RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13/751141-22 RK nummer: 22/673 Datum uitspraak: 26 april 2022 UITSPRAAK op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 7 februari 2022 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 2 juli 2021 door the District Court in Slupsk, II Criminal Department (Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon] geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1998 ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres: zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland gedetineerd [detentieplaats] hierna te noemen de opgeëiste persoon. 1Procesgang De vordering is behandeld op de openbare zitting van 12 april 2022. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. N.R. Bakkenes. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman, mr. L.J. Woltring, advocaat te Haarlem en door een tolk in de Poolse taal. De raadsman heeft geen weigeringsgronden of beletselen aangevoerd die aan het toestaan van de overlevering in de weg kunnen staan. Op grond van artikel 22, derde lid, OLW heeft de rechtbank de termijn waarbinnen zij op grond van het eerste lid van dit artikel uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen. 2Identiteit van de opgeëiste persoon De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft. 3Grondslag en inhoud van het EAB In het EAB wordt melding gemaakt van een valid judgment of the Regional Court in Czluchów of 20ᵗʰ September, 2016 in the matter of reference II K 228/16; the judgment became final on 28ᵗʰ September 2016. De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van 1 jaar, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis. Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel
- e)van het EAB. 4Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW De rechtbank stelt vast dat bij bovengenoemd vonnis van 20 september 2016 aan de opgeëiste persoon een voorwaardelijke gevangenisstraf van één jaar is opgelegd, waarvan de tenuitvoerlegging is bevolen bij beslissing van 17 september 2019. Deze beslissing, waarbij de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke gevangenisstraf werd bevolen, valt niet onder de reikwijdte van artikel 4 bis Kaderbesluit 2002/584/JBZ - en dus niet onder die van artikel 12 OLW - nu bij deze beslissing niet de aard en de maat van de eerder uitgesproken straf werd gewijzigd en niet is gebleken dat de autoriteit die deze beslissing heeft gegeven op dit punt over een zekere beoordelingsbevoegdheid beschikte. Het voorgaande betekent dat enkel het vonnis van 20 september 2016 moet worden getoetst aan de weigeringsgrond van artikel 12 OLW. De rechtbank stelt vast dat het vonnis van 20 september 2016 is gewezen, terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, maar dat de in artikel 12, sub a, OLW genoemde omstandigheid zich heeft voorgedaan, waardoor deze weigeringsgrond niet van toepassing is. In de aanvullende informatie van 1 maart 2022 staat immers het volgende vermeld: 1. [opgeëiste persoon] , the sentenced person, during preparatory proceedings provided his address, and then the notice of the date and time of court session/hearing in respect of the application/motion lodged in accordance with article 335 paragraph 2 of the Criminal Procedure Code (…) was sent to that address, and on 25th August, 2016 it was collected in person by the sentenced person; 2. [opgeëiste persoon] , the sentenced person, on 8th January 2016, confirmed/acknowledged (while putting his signature/by signing) the receipt of instruction concerning the rights and obligations/duties of a suspect in criminal/penal proceedings, including also his obligation to provide a new address in case of any change of his place of residence or stay, with the instruction/advice, that otherwise, any letter sent to the current (last known) address would be considered as served upon/delivered effectively, and any act of legal procedure or court hearing/session would be conducted while the suspect was absent (in absentia). 5Strafbaarheid Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a 2°, OLW zijn neergelegd. De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan. De feiten leveren naar Nederlands recht op: Diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang van het misdrijf heeft verschaft doormiddel van braak, meermalen gepleegd; en poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang van het misdrijf heeft verschaft doormiddel van braak, meermalen gepleegd. 6Slotsom Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW, er ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan en er geen sprake is van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven, dient de overlevering te worden toegestaan. 7Toepasselijke wetsbepalingen De artikelen 45 en 311 Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 5 en 7 OLW. 8Beslissing STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the District Court in Slupsk, II Criminal Department (Polen) voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel
- e)van het EAB. Aldus gedaan door mr. M. van Mourik, voorzitter, mrs. E.G.M.M. van Gessel en J. van Zijl, rechters, in tegenwoordigheid van mr. H.L. van Loon, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 26 april 2022. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. HvJ EU 22 december 2017, C-571/17 PPU, ECLI:EU:C:2017:1026 (Ardic), punt 77)