← Nederland

ECLI:NL:RBAMS:2022:2648

RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13/040411-22 RK nummer: 22/1007 Datum uitspraak: 12 mei 2022 UITSPRAAK op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 24 februari 2022 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 28 oktober 2021 door de Prosecutor General's Office of the Republic of Lithuania (Litouwen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon] , geboren te [geboorteplaats] (Litouwen) op [geboortedag] 1986, zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, thans uit anderen hoofde gedetineerd in Penitentiaire Inrichting [penitentiaire inrichting] , hierna te noemen de opgeëiste persoon. 1Procesgang De vordering is behandeld op de openbare zitting van 28 april 2022. Het onderzoek heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. M. Westerman. De opgeëiste persoon heeft op 28 april 2022 afstand gedaan van zijn recht om ter zitting aanwezig te zijn en is vertegenwoordigd door zijn gemachtigd raadsman, mr. A.A. Scholtmeijer, advocaat te Heerenveen. Op grond van artikel 22, derde lid, OLW heeft de rechtbank de termijn waarbinnen zij op grond van het eerste lid van dit artikel uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen. 2Identiteit van de opgeëiste persoon De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht en vastgesteld dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat de opgeëiste persoon de Litouwse nationaliteit heeft. 3Grondslag en inhoud van het EAB In het EAB wordt melding gemaakt van een arrest warrant: Ruling issued on 21 December 2018 by Vilnius (Litouwen) City District Court to impose constraint measure of arrest upon [opgeëiste persoon] (pre-trial investigation case No. 02-2-00159-16). De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Litouws recht strafbare feiten. Deze feiten zijn omschreven in onderdeel

  1. e)van het EAB. 3.1 Genoegzaamheid Standpunt van de raadsman Zakelijk weergegeven is door de raadsman aangevoerd dat de omschrijving van het feitencomplex zo onduidelijk is, dat het moeilijk is om de dubbele strafbaarheid te toetsen. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie voert aan dat de stukken van het EAB genoegzaam zijn, nu de informatie voldoende is om het specialiteitsbeginsel te kunnen waarborgen. Oordeel van de rechtbank De rechtbank overweegt dat het EAB gegevens dient te bevatten op basis waarvan het voor de opgeëiste persoon duidelijk is waarvoor zijn overlevering wordt verzocht en het voor de rechtbank duidelijk is of het verzoek voldoet aan de in de Overleveringswet geformuleerde vereisten. Daartoe dient het EAB een beschrijving te bevatten van de omstandigheden waaronder de strafbare feiten zijn gepleegd, met vermelding van, in ieder geval, het tijdstip, de plaats en de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij de strafbare feiten. Bovendien dient die beschrijving de naleving van het specialiteitsbeginsel te kunnen waarborgen. Naar het oordeel van de rechtbank is met de omschrijving in het EAB voldoende duidelijk waarvoor de overlevering wordt verzocht. Uit het EAB blijkt namelijk dat de overlevering wordt verzocht voor 8 strafbare feiten die zien op het begaan van internetfraude op 7 mei 2012 en 4 juni 2012 in Vilnius (Litouwen). De rechtbank acht de in het EAB opgenomen feitsomschrijving genoegzaam. Het verweer van de raadsman wordt verworpen. 4Strafbaarheid Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit de strafbare feiten heeft aangeduid als feiten vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. De feiten vallen op deze lijst onder nummer 11, 20 en 23, te weten: - informaticacriminaliteit; - oplichting; - vervalsing van administratieve documenten en handel in valse documenten; vervalsing van betaalmiddelen. Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van Litouwen een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld. Feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft “Unlawfully initiated financial transactions by use of data of the means of identification of the user of electronic means of payment of another” afzonderlijk vermeld in onderdeel e van het EAB. De rechtbank gaat er daarmee vanuit dat de uitvaardigende justitiële autoriteit het bijbehorende feit kennelijk niet heeft willen scharen onder één van de hiervoor genoemde feiten vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW, maar als feit ten aanzien waarvan de dubbele strafbaarheid moet worden getoetst. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a 2°, OLW zijn neergelegd. De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan. Het feit levert naar Nederlands recht op: oplichting. 5Onschuldverweer De raadsman heeft aangevoerd dat de opgeëiste persoon de feiten zoals omschreven in het EAB niet heeft begaan. De rechtbank stelt vast dat met hetgeen namens de opgeëiste persoon is aangevoerd, zijn onschuld niet tijdens het onderzoek ter zitting is aangetoond. De onschuldbewering kan alleen al om die reden niet leiden tot weigering van de overlevering. 6Slotsom Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW, er ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan en er geen sprake is van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven, dient de overlevering te worden toegestaan. 7Toepasselijke wetsartikelen De artikelen 2, 5 en 7 OLW. 8Beslissing STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan de Prosecutor General's Office of the Republic of Lithuania (Litouwen) voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel
  2. e)van het EAB. Aldus gedaan door mr. M. van Mourik, voorzitter, mrs. M.M.L.A.T. Doll en J.H. Beestman, rechters, in tegenwoordigheid van V.J.G. van der Want, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 12 mei 2022. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.