beschikking RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling Publiekrecht Teams Strafrecht Parketnummer: 13/997110-20 RK: 21/4530 Beschikking op het klaagschrift ex artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering van: de besloten vennootschap [B.V. 1] , statutair gevestigd te [plaatsnaam] , woonplaats kiezend op het kantooradres van haar raadsman mr. J.I.M.G. Jahae, JahaeRaymakers, Amstelplein 40, 1096 BC te Amsterdam, klaagster, tevens beslagene. Procesgang Het klaagschrift is op 13 augustus 2021 ter griffie van deze rechtbank ontvangen. Het Openbaar Ministerie (hierna: OM) heeft op 20 december 2021 schriftelijk zijn standpunt kenbaar gemaakt. De rechtbank heeft klaagster, haar raadsman en de officieren van justitie mrs. M. Kok en E. Duijts op 12 januari 2022 in openbare raadkamer gehoord. Klaagster is in raadkamer vertegenwoordigd door [naam 1] (hierna: [naam 1] ). [naam 1] is, enig aandeelhouder van [B.V. 2] , die op haar beurt weer enig aandeelhoudster van klaagster is. [naam 1] is bestuurder van klaagster. Inhoud van het klaagschrift Het klaagschrift strekt tot teruggave van de ten laste van [B.V. 1] in het onderzoek 26Terrelll in beslag genomen onroerende zaken en appartementsrechten: De onroerende zaak staande en gelegen aan de [adres 1] (kadastrale aanduiding: [kadastrale aanduiding 1] ); De onroerende zaak staande en gelegen aan de [adres 2] (kadastrale aanduiding: [kadastrale aanduiding 2] ); De onroerende zaak staande en gelegen aan de [adres 3] (kadastrale aanduiding: [kadastrale aanduiding 3] ); De onroerende zaak staande en gelegen aan de [adres 4] (kadastrale aanduiding: [kadastrale aanduiding 4] ); De onroerende zaak met kadastrale omschrijving “26m2 bedrijvigheid (industrie)” (kadastrale aanduiding: [kadastrale aanduiding 5] ); Het appartementsrecht rechtgevende op het uitsluitend gebruik van de onroerende zaak staande en gelegen aan de [adres 5] (kadastrale aanduiding: [kadastrale aanduiding 6] ); Het appartementsrecht rechtgevende op het uitsluitend gebruik van de onroerende zaak staande en gelegen aan de [adres 6] (kadastrale aanduiding: [kadastrale aanduiding 7] ); iix) Het appartementsrecht rechtgevende op het uitsluitend gebruik van de onroerende zaak staande en gelegen aan de [adres 7] (kadastrale aanduiding: [kadastrale aanduiding 8] ;
(2002); - de witwashandelingen waren gecentreerd rond het ‘verwerven/voorhanden hebben’ van het onroerend goed (artikel 420bis lid 1 onder b Sr); - het bestanddeel ‘uit misdrijf afkomstig’ in Kolbak is ingevuld vanuit de afpersing van [naam 5] ; - de rechtspersonen in Kolbak zijn niet vervolgd en er is ook geen sepot is gegeven; - de witwasgedragingen in 26Terrell anders zijn, de periode is gelegen ná de periode in het onderzoek Kolbak, de rol van [naam 1] geen pleger is, maar feitelijk leidinggever aan de verboden gedragingen van klaagster en ook de rechtspersonen voor hun eigen rol worden vervolgd; - het bestanddeel ‘uit misdrijf afkomstig’ wordt in het onderzoek 26Terrell niet alleen ingevuld vanuit de afpersing van [naam 5] . Gelet op het voorgaande stelt het OM zich op het standpunt dat er noch sprake is van een nieuwe vervolging voor hetzelfde feitencomplex waarvan [naam 1] is vrijgesproken in het onderzoek Kolbak noch van herziening ten nadele. Er zal dan ook geen niet-ontvankelijkheid van het OM volgen. De officier van justitie noemt voorts dat de Hoge Raad in 2014 heeft bevestigd dat witwassen, dat strafbaar is gesteld in artikel 420bis, eerste lid, onder a, Sr, een voortdurend delict is, zodat voor de gedraging in het nieuwe tijdvak vervolgd kan worden en er geen sprake is van schending van het ‘ne bis in idem beginsel’. Ook volgt uit diverse uitspraken dat bij delicten die in het feitelijk voorkomen als voortdurend kunnen worden bestempeld, het mogelijk is om meermalen te vervolgen. Uit verschillende uitspraken en arresten komt naar voren dat naast het verbergen en verhullen, tevens het verborgen en verhuld houden valt onder de reikwijdte van artikel 420bis Sr. Daarbij loopt de pleegperiode door zolang de verdachte ten aanzien van deze geldbedragen nog steeds witwashandelingen verricht. Gelet op het gegeven dat [naam 1] zijn handelingen ten aanzien van het witwassen niet heeft beëindigd, concludeert het OM dat deze verboden gedragingen tot op de dag van vandaag voortduren. Er is derhalve geen sprake van hetzelfde feit in de zin van artikel 68 Sr. Dat de invulling van het bewijs in Kolbak op onderdelen voor het jaar 2002 niet is gelukt, betekent dat [naam 1] door het Gerechtshof is vrijgesproken. Gelet op het voortdurende karakter van witwassen kunnen de bestanddelen voor een aanvullende periode (31 januari 2006 tot en met heden) alsnog worden ingevuld en kan alsnog worden gekomen tot een veroordeling. De feitelijke gedraging (de Wallenpanden zijn nog in het bezit van verdachte) duurt voort. Dat de vrijspraak van [naam 1] in Kolbak in 2009 geen belemmering is voor de nieuwe vervolging blijkt onder andere ook uit verschillende relevante uitspraken in andere zaken. Door deze zaken wordt de positie van [naam 1] duidelijk en wordt onherroepelijk vastgesteld dat de Wallenpanden met crimineel vermogen zijn gefinancierd. De Kolbak-veroordeling door het Gerechtshof Amsterdam van [naam 3] ziet onder meer op de afpersing van [naam 5] van een bedrag van ruim 17 miljoen euro. Dit bedrag bestaat uit tien deelbetalingen. Al deze deelbetalingen zijn overgemaakt op aan [naam 6] gelieerde bankrekeningen. De eerste twee afpersbetalingen zijn door [naam 6] gebruikt om de panden waarop beslag is gelegd en waar het klaagschrift dat vandaag aan de orde is, op ziet, te herfinancieren. [naam 6] is in het onderzoek Enclave Financieel op 8 juni 2010 door de rechtbank, zittinghoudende te Haarlem, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren en zes maanden. De conclusie van het OM is dat de panden, door de financiering van [bedrijf 1] (thans [bedrijf 2] ), waarvan [naam 6] enig aandeelhouder is, met van misdrijf afkomstig vermogen, te weten van [naam 5] afgeperst vermogen, zijn gefinancierd. Uit het proces-verbaal van verdenking blijkt dat tevens verdwenen losgeld van de ontvoering van [naam 9] en zijn chauffeur [naam 10] in de structuur terecht is gekomen. Ook is in dit vorengenoemde proces-verbaal geverbaliseerd dat de vaststellingsovereenkomst die gedateerd is op 4 september 2002 en waarin staat verwoord dat [naam 5] de panden overdraagt aan [naam 1] geantedateerd is. Zonder dit misdrijf van valsheid in geschrifte, waren de panden niet in het bezit gekomen van de rechtspersonenstructuur van [naam 1] , aldus het OM. Het OM betoogt voorts dat op 7 juli 2012Kaatee [naam 6] in een civiele procedure heeft gedagvaard met het verwijt dat [naam 6] hem/zijn rechtspersoon crimineel geld heeft verstrekt bij de financiering van de panden. Mocht er al aan getwijfeld worden of [naam 1] wetenschap heeft van de criminele investering, waarmee de panden in zijn bezit zijn gekomen, dan blijkt hieruit in ieder geval de wetenschap bij [naam 1] , en dus bij klaagster. Waar klaagster in punt 75 van haar klaagschrift stelt dat zij de koopovereenkomst van 24 september 2018 met [bedrijf 3] moet nakomen, maar daarin wordt gegijzeld door het 94-beslag van het OM, moet geconstateerd worden dat verdachte daarin niet kan worden gevolgd. Het 94-beslag van het OM is immers pas gelegd op 28 oktober 2020, derhalve ruimschoots na het tot stand komen van de koopovereenkomst. Verdachte en [bedrijf 3] hebben meer dan twee jaar de tijd gehad om tot een werkelijke levering van de panden (en de aandelen in [B.V. 4] en [B.V. 5] ) te komen. Daartoe hebben [bedrijf 3] de koopovereenkomsten zelfs tweemaal laten inschrijven in de registers in de zin van artikel 7:3 van het Burgerlijk Wetboek. De daaruit voortvloeiende beschermingstermijn hebben ze vervolgens telkens ongebruikt laten verstrijken. De werkelijke reden waardoor de levering van de panden en aandelen nog niet kon plaatsvinden, is gelegen in het feit dat [bedrijf 3] in de periode tussen 24 september 2018 en 28 oktober 2020 de benodigde vergunningen voor het exploiteren van de speelautomaten(hallen) niet heeft kunnen bemachtigen bij de gemeente en/of de Kansspelautoriteit. En dat is in die tijdspanne niet veroorzaakt door de beslaglegging door het OM. Het beslag was toen immers nog niet gelegd. In de lange periode tussen 24 september 2018 en 28 oktober 2020 werden de vereiste vergunningen al niet verstrekt door de gemeente. Het voorgaande heeft tot gevolg dat het 94-beslag op deze twee panden aan de [adres 2] en de [adres 1] niet in strijd is met de vereisten van subsidiariteit en proportionaliteit. De officieren van justitie hebben in raadkamer verklaard te persisteren in hun verzet tegen opheffing van het beslag en daartoe, zakelijk weergegeven, het volgende aangevoerd. Er is geen sprake van schending van het ‘ne bis in idem-beginsel’. Het strafbare feit waarop het onderzoek 26Terrell ziet, betreft immers een ander feit dan waarvan [naam 1] in het onderzoek Kolbak is vrijgesproken. Zo zag de tenlastelegging in onderzoek Kolbak op een periode tot en met 30 januari 2006, terwijl het OM in onderzoek 26Terrell voornemens is te vervolgen voor het doorlopende delict witwassen met ingang van 31 januari
- Daarnaast is in Kolbak overtreding van artikel 420bis, lid 1 onder b Sr ten laste gelegd, terwijl in 26Terrell overtreding van artikel 420bis, lid 1, onder a, Sr ten laste zal worden gelegd. Verder is [naam 1] in Kolbak aangemerkt als (mede)pleger van het witwassen, terwijl hij in 26Terrell wordt verdacht van het feitelijk leiding geven aan de witwasgedraging door de besloten vennootschap [B.V. 1] (klaagster), waarvan verdachte enig eigenaar en bestuurder is. Tot slot, is verdachte niet vervolgd in Kolbak, zodat alleen al daarom geen sprake kan zijn van een nieuwe vervolging/schending van het ‘ne bis in idem-beginsel’. Aldus is geen sprake van een nieuwe vervolging vanwege hetzelfde feitencomplex en is evenmin sprake van een herziening ten nadele, zoals de raadsman subsidiair heeft betoogd. De beoordeling Feiten Uit de stukken en het verhandelde in raadkamer is het volgende gebleken. Op 28 oktober 2020 is op de voet van artikel 94 Sv beslag gelegd op voornoemde onroerende zaken en appartementsrechten. Klaagster wordt – kort gezegd – verdacht van witwassen. Juridisch kader De rechtbank stelt voorop dat het onderzoek in raadkamer naar aanleiding van een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a Sv een summier karakter draagt. Dat betekent dat van de rechtbank niet kan worden gevergd ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofdzaak of ontnemingsprocedure te treden. Daarvoor is in de beklagprocedure geen plaats, omdat ten tijde van een dergelijke procedure veelal het dossier zoals dat uiteindelijk aan de zittingsrechter in de hoofd- of ontnemingszaak zal worden voorgelegd, nog niet compleet is en omdat voorkomen moet worden dat de beklagrechter vooruitloopt op het in de hoofd- of de ontnemingszaak te geven oordeel. Het beperkte karakter van de beklagprocedure komt tot uitdrukking in enkele van de aan te leggen toetsingsmaatstaven (Hoge Raad 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, NJ 2010/654). In geval van een beklag van de beslagene tegen een op de voet van artikel 94 Sv gelegd beslag dient de rechtbank a. te beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert, en zo neen, b. de teruggave van de in beslag genomen voorwerpen te gelasten aan de beslagene, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van die voorwerpen moet worden beschouwd. Het belang van strafvordering verzet zich tegen teruggave indien het veiligstellen van de belangen waarvoor artikel 94 Sv de inbeslagneming toelaat, het voortduren van het beslag nodig maakt. Dat is bijvoorbeeld het geval wanneer het inbeslaggenomene kan dienen om de waarheid aan de dag te brengen of om wederrechtelijk verkregen voordeel aan te tonen. Voorts verzet het door artikel 94 Sv beschermde belang van strafvordering zich tegen teruggave indien niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, met betrekking tot die voorwerpen de verbeurdverklaring zal uitspreken of onttrekking aan het verkeer zal bevelen, al dan niet naar aanleiding van een afzonderlijke vordering daartoe als bedoeld in artikel 36b, eerste lid onder 4°, Sr in verbinding met artikel 552f Sv. In het onderhavig geval is sprake van beslag op onroerende zaken en appartementsrechten die volgens het OM vatbaar zijn voor verbeurdverklaring. De rechtbank dient in dit geval te beoordelen of het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring van de onroerende zaken en appartementsrechten zal uitspreken. Oordeel Met betrekking tot ne bis in idem Dat in onderhavige zaak sprake is van schending van het ‘ne bis in idem-beginsel’ acht de rechtbank niet evident. Dit gelet op het feit dat witwassen een doorlopend delict betreft en de pleegperiode in Kolbak een andere is dan die in 26Terrell. Bij een doorlopend delict, zoals bijvoorbeeld deelname aan een criminele organisatie, is immers voorstelbaar dat het feit voor een bepaalde periode niet en voor een andere, aansluitende periode wel bewezen wordt geacht. Hetgeen de officieren van justitie hebben aangevoerd betreffende de verschillen met betrekking tot de soort uitvoeringshandelingen (artikel 420bis, lid 1, onder b versus onder a, Sr), de vermeende rol van [naam 1] (pleger versus feitelijk leidinggever aan witwashandeling door rechtspersoon) en het feit dat verdachte niet eerder is vervolgd, maakt de gestelde schending nog minder evident. Met betrekking tot de inhoudelijke gronden De raadsman stelt dat met de vrijspraak van [naam 1] in Kolbak is vastgesteld dat de Wallenpanden niet van ‘afpersing of enig ander misdrijf’ afkomstig zijn. De rechtbank volgt deze redening van de raadsman niet. De vrijspraak van [naam 1] houdt immers niet in dat de Wallenpanden, althans de financiële middelen voor de aanschaf daarvan, legaal zijn verkregen, maar slechts dat het tegendeel (destijds) niet wettig en overtuigend bewezen is geacht. Met betrekking tot proportionaliteit en subsidiariteit De raadsman stelt dat het beslag niet voldoet aan de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit omdat [naam 1] en klaagster doende zijn met de verkoop van een deel van de Wallenpanden (namelijk de gokhallen) en de verkoopopbrengst toch bij het OM terechtkomt door het conservatoire beslag op de vordering van [naam 6] / [bedrijf 1] op klaagster/ [naam 1] ter ontneming van het wederrechtelijk door [naam 6] verkregen voordeel. Gelet op de verklaring van de officieren van justitie, dat zij vast voornemens zijn de Wallenpanden aan de criminaliteit te onttrekken mocht vast komen te staan dat er sprake is van witwassen, acht de rechtbank het beslag proportioneel, aangezien het beslag op de Wallenpanden nodig is om de eventuele latere verbeurdverklaring van die onroerende zaken en appartementsrechten daadwerkelijk te kunnen realiseren. De rechtbank ziet daarvoor ook geen minder vergaand alternatief. Voorts heeft het OM voldoende onderbouwd dat het beslag op de panden niet aan de verkoop van de gokhallen in de weg heeft gestaan maar dat de levering van de gokhallen niet is doorgegaan omdat de vereiste vergunningen niet waren verleend. Klaagster heeft tenslotte onvoldoende onderbouwd waarom het beslag op de overige panden/appartementsrechten niet aan de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit zou voldoen.OMOM Met betrekking tot echtheid vervolging De officieren van justitie hebben in raadkamer verklaard dat de door [naam 1] verstrekte informatie wordt onderzocht, dat zij doende zijn bepaalde getuigen te horen en dat zij vast voornemens zijn de Wallenpanden door middel van verbeurdverklaring uit criminele handen te halen. Voorts is een concept tenlastelegging opgesteld. Gelet op deze verklaringen van de officieren van justitie in raadkamer houdt de rechtbank het er voor dat, anders dan de raadsman en de vertegenwoordiger van verdachte stellen, wel degelijk sprake is van een daadwerkelijke vervolging. Conclusie Op grond van het voorgaande, de zich thans in het dossier bevindende stukken en het verhandelde in raadkamer is de rechtbank van oordeel dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de in beslag genomen onroerende zaken en appartementssrechten verbeurd zal verklaren. In hetgeen overigens door de raadsman en de vertegenwoordiger van klaagster is aangevoerd ziet de rechtbank geen aanleiding om anders te oordelen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het strafvorderlijk belang zich verzet tegen opheffing van het beslag. Het beklag dient daarom ongegrond te worden verklaard. De rechtbank komt tot de volgende beslissing. De beslissing De rechtbank verklaart het beklag ongegrond. Deze beslissing is gegeven door mr. D. van den Brink, voorzitter, mrs. R.M. Troost en E. Akkermans, rechters in tegenwoordigheid van mr. S.L. Slaats, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 23 februari
- Tegen de beslissing van deze rechtbank staat voor klager beroep in cassatie bij de Hoge Raad open, in te stellen bij de griffie van deze rechtbank, binnen veertien