← Nederland

ECLI:NL:RBAMS:2022:3041

RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13/752294-21 (EAB I) RK nummer: 22/1571 Datum uitspraak: 25 mei 2022 TUSSEN UITSPRAAK op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 22 maart 2022 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 10 november 2021 door het hof van beroep Antwerpen (België) maar de rechtbank begrijpt dat dit moet zijn door de substituut procureur-generaal bij het hof van beroep Antwerpen (België). Het EAB strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon] , geboren te [geboorteplaats] (Italië) op [geboortedag] 1973, ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres: [adres] , uit andere hoofde gedetineerd in het [detentieplaats] , hierna te noemen de opgeëiste persoon. 1Procesgang De vordering is behandeld op de openbare zitting van 11 mei 2022. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie, mr. K. van der Schaft. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman, mr. A.C. Vingerling, advocaat te Utrecht. Op grond van artikel 22, derde lid, OLW heeft de rechtbank de termijn waarbinnen zij op grond van het eerste lid van dit artikel uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd, omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen. 2Identiteit van de opgeëiste persoon De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij stateloos is. 3Grondslag en inhoud van het EAB In het EAB wordt melding gemaakt van een arrest van het hof van Beroep Antwerpen d.d. 09/09/2020 – C2 kamer, referentie 2018/PGA/1448 (Griffienummer: 976/2020). De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van vijf jaar. Van deze straf resteren volgens het EAB nog 1825 dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde arrest. Dit arrest betreft de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel

  1. e)van het EAB. 3.1 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een arrest terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat in het EAB onder rubriek
  2. d)optie 3.1a is aangekruist. Er heeft zich aldus een omstandigheid van artikel 12, sub a, OLW voorgedaan. De opgeëiste persoon is namelijk per aangetekend schrijven op 3 december 2019 gedagvaard. Hij heeft deze dagvaarding op 6 december 2019 in persoon ontvangen en getekend voor ontvangst. Hij is daarbij op de hoogte gebracht van het tijdstip en de plaats van het proces dat tot de beslissing heeft geleid en is ervan in kennis gesteld dat een beslissing kan worden gegeven wanneer hij niet op het proces verschijnt. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW doet zich dus niet voor. 4Strafbaarheid; feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a 2°, OLW zijn neergelegd. De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan. De feiten leveren naar Nederlands recht op: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder A van de Opiumwet gegeven verbod; medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod. 5Artikel 6a OLW; heropening onderzoek Uit de brief van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) van 24 maart 2022 blijkt dat de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd van de opgeëiste persoon bij beschikking van 1 december 2021 is ingetrokken en dat er een inreisverbod tegen hem is uitgevaardigd. De raadsman van de opgeëiste persoon heeft ter zitting aangegeven dat er een bezwaarprocedure loopt tegen de beschikking van 1 december 2021. Na sluiting van het onderzoek ter zitting heeft de raadsman op 18 mei 2022 via de e-mail een beschikking van 17 mei 2022 van de IND aan de rechtbank doen toekomen. Hieruit blijkt dat het bezwaar van de opgeëiste persoon tegen de intrekking van de verblijfsvergunning en het inreisverbod gegrond is verklaard. Verder is daarin vermeld dat de opgeëiste persoon sinds 13 november 1991 in het bezit is van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd De raadsman heeft de rechtbank verzocht om het onderzoek te heropenen. De officier van justitie heeft in reactie hierop per e-mail van 19 mei 2022 aangegeven dat het Openbaar Ministerie (OM) er geen bezwaar tegen heeft dat de rechtbank de beschikking van de IND van 17 mei 2022 meeneemt in haar overwegingen. Voorts zal het OM de IND benaderen in verband met de verwachting als bedoeld in artikel 6a, negende lid, OLW. De rechtbank overweegt dat de opgeëiste persoon, gelet op de voormelde beschikking van 17 mei 2022, zijn verblijfsrecht in Nederland heeft behouden. Daarmee ligt de vraag open of ten aanzien van de opgeëiste persoon de verwachting bestaat dat hij dit verblijfsrecht niet zal verliezen ten gevolge van de feiten in het voorliggende EAB. De rechtbank zal daartoe de officier van justitie in de gelegenheid stellen de IND hierover te bevragen. Het onderzoek zal daarom worden heropend. 6Beslissing HEROPENT en SCHORST het onderzoek ter zitting voor onbepaalde tijd, teneinde de officier van justitie in de gelegenheid te stellen aan de IND te vragen of de verwachting bestaat dat de opgeëiste persoon al dan niet zijn recht op verblijf in Nederland verliest ten gevolge van de in het EAB vermelde feiten; BEVEELT de oproeping van de opgeëiste persoon tegen een nader te bepalen datum en tijdstip, met tijdige kennisgeving daarvan aan zijn raadsman. Aldus gedaan door mr. M.C.M. Hamer, voorzitter, mrs. M.M.L.A.T. Doll en G.M. Beunk, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.W. van der Hoek, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 25 mei 2022. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.