RECHTBANK AMSTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: AMS 21/5567 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 mei 2022 in de zaak tussen [eiser] , te Amsterdam, eiser (gemachtigde: mr. I. Rhodes), en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder (gemachtigde: R. Hopster). Procesverloop Met een besluit van 21 december 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiser laten weten zijn WIA-aanvraag niet in behandeling te nemen. Met een besluit van 10 november 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser gegrond verklaard. Verweerder heeft daarbij het primaire besluit herroepen en beslist dat eiser vanaf 12 augustus 2020 recht heeft op een IVA-uitkering. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 maart
- Eiser was niet aanwezig. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen Wat aan deze procedure voorafging
- Eiser heeft gewerkt als wasser in een wasserette voor 65 uur per week. Hij heeft zich op 15 augustus 2018 ziekgemeld vanwege gezondheidsproblemen. Eiser heeft in eerste instantie op 30 november 2018 een WIA-aanvraag ingediend, die door verweerder met een besluit van 7 december 2018 is afgewezen omdat eiser zich bij de werkgever niet had ziekgemeld en aan eiser dan ook geen uitkering op grond van de Ziektewet was toegekend. Het bezwaar van eiser tegen die weigering is door verweerder ongegrond verklaard. Op 2 november 2020 heeft eiser opnieuw een WIA-uitkering aangevraagd. Met het primaire besluit heeft verweerder aan eiser laten weten zijn WIA-aanvraag niet in behandeling te nemen. Vervolgens heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep op 9 februari 2021 verzocht om alsnog een beoordeling uit te voeren, omdat is gebleken dat eiser toch een wachttijd van 104 weken heeft volgemaakt.
- Met het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser gegrond verklaard. Aan eiser is een IVA-uitkering toegekend per 12 augustus 2020 (datum in geding). Hieraan heeft verweerder het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 9 november 2021 en een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 2 november 2021 ten grondslag gelegd. Op basis van deze FML heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep onvoldoende passende voorbeeldfuncties kunnen vinden en daarom wordt eiser volledig en duurzaam arbeidsongeschikt geacht. Standpunt van eiser
- Eiser stelt zich op het standpunt dat zijn IVA-uitkering tegen een te vroege datum is toegekend. Verder vindt eiser de hoogte van de uitkering te laag. Volgens eiser dient het maatmaninkomen minimaal het minimumloon te bedragen. Het oordeel van de rechtbank
- Tussen partijen is niet in geschil dat eiser volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. De rechtbank dient de vraag te beantwoorden of de IVA-uitkering terecht per 12 augustus 2020 is toegekend en of de hoogte van de IVA-uitkering correct is vastgesteld. IVA-uitkering per juiste datum toegekend?
- Verweerder heeft ter zitting toegelicht hoe de ingangsdatum van de IVA-uitkering van eiser op 12 augustus 2020 is vastgesteld. Verweerder heeft hiervoor de WIA-aanvraag van eiser van 2 november 2020 gebruikt. Eiser heeft in zijn aanvraag zelf aangegeven per 15 augustus 2020 ziek te zijn. Hierna is de wachttijd doorlopen en vervolgens is aan eiser een IVA-uitkering toegekend per 12 augustus
- De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder de IVA-uitkering terecht per 12 augustus 2020 heeft toegekend. Hoogte IVA-uitkering correct vastgesteld?
- Zoals verweerder ter zitting nader heeft gemotiveerd zijn de gegevens uit de polis-administratie van eiser als uitgangspunt genomen bij de berekening van de hoogte van de IVA-uitkering. Verweerder heeft verder ten overvloede verklaard dat uit eigen beweging aan eiser een toeslag is toegekend, omdat de toegekende IVA-uitkering van eiser onder het sociaal minimum lag. De toegekende toeslag is niet hoog genoeg om op het sociaal minimum dat voor eiser geldt uit te komen. Verweerder wijst op de mogelijkheid voor eiser om een aanvullende bijstandsuitkering of IOWA-uitkering aan te vragen bij de gemeente. Niet duidelijk is of eiser van die mogelijkheid gebruik heeft gemaakt of dan wel maakt. Gelet op bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder de hoogte van de IVA-uitkering van eiser correct heeft vastgesteld. Conclusie
- Verweerder heeft de IVA-uitkering terecht per 12 augustus 2020 toegekend. Ook de hoogte van de IVA-uitkering is door verweerder juist vastgesteld. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt.
- Voor een veroordeling in de proceskosten en een vergoeding van het griffierecht is geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. F.P. Lauwaars, rechter, in aanwezigheid van mr.N. Bissumbhar, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 mei
- griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening. Aanvraag op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA). Uitkering op grond van de Inkomensvoorziening Volledig Arbeidsongeschikten (IVA). Uitkering op grond van de Inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOWA). Een IOAW-uitkering is een speciale bijstandsuitkering voor 50-plussers.