RECHTBANK AMSTERDAM Wrakingskamer Beslissing van 17 mei 2022 op de op 12 mei 2022 mondeling gedane verzoeken en onder rekestnummer C/13/717453 HA RK 22/138 van: [verzoeker 1] , geboren op [geboortedag 1] 1977, bijgestaan door mr. I.N. Weski; [verzoeker 2] , geboren op [geboortedag 2] 1975, bijgestaan door mr. S. Boersma; [verzoeker 3] , geboren op [geboortedag 3] 1979, bijgestaan door mr. L.E. Versluis; [verzoeker 4] , geboren [geboortedag 4] 1972, bijgestaan door mrs. R. van ’t Land en H.M. Dunsbergen; [verzoeker 5] geboren op [geboortedag 5] 1979, bijgestaan door mr. Y. Bouchiki; [verzoeker 6] , geboren op [geboortedag 6] 1978, bijgestaan door mr. J. de Vries. welke verzoeken strekken tot wraking van de rechters-commissarissen AMS-0020 en AMS-0021, rechters-commissarissen in strafzaken bij de rechtbank Amsterdam, (hierna: de rechters). 1De procedure Op 12 mei 2022 is de wrakingskamer door de rechters op de hoogte gesteld dat een wrakingsverzoek was ingediend in de strafzaak ‘Marengo’. Er vond op dat moment in de rechtbank Amsterdam een getuigenverhoor plaats van de partner van de kroongetuige. Mr. I.N. Weski had, namens verzoeker [verzoeker 1] , een mondeling verzoek ingediend tot wraking van de rechters. De overige verzoekers hebben zich bij dit wrakingsverzoek aangesloten. Ter zitting van de wrakingskamer van 12 mei 2022 is aan de raadslieden gevraagd de gronden van het wrakingsverzoek toe te lichten, maar de raadslieden waren niet bereid een toelichting te geven op de wrakingsgronden voordat het proces-verbaal van het getuigenverhoor, dat kort daarvoor op diezelfde ochtend had plaatsgevonden, was opgemaakt. De wrakingskamer heeft toen opdracht gegeven aan de rechters om het proces-verbaal zo spoedig mogelijk op te maken en te delen met de betrokken partijen. Het voorgaande is weergegeven in het proces-verbaal van 12 mei 2022, zoals opgemaakt door de wrakingskamer en gedeeld met de betrokken partijen. Op 16 mei 2022 (om 18:00 uur) hebben de rechters het proces-verbaal van het getuigenverhoor van 12 mei 2022 per e-mail gestuurd aan de wrakingskamer. De griffier van de wrakingskamer heeft het proces-verbaal op 17 mei 2022 (omstreeks 10:30 uur) verzonden aan de verzoekers en de officieren van justitie. De wrakingskamer heeft vervolgens nog kennisgenomen van de schriftelijke toelichting die mr. I.N. Weski op 17 mei 2022 per e-mailbericht (om 11:26 uur) aan de betrokken partijen heeft gestuurd. Voorts heeft de wrakingskamer kennisgenomen van het schriftelijke standpunt van het Openbaar Ministerie, ingediend per e-mailbericht op 17 mei 2022 (om 12:54 uur). De wrakingskamer heeft op 17 mei 2022 beslist op de verzoeken. Bij e-mail van de griffier van de wrakingskamer van 17 mei 2022 (om 16.30 uur) is de beslissing toegezonden aan de raadslieden van verzoekers, het Openbaar Ministerie en de rechters. In die beslissing is vermeld dat de schriftelijke motivering zo spoedig mogelijk volgt. Het onderstaande vormt die motivering. 2De feiten Op 10 mei 2022 (om 09:40 uur) hebben de rechters aan de raadslieden en de officieren van justitie een e-mailbericht gestuurd. De inhoud van dit e-mailbericht luidt – voor zover relevant – als volgt: ‘Ter kennisname delen wij u in verband met het verhoor op 12 mei 2022 van ‘de partner van de kroongetuige’ het volgende mede. De advocaat van de getuige heeft bij de rechter-commissaris aangekondigd dat de getuige bij het verhoor mogelijk op bepaalde vragen een beroep zal doen op een familiair verschoningsrecht conform artikel 217 sub 3 Sv. De rechter-commissaris heeft desgevraagd een nadere onderbouwing gekregen en verder onderzoek gedaan. Hieromtrent kan in verband met de veiligheid van de getuige slechts beperkt weergave worden gedaan, als volgt. Gezien de bijzondere status van de partner/ex-partner als kroongetuige is/was het feitelijk onuitvoerbaar voor getuige om een huwelijk of geregistreerd partnerschap met de partner/ex-partner aan te gaan. Het is voor de rechter-commissaris gebleken dat, ware dit wèl mogelijk geweest, getuige en de kroongetuige (in het verleden) absoluut een huwelijk of geregistreerd partnerschap waren aangegaan. De rechter-commissaris heeft acht geslagen op de strikte jurisprudentie van de Hoge Raad op dit gebied. De getuige wordt geconfronteerd met zeer ernstige veiligheidsrisico’s, die vergaande en ingrijpende beveiligingsmaatregelen vergen. Mede door deze maatregelen is het feitelijk onmogelijk te huwen of een partnerschap te registreren. Deze uitzonderlijke situatie rechtvaardigt dat de getuige gelijkgesteld moet worden aan een getuige die met documenten kan aantonen dat sprake is/was van een huwelijk of geregistreerd partnerschap. De rechter-commissaris is op grond van het voorgaande van oordeel dat de getuige een verschoningsrecht toekomt als bedoeld in artikel 217 sub 3 Sv. Mocht ze daar bij het verhoor een beroep op doen, zal dit derhalve worden gehonoreerd. De advocaat van de getuige wordt eveneens aldus bericht.’ Uit het proces-verbaal van het getuigenverhoor van 12 mei 2022 blijkt onder meer dat mr. I.N. Weski bezwaar heeft gemaakt tegen de voorgaande beslissing van de rechters en hen heeft verzocht om hun beslissing te heroverwegen. Uit het proces-verbaal blijkt dat de rechters hebben laten weten dat zij, ook na heroverweging, blijven bij hun eerdere beslissing. Uit het proces-verbaal blijkt voorts dat de rechters hebben toegelicht dat zij deze beslissing hebben genomen vanwege de zeer uitzonderlijke situatie. Het is volgens hen een beslissing van de rechter-commissaris, het is ook de rechter-commissaris die gaat over het al dan niet toekennen van een verschoningsrecht bij een getuigenverhoor bij de rechter-commissaris. De rechters hebben voorts opgemerkt dat zij op voorhand alle denkbare, relevante vragen met betrekking tot de twee onderwerpen waarover het getuigenverhoor zou moeten gaan, zo hebben ingeschat dat die leken te vallen binnen het bereik van het familiair verschoningsrecht. Daarbij hebben de rechters aangetekend dat zij dat bij het verhoor per vraag zullen beoordelen. Tot slot hebben de rechters erop gewezen dat, als de verdediging het niet eens is met deze beslissing ten aanzien van het verschoningsrecht, zij deze kan laten toetsen door de rechtbank. In reactie op vragen van de verdediging waaruit zou zijn gebleken dat, als het mogelijk was geweest om te huwen, de getuige en kroongetuige dat hadden gedaan, hebben de rechters geantwoord dat zij onderzoek hebben gedaan en dat dit onderzoek er onder andere uit heeft bestaan dat zij gesproken hebben met mensen uit de omgeving van de getuige, onder andere met iemand die over de veiligheid gaat. De rechters hebben niet met de getuige zelf gesproken. Hierna hebben verzoekers de rechters gewraakt. 3De verzoeken 3.1 het verzoek van mr. I.N. Weski namens [verzoeker 1] Uit het proces-verbaal van het getuigenverhoor van 12 mei 2022 en de schriftelijke toelichting op het wrakingsverzoek van mr. Weski blijkt het volgende. Mr. Weski stelt zich – kort en zakelijk weergegeven – op het standpunt dat de rechters zonder voorafgaand raadplegen van de verdediging hebben beslist om de getuige het familiair verschoningsrecht toe te kennen, terwijl de getuige niet gehuwd is, noch een geregistreerd partnerschap heeft met de kroongetuige. Deze beslissing heeft verregaande gevolgen voor de ondervragingsmogelijkheden van de verdediging in het kader van de waarheidsvinding. Niet is gebleken dat de kroongetuige en zijn partner de wens hadden om te huwen. Voorts is niet gebleken van enig veiligheidsrisico voor de getuige. De beslissing van de rechters is onvoldoende gemotiveerd en niet gerechtvaardigd in het licht van artikel 6 EVRM. De beslissing is in strijd met de wet, jurisprudentie en het wettelijk stelsel. Mr. Weski heeft hierbij specifiek gewezen op artikel 217 lid 3 Sv, een arrest van de Hoge Raad van 31 mei 2005, rechtsoverwegingen 4.3 en 4.7 en de zaak Van der Heijden/Nederland (EHRM 3 april 2012, NJ 2013/442). Voorts heeft mr. Weski verklaard dat de vrees van vooringenomenheid van de rechters blijkt uit de wijze waarop zij voornoemde beslissing hebben genomen, de beslissing hebben verdedigd en de verdediging hebben behandeld. In het proces-verbaal staat hierover op pagina 8 e.v. onder meer het volgende: (…) ‘Er heeft geen consultatie plaatsgevonden voorafgaand aan uw beslissing. Nog sterker, toen ik u aankondigde dat ik bezwaar had tegen die beslissing, en dat ik u vroeg om dat te gaan herzien, dat ik het onderwerp besprak, zei u zelfs dat u mijn opmerkingen, u noemde het opmerkingen, aanhoort en dat u die dan zou opnemen in het proces-verbaal van dit verhoor. (…) U gaf aan dat u mijn opmerkingen aanhoort en dat u die dan zou opnemen in het proces-verbaal van dit verhoor. Dus u gaf eigenlijk ook al aan dat u dit hoe dan ook geen aanleiding zou geven om iets van uw standpunt te gaan wijzigen. U zou het als een soort voetnoot, bijschrift, in het proces-verbaal opnemen. Dit bevestigt dat u de verdediging daarmee niet van enige relevantie vindt, het kan u niet beïnvloeden in uw houding ten aanzien van het ondervragingsrecht waarover we hier spreken, zo’n belangrijk recht, wat zojuist nog is besproken, in het kader van de waarheidsvinding. U heeft vervolgens daarbij een volgend element aangegeven in die lijn naar het gebrek aan vertrouwen dat de verdediging nog heeft, in de wijze waarop u optreedt als rechters-commissarissen, namelijk dat u al rekening had gehouden bij het nemen van die beslissing met alle denkbare, relevante vragen die de getuige zou kunnen krijgen van de verdediging. Al die vragen heeft u al in ogenschouw genomen. U heeft daarmee rekening gehouden en uw conclusie was dus al, toen u die beslissing nam, en kennelijk was al voorzienbaar, dat die beslissing en mening zou blijven, ook na aanhoren van mijn opmerkingen, dat die relevante, denkbare vragen hoe dan ook zouden vallen onder het verschoningsrecht. De facto betekent dat, dat u dus meent dat er geen enkele relevante vraag beantwoord hoeft te gaan worden. De facto is dat geen ondervragingsrecht.’ (…) 3.2 het verzoek van mr. R. van ‘t Land namens [verzoeker 4] In aansluiting op het verzoek van mr. Weski voert mr. Van ‘t Land – kort en zakelijk weergegeven – het volgende aan. In het in artikel 6 EVRM geregelde recht op een eerlijk proces is het beginsel van ‘equality of arms’ een belangrijk onderdeel. Er kan slechts bij uitzondering een inbreuk worden gemaakt op het ondervragingsrecht van de verdediging en het recht op het horen van getuigen. Door de wetgever is limitatief opgesomd onder welke omstandigheden een dergelijke uitzondering kan worden gemaakt. Het recht op een eerlijk proces wordt afgezet tegen hetgeen is bepaald in artikel 8 EVRM. Het belang van de rechters-commissarissen is kennelijk de betrouwbaarheid van de kroongetuige en de mogelijkheid dat die ter discussie komt te staan op het moment dat de getuige, de partner van de kroongetuige, vragen beantwoordt. Dit is geen gerechtvaardigd belang waarvoor een inbreuk op het ondervragingsrecht is toegestaan. De beslissing van de rechters-commissarissen is onbegrijpelijk. Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken op basis waarvan kan worden verondersteld dat getuige en de kroongetuige de wens hadden om te huwen. Ook is niet gebleken dat sprake was van een onmogelijkheid om te trouwen. Er zijn berichten waaruit blijkt dat men helemaal geen trouwplannen had. De beslissing van de rechter-commissarissen is ook ongeclausuleerd. Mocht de getuige zich op het verschoningsrecht beroepen, dan hebben de rechters-commissarissen op voorhand al besloten dat beroep te honoreren, zonder de verdediging daarin te kennen. 3.3 het verzoek van mr. Dunsbergen namens [verzoeker 4] Mr. Dunsbergen sluit zich aan bij hetgeen door mr. Weski en mr. Van ’t Land is verwoord. De kern van het betoog is als volgt. Er is sprake van een drietrapsraket. In de eerste plaats het contra legem toekennen van een verschoningsrecht. In de tweede plaats is die beslissing ongeclausuleerd en in de derde plaats is de verdediging hierover niet geraadpleegd. 3.4 De verzoeken van mrs. De Vries namens [verzoeker 6] , Bouchikhi namens [verzoeker 5] en Boersma namens [verzoeker 2] en Versluis namens [verzoeker 3] Mrs. De Vries, Bouchikhi, Boersma en Versluis sluiten zich aan bij hetgeen door mrs. Weski, Van ’t Land en Dunsbergen naar voren is gebracht. 4De reactie van de rechters De rechters hebben niet in de wraking berust. De rechters menen dat het wrakingsverzoek niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Indien partijen het niet eens zijn met een door de rechter genomen beslissing dienen zij zich te wenden tot de rechtbank, niet tot de wrakingskamer. Gewezen wordt op de beslissing van de wrakingskamer van 9 december 2021 inzake Marengo, overweging 6.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.