bijnaam medeverdachte 5] ’ noemde. De rechtbank overweegt dat op grond van bovenstaande onderzoeksgegevens, in onderling verband en samenhang bezien, het volgende kan worden geconcludeerd. [medeverdachte 5] verbleef regelmatig in een huis in Sint Andreu de Llavaneres in Spanje. [medeverdachte 5] heeft een [uiterlijk kenmerk] hoofd en noemde zichzelf ook wel ‘ [bijnaam medeverdachte 5] ’, een afleiding van ‘ [spaans] ’ wat in het Spaans [bijnaam 2 medeverdachte 5] man betekent. [gebruikersnaam 1 medeverdachte 5] werd door anderen ook wel als ‘ [bijnaam 2 medeverdachte 5] ’ aangeduid. [gebruikersnaam 6] noemde [gebruikersnaam 1 medeverdachte 5] ‘ [bijnaam 3 medeverdachte 5] ’ een aanduiding die in 2016 door een contact van [medeverdachte 5] voor [medeverdachte 5] werd gebruikt. [gebruikersnaam 1 medeverdachte 5] bevond zich vanaf 30 januari tot [datum] in Spanje en [gebruikersnaam 1 medeverdachte 5] vond dat hij daar wel best zat, een beetje uit zicht want er waren hitters met hen bezig: op het hoofd van [persoon 1] was € 200.000 gezet omdat die voor [gebruikersnaam 1 medeverdachte 5] werkte. [persoon 1] was een nauw contact van [medeverdachte 5] en verrichtte werkzaamheden voor [medeverdachte 5] . [gebruikersnaam 1 medeverdachte 5] en een bij [medeverdachte 5] in gebruik zijnde telefoon maakten van 24 april tot en met 20 mei 2020 vrijwel dagelijks gebruik van dezelfde zendmasten op min of meer dezelfde tijdstippen en die zendmasten bevonden zich allemaal ten oosten van Mataró (Barcelona, Spanje), dichtbij de plaats Sint Andreu de Llavaneres, waar [medeverdachte 5] een huis huurde. De rechtbank concludeert dat bovenstaande onderzoeksbevindingen, in onderlinge samenhang bezien, wijzen in de richting van [medeverdachte 5] als mogelijke gebruiker van [gebruikersnaam 1 medeverdachte 5] . Op [datum] rond 21:50 uur werd [persoon 1] in Rotterdam vermoord. Diezelfde nacht, vanaf 23:37 uur, verplaatste de telefoon van [medeverdachte 5] zich vanaf Sint Andreu de Llavaneres met grote snelheid over de weg richting Nederland. Op 11 mei 2020 is het telefoontoestel voor het laatst in gebruik. [gebruikersnaam 1 medeverdachte 5] is na [datum] niet meer gebruikt. Ook aan de gebruikersnaam [gebruikersnaam 2 medeverdachte 5] was de gebruikersnaam ‘ [bijnaam 2 medeverdachte 5] ’ gekoppeld. Alle contacten van [gebruikersnaam 2 medeverdachte 5] bleken eerdere contacten van [gebruikersnaam 1 medeverdachte 5]. Op 12 mei 2020 ontving [gebruikersnaam 6] voor het eerst berichten van [gebruikersnaam 2 medeverdachte 5] en daarin identificeerde [gebruikersnaam 2 medeverdachte 5] zich als [bijnaam 3 medeverdachte 5] , een bijnaam die in 2016 als bijnaam voor [medeverdachte 5] naar voren was gekomen. Ook bovenstaande bevindingen wijzen naar het oordeel van de rechtbank naar [medeverdachte 5] als mogelijke gebruiker van [gebruikersnaam 1 medeverdachte 5] en tevens als gebruiker van [gebruikersnaam 2 medeverdachte 5] . Deze versterken de eerdere verwijzingen naar hem als zijnde [gebruikersnaam 1 medeverdachte 5] . Standpunt Openbaar Ministerie Het Openbaar Ministerie is van oordeel dat alle bovengenoemde onderzoeksbevindingen, in onderling verband en samenhang moeten worden beschouwd en dat deze de identificatie van [medeverdachte 5] als [gebruikersnaam 1 medeverdachte 5] en [gebruikersnaam 2 medeverdachte 5] rechtvaardigen. De enkele, niet onderbouwde ontkenning en het zwijgen van [medeverdachte 5] doen daar niets aan af. Standpunt verdediging Namens [medeverdachte 5] heeft zijn raadsman betoogd dat niet kan worden bewezen dat [medeverdachte 5] schuilging achter de gebruikersnaam [gebruikersnaam 1 medeverdachte 5] . De raadsman heeft naar voren gebracht dat een gebruikersnaam zoals ‘ [bijnaam 2 medeverdachte 5] ’ onvoldoende onderscheidend is. Dat [medeverdachte 5] als [uiterlijk kenmerk] zichzelf [bijnaam medeverdachte 5] zou noemen maakt dat volgens de raadsman niet anders. Ook de telecomgegevens bieden volgens de raadsman onvoldoende grondslag voor de stellingname dat [medeverdachte 5] achter [gebruikersnaam 1 medeverdachte 5] schuilging. Dat nummer [IMEI-nummer 3] en IMEI [IMEI-nummer 2] eind januari 2020 één op één met elkaar zouden hebben meebewogen van Nederland naar Spanje blijkt onvoldoende uit de stukken. Er is een te groot tijdverloop tussen het aanstralen van mastlocaties door beide toestellen en de locaties van de verschillende toestellen zijn niet bekend, zodat daar geen bewijsrechtelijk conclusies aan kunnen worden verbonden. De vergelijking van de zendmastgegevens over de periode van 24 april tot [datum] is zo kort dat daar slechts met voorzichtigheid bewijswaarde aan kan worden toegekend. Het gegeven dat er per nummer een andere zendmast werd aangekozen, kort achter elkaar, is zelfs een contra-indicatie voor de stelling dat beide toestellen bij dezelfde gebruiker in gebruik waren. Dat [medeverdachte 5] volgens het Openbaar Ministerie kort na de liquidatie van [persoon 1] naar Nederland zou zijn gereisd komt niet overeen met het feit dat het toestel van [gebruikersnaam 1 medeverdachte 5] volgens de telecomgegevens niet is meebewogen naar Nederland. Omdat de identificatie van [medeverdachte 5] als zijnde [gebruikersnaam 1 medeverdachte 5] geen stand kan houden gaat ook de identificatie van [gebruikersnaam 2 medeverdachte 5] niet op, nu die is opgehangen aan de identificatie van [gebruikersnaam 1 medeverdachte 5]. Dat er in relatie tot dit toestel over ‘ [bijnaam 3 medeverdachte 5] ’ wordt gesproken en dat ook de bijnaam ‘ [bijnaam 2 medeverdachte 5] ’ valt, maken dat niet anders. Er zijn meerdere Nederlanders, er zijn meer [uiterlijk kenmerk] mensen en er zijn dus ook meerdere [uiterlijk kenmerk] Nederlanders. De beoordeling De rechtbank overweegt het volgende. De rechtbank is op grond van de onderlinge verbanden en samenhang van de onderzoeksbevindingen, bezien tegen de achtergrond van het dossier en in samenhang met de identificatie van de andere gebruikers in dit dossier, van oordeel dat is komen vast te staan dat [medeverdachte 5] de gebruiker was van EncroChat-accounts [gebruikersnaam 1 medeverdachte 5] en [gebruikersnaam 2 medeverdachte 5]. Er zijn uit het onderzoek geen aanwijzingen naar voren gekomen dat een ander dan [medeverdachte 5] gebruik heeft gemaakt van de EncroChat-accounts [gebruikersnaam 1 medeverdachte 5] en [gebruikersnaam 2 medeverdachte 5] . Wel zijn er aanwijzingen dat door of namens [medeverdachte 5] gebruik is gemaakt, op een aantal concrete momenten na 11 mei 2020, van de accounts [gebruikersnaam 1 medeverdachte 6], [gebruikersnaam medeverdachte 5 en 6] en [gebruikersnaam 2 medeverdachte 6]. De rechtbank acht het echter voor de beantwoording van de bewijsvraag niet van doorslaggevend belang of de bedoelde berichten door [medeverdachte 5] of -namens hem- door [medeverdachte 6] zijn geschreven en verzonden via de aan [medeverdachte 6] gekoppelde accounts [gebruikersnaam 1 medeverdachte 6], [gebruikersnaam medeverdachte 5 en 6] en [gebruikersnaam 2 medeverdachte 6] . Voor de onderbouwing daarvan verwijst de rechtbank naar hetgeen zij hieronder bij de identificatie van [medeverdachte 6] heeft overwogen. Voorts stelt de rechtbank vast dat voor [medeverdachte 5] (onder meer) de bijnamen [bijnaam 1 medeverdachte 5], [bijnaam 2 medeverdachte 5] en [bijnaam 3 medeverdachte 5] werden gebruikt. Het betoog van de raadsman van [medeverdachte 5] dat, kort weergegeven, elk van de onderzoeksbevindingen op zich onvoldoende bewijs leveren om een identificatie te kunnen dragen en dat de identificatie daarom geen stand kan houden, treft geen doel. Immers niet elk van de afzonderlijke onderzoeksbevindingen maar de onderlinge samenhang van die onderzoeksbevindingen dragen de identificatie. [medeverdachte 6] In 26Lemont werd data gekregen van EncroChat-toestellen met de gebruikersnamen [gebruikersnaam 1 medeverdachte 6] , [gebruikersnaam medeverdachte 5 en 6] en [gebruikersnaam 2 medeverdachte 6]. [gebruikersnaam 1 medeverdachte 6] kwam in beeld als een contact van [bijnaam 1 medeverdachte 2]. De rechtbank heeft vastgesteld dat [medeverdachte 2] de gebruiker van [bijnaam 1 medeverdachte 2] was. Persoon verdachte [medeverdachte 6] , feiten en omstandigheden Uit het onderzoek komen onder meer de volgende feiten en omstandigheden met betrekking tot [medeverdachte 6] naar voren. [medeverdachte 6] heeft een (ex-)partner, [partner medeverdachte 6] , met wie hij samen kinderen heeft. [medeverdachte 6] en [partner medeverdachte 6] stonden in de Basisregistratie Personen ingeschreven op het adres [adres 15] te Rotterdam. De [adres 15] ligt in Rotterdam-Oost, parallel aan de [adres 16] . Vlakbij, aan de andere kant van de [adres 16] bevindt zich een (bedrijven)terrein met straten die vernoemd zijn naar metalen, zoals tin, koper en nikkel. Aan de [straat 3] bevindt zich onder meer een GAMMA bouwmarkt, aan de [straat 4] een brandweerkazerne. [partner medeverdachte 6] was werkzaam bij [naam B.V. 2] en had daarbij de beschikking over een Audi SQ5 ( [kentekennummer 4] ). [medeverdachte 6] is in het bezit van een geldig rijbewijs om een motorfiets te mogen besturen. [medeverdachte 6] was een nauw contact van [medeverdachte 5] . [persoon 1] was ook een nauw contact van [medeverdachte 5] en was tevens een contact van [medeverdachte 6] . Verklaring verdachte [medeverdachte 6] Verdachte [medeverdachte 6] heeft de onderzoeksbevindingen en conclusies van de politie ontkend noch bevestigd en op alle vragen gezwegen. Ook ter terechtzitting heeft hij op alle vragen gezwegen en geen reactie gegeven op de voorgehouden stukken. [gebruikersnaam 1 medeverdachte 6] , [gebruikersnaam 2 medeverdachte 6] en [gebruikersnaam medeverdachte 5 en 6] Van het toestel van gebruiker [gebruikersnaam 2 medeverdachte 6] was het IMEI-nummer [IMEI-nummer 5] . Op 28 mei 2020 vonden de volgende chatcontacten plaats: 17:36 uur, [gebruikersnaam 1 medeverdachte 6] chat naar [gebruikersnaam 6] : [gebruikersnaam 1 medeverdachte 6] Yo [persoon 6] Send new invitation Accept please and remove this 18:40 uur, [gebruikersnaam 1 medeverdachte 6] chat met [gebruikersnaam 9] : [gebruikersnaam 1 medeverdachte 6] Nieuwe encro gestuurd Deze mag weg [gebruikersnaam 9] Oke 18:43 uur, [gebruikersnaam 9] chat met [gebruikersnaam medeverdachte 5 en 6] : [gebruikersnaam 9] Heb hem [gebruikersnaam medeverdachte 5 en 6] Toppp 20:46 uur, [gebruikersnaam 9] chat naar [gebruikersnaam 1 medeverdachte 6] : [gebruikersnaam 9] Heb mensen rederij eraan en willen nog keer samen zitten ga proberen zaterdag heen en weer te gaan maar denk aan gesprek dat we er wel uit komen 20:51 uur, [gebruikersnaam 9] chat met [gebruikersnaam medeverdachte 5 en 6] [gebruikersnaam 9] Heb mensen rederij eraan en willen nog keer samen zitten ga proberen zaterdag heen en weer te gaan maar denk aan gesprek dat we er wel uit komen [gebruikersnaam 9] Sorry had ook je oude encro gestuurd [gebruikersnaam medeverdachte 5 en 6] Oke top Hierna hadden de vaste contacten van [gebruikersnaam 1 medeverdachte 6] geen contact meer met [gebruikersnaam 1 medeverdachte 6] en startten de vaste contacten van [gebruikersnaam 1 medeverdachte 6] met contacten met [gebruikersnaam medeverdachte 5 en 6] . Op 11 en 12 juni 2020 vond het volgende chatcontact plaats: [gebruikersnaam medeverdachte 5 en 6] chat met [gebruikersnaam 1], 11 juni 2020: [gebruikersnaam medeverdachte 5 en 6] Nieuwe encro gestuurd maat [gebruikersnaam medeverdachte 5 en 6] Maat?? 12 juni 2020 [gebruikersnaam medeverdachte 5 en 6] Deze kan je wissen maat [gebruikersnaam medeverdachte 5 en 6] Zit op [gebruikersnaam 2 medeverdachte 6] [gebruikersnaam 1] : Okmaat In de chats die [gebruikersnaam 1 medeverdachte 6] , [gebruikersnaam medeverdachte 5 en 6] en [gebruikersnaam 2 medeverdach

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.