RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13/044281-22 RK nummer: 22/999 Datum uitspraak: 28 april 2022 UITSPRAAK op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 24 februari 2022 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 4 maart 2021 door het Amtsgericht Wuppertal (Duitsland) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon] , geboren te [geboorteplaats] (Marokko) op [geboortedag] 1986, zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, gedetineerd in [penitentiaire inrichting] , hierna te noemen de opgeëiste persoon. 1Procesgang De vordering is behandeld op de openbare zitting van 28 april 2022. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. M. Westerman. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman, mr. M.A.W. Nillesen, advocaat te ’s-Hertogenbosch en door een tolk in de Arabische (Marokkaanse) taal. Op grond van artikel 22, derde lid, OLW heeft de rechtbank de termijn waarbinnen zij op grond van het eerste lid van dit artikel uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen. 2Identiteit van de opgeëiste persoon De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Marokkaanse nationaliteit heeft. 3Grondslag en inhoud van het EAB In het EAB wordt melding gemaakt van een door het Amtsgericht Wuppertal op 2 februari 2021 uitgevaardigd bevel tot voorlopige inhechtenisneming met dossiernummer 8 Gs 220/21. De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Duits recht strafbare feiten. Deze feiten zijn omschreven in onderdeel
- e)van het EAB. 4Strafbaarheid Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit de strafbare feiten heeft aangeduid als feiten vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. De feiten vallen op deze lijst onder nummer 5, te weten: Illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen. Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van Duitsland een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld. 5Onschuldverweer De raadsman heeft aangevoerd dat de opgeëiste persoon de feiten zoals omschreven in het EAB niet heeft begaan. De rechtbank stelt vast dat met hetgeen namens de opgeëiste persoon is aangevoerd, zijn onschuld niet tijdens het verhoor ter zitting is aangetoond. De onschuldbewering kan alleen al om die reden niet leiden tot weigering van de overlevering. 6Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13 OLW Standpunt van de raadsman De raadsman heeft betoogd dat artikel 13 OLW van toepassing is en dat de overlevering op basis hiervan dient te worden geweigerd. Hij heeft hiertoe aangevoerd - kort gezegd - dat in het EAB staat vermeld dat de strafbare gedragingen van de opgeëiste persoon enkel op Spaans grondgebied hebben plaatsgevonden. Het EAB vermeldt expliciet dat een ander persoon dan de opgeëiste persoon de verdovende middelen naar Duitsland zou hebben gebracht. De opgeëiste persoon is onschuldig aan de handel van verdovende middelen in Duitsland of invoer in Duitsland. Standpunt van de officier van justitie Aan de hand van het feitencomplex zoals weergegeven in het EAB is er sprake van betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij de invoer van verdovende middelen in Duitsland. Artikel 13 OLW is dus niet van toepassing. Subsidiair heeft de officier van justitie de rechtbank in overweging gegeven om af te zien van deze weigeringsgrond, omdat Duitsland belang heeft bij de vervolging van de opgeëiste persoon. In Duitsland wordt ook de medeverdachte vervolgd en de drugs werden daar naartoe getransporteerd, waardoor de rechtsorde daar is aangetast. Verder bevinden de bewijsmiddelen zich in Duitsland. Oordeel van de rechtbank Er is in deze zaak geen sprake van een verdenking van strafbare feiten die (geheel of gedeeltelijk) op Nederlands grondgebied zijn gepleegd en gelet op de omschrijving van de feiten wordt de opgeëiste persoon verdacht van betrokkenheid bij de handel in verdovende middelen die naar Duitsland zijn gebracht. Anders dan de raadsman betoogt, is de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13 OLW eerste lid onder a en onder b, OLW in deze zaak niet van toepassing. 7Slotsom Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW, er ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan en er geen sprake is van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven, dient de overlevering te worden toegestaan. 8Toepasselijke wetsartikelen De artikelen 2, 5, 7 OLW. 9Beslissing STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan het Amtsgericht Wuppertal (Duitsland) voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel
- e)van het EAB. Aldus gedaan door mr. M. van Mourik, voorzitter, mrs. M.M.L.A.T. Doll en J.H. Beestman, rechters, in tegenwoordigheid van V.J.G. van der Want, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 28 april 2022. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.