RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13/109446-22 BESCHIKKING in raadkamer op het bezwaarschrift ex artikel 61 van de Overleveringswet (OLW) jo. artikel 62a, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) in de zaak van [klager] , geboren te [geboorteplaats] , op [geboortedag] 1979 wonende op het adres, [adres] thans gedetineerd in [detentieadres] hierna te noemen “klager”, tegen het bevel van de officier van justitie te Amsterdam van 12 mei 2022, tot het opleggen van beperkingen als bedoeld in artikel 62 Sv. 1Procesgang Het bezwaarschrift, gedateerd op 16 mei 2022, is op 16 mei 2022 ter griffie van deze rechtbank ingediend. De rechtbank heeft op 20 mei 2022 klager, mr. S.M. Hof, advocaat te Amsterdam, en de officier van justitie, mr. C.L.E. Mcgivern, in besloten raadkamer gehoord. 2Feiten Op 22 april 2022 hebben de Duitse justitiële autoriteiten een Europees Arrestatiebevel (EAB) tegen klager uitgevaardigd. Zijn overlevering wordt gevraagd om hem in Duitsland te vervolgen op grond van de verdenking van betrokkenheid bij 17 (pogingen tot) plofkraken in de periode van 20 mei 2021 tot 11 november 2021 in Wesel en elders in Duitsland. Het Amtsgericht Düsseldorf heeft in de beschikking van 22 april 2022 detentiebeperkingen ten aanzien van klager vastgesteld. Bij emailbericht van 18 mei 2022 heeft de officier van justitie te Düsseldorf verzocht de opgelegde beperkingen te handhaven. Klager is op 12 mei 2022 op grond van de OLW aangehouden. Klager verblijft sindsdien in overleveringsdetentie uit hoofde van de OLW. De officier van justitie heeft bij bevel van 12 mei 2022 bevolen dat in het belang van het onderzoek beperkende maatregelen worden getroffen. Die maatregelen houden in dat klager zonder uitdrukkelijke toestemming van de officier van justitie geen bezoek mag ontvangen, dat hij zonder uitdrukkelijke toestemming van de officier van justitie geen telefonisch contact – middellijk noch onmiddellijk – mag hebben met anderen, dat hij geen brieven mag verzenden of ontvangen zonder uitdrukkelijke toestemming van en na controle door of vanwege de officier van justitie en dat hij geen enkel contact mag hebben – mondeling noch schriftelijk noch telefonisch, middellijk noch onmiddellijk – met medegedetineerden. De beperkingen gelden niet ten aanzien van het contact met zijn raadsman. Verder geldt de beperking met betrekking tot het bezoek evenmin ten aanzien van de politie en de reclasseringswerker. De beperkingen met betrekking tot telefonisch en briefcontact gelden evenmin ten aanzien van justitiële autoriteiten. Op 13 mei 2022 heeft de officier van justitie haar vordering ex artikel 23 van de OLW ingediend bij deze rechtbank. 3Inhoud van het bezwaarschrift Het bezwaarschrift, dat ter zitting nader is toegelicht, strekt tot opheffing van de beperkingen. 4Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de noodzaak tot het opleggen van beperkende maatregelen nog onverkort bestaat, nu de Duitse autoriteiten dit hebben verzocht. 5Beoordeling door de rechtbank Wettelijke grondslag De officier van justitie moet bevoegd worden geacht tot het opleggen van beperkingen. Artikel 61 van de OLW bepaalt namelijk dat de klager die op basis van deze wet van zijn vrijheid wordt beroofd, wordt behandeld als een verdachte die krachtens het Wetboek van Strafvordering aan een overeenkomstige maatregel is onderworpen. Aangenomen dient te worden dat, ook al wordt artikel 62 Sv niet genoemd bij de bepalingen die in artikel 30 van de OLW van overeenkomstige toepassing zijn verklaard, hiermee artikel 62 Sv van overeenkomstige toepassing is in geval van overleveringsdetentie. De officier van justitie moet dus in beginsel bevoegd worden geacht tot het treffen van de in artikel 62 Sv bedoelde maatregelen, waaronder het nemen van vingerafdrukken en foto’s, maar ook het opleggen van beperkingen, krachtens een rechtshulpverzoek van de betreffende buitenlandse autoriteit, die om overlevering van klager heeft gevraagd. De uitvoering van buitenlandse rechtshulpverzoeken is geregeld in de eerste en derde afdeling van Boek 5, Titel 1 Sv. Artikel 5.1.1, tweede lid, Sv luidt: Als verzoeken om rechtshulp worden aangemerkt verzoeken van daartoe bevoegde autoriteiten van een staat aan de bevoegde autoriteiten van een andere staat tot het al dan niet gezamenlijk verrichten van handelingen van onderzoek of het verlenen van medewerking daaraan, verzoeken ter bepaling van de aanwezigheid van wederrechtelijk verkregen voordeel, het toezenden van documenten, dossiers of stukken, of het geven van inlichtingen, dan wel het betekenen of uitreiken van stukken of het doen van aanzeggingen of mededelingen aan derden. Artikel 5.1.4, tweede en derde lid, Sv luiden:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.