RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13/752330-19 RK nummer: 20/3907 Datum uitspraak: 6 april 2022 UITSPRAAK op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 18 augustus 2020 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 9 december 2019 door the Györ Regional Court (Hongarije) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon] geboren te [geboorteplaats] (Hongarije) op [geboortedag] 1990 ter zitting opgegeven adres: [adres] hierna te noemen de opgeëiste persoon. 1Procesgang De vordering is behandeld op de openbare zitting van 23 maart 2022. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. C.L.E. Mcgivern. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman, mr. S.J. van der Woude, advocaat te Amsterdam. De rechtbank stelt vast dat in de onderhavige zaak de termijn van 90 dagen waarbinnen de rechtbank ex artikel 22 OLW op het overleveringsverzoek moet beslissen, reeds is verstreken. Dat betekent dat de rechtbank de beslistermijn niet meer kan verlengen en dat als gevolg daarvan geen grondslag meer bestaat voor gevangenhouding. 2Identiteit van de opgeëiste persoon De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Hongaarse nationaliteit heeft. 3Standpunt raadsman De raadsman heeft het woord gevoerd en geen weigeringsgronden aangevoerd, en niet aangevoerd dat sprake is van een geval op grond waarvan geen gevolg aan het EAB hoeft te worden gegeven. 4Grondslag en inhoud van het EAB In het EAB wordt melding gemaakt van een Enforceable judgement: Judgement No. B.25/2019/18 issued by the District Court of Sopron, final and binding on 19 June 2019, Reference: Szv.602/2019. Uit de brief van 15 december 2020 van de Hongaarse autoriteiten blijkt dat de advocaat van de opgeëiste persoon een verzoek tot herziening bij de Hongaarse rechtbank heeft ingediend en dat de rechtbank hierin op 23 september 2020 heeft bewilligd maar dat de daadwerkelijke herzieningsprocedure pas kan plaatsvinden op het moment dat de opgeëiste persoon is overgeleverd. Daarnaast blijkt uit de brief van11 februari 2022 dat het tegen de opgeëiste persoon gewezen verstekvonnis op dit moment voor tenuitvoerlegging vatbaar is. In de herzieningsprocedure zal echter door de Hongaarse rechtbank worden besloten of het verstekvonnis al dan niet wordt ingetrokken. Aan het EAB ligt daarom een voor tenuitvoerlegging vatbaar vonnis ten grondslag, waartegen de opgeëiste persoon een rechtsmiddel kan aanwenden, zie hierna onder 5. De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van 4 jaar, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog 3 jaar en 11 maanden en 28 dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis. Dit vonnis betreft het feit zoals dat is omschreven in onderdeel
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.