← Nederland

ECLI:NL:RBAMS:2022:3341

RECHTBANK AMSTERDAM Bestuursrecht zaaknummers: AMS 21/6033 en AMS 21/6034 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 juni 2022 in de zaak tussen [eiser] , te Amsterdam, eiser, gemachtigde: mr. G. Palanciyan, en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, verweerder, gemachtigde: mr. D. Ahmed. De rechtbank zal partijen hierna aanduiden als [eiser] respectievelijk het college. Procesverloop AMS 21/6033 Met een besluit van 25 mei 2021 heeft het college verstrekte voorschotten tot een bedrag van € 1.400,- van [eiser] teruggevorderd (het primaire besluit 1). Met een besluit van 16 november 2021 heeft het college het bezwaar van [eiser] tegen het primaire besluit 1 ongegrond verklaard (het bestreden besluit 1). [eiser] heeft tegen het bestreden besluit 1 beroep ingesteld. AMS 21/6034 Met een besluit van 12 juli 2021 heeft het college een aanvraag om bijstand van [eiser] afgewezen (het primaire besluit 2). Met een besluit van 16 november 2021 heeft het college het bezwaar van [eiser] tegen het primaire besluit 2 ongegrond verklaard (het bestreden besluit 2). In beide zaken Het college heeft een verweerschrift ingediend. De zaken zijn gevoegd behandeld op een zitting van 14 april

  1. [eiser] is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Het college is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Overwegingen Achtergrond van deze zaak
  2. [eiser] heeft op 3 maart 2021 een aanvraag om bijstand voor levensonderhoud op grond van de Participatiewet (PW) ingediend. Met besluiten van 22 maart 2021, 7 april 2021, 22 april 2021, 30 april 2021 en 12 mei 2021 heeft het college voorschotten verleend aan [eiser] van respectievelijk € 350,-, € 350,-, € 200,-, € 350,- en € 150,-.
  3. Met een besluit van 19 mei 2021 heeft het college de aanvraag van [eiser] van 3 maart 2021 afgewezen. [eiser] heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Met een besluit van 16 november 2021 heeft het college het bezwaar van [eiser] ongegrond verklaard. [eiser] heeft geen beroep ingesteld tegen het besluit van 16 november
  4. Met het primaire besluit 1 heeft het college de verstrekte voorschotten tot een bedrag van € 1.400,- van [eiser] teruggevorderd. [eiser] heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit
  5. Met het bestreden besluit 1 heeft het college het bezwaar van [eiser] ongegrond verklaard.
  6. Op 17 juni 2021 heeft [eiser] opnieuw een aanvraag om bijstand ingediend. Op het aanvraagformulier heeft [eiser] vermeld dat hij afwisselend verblijft op de adressen [adres 1] (vier dagen per week, van 21:00 uur tot 10:00 uur) en [adres 2] (drie dagen per week, van 22:00 uur tot 09:00 uur).
  7. Naar aanleiding van deze aanvraag heeft het college onderzoek verricht. Dit onderzoek bestond onder meer uit huisbezoeken door twee handhavingsspecialisten op de twee adressen die [eiser] op het aanvraagformulier heeft vermeld. De resultaten het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van bevindingen van 8 juli
  8. Met het primaire besluit 2 heeft het college de aanvraag van [eiser] afgewezen, omdat hij geen volledige inlichtingen heeft gegeven. [eiser] heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit
  9. Met het bestreden besluit 2 heeft het college het bezwaar van [eiser] ongegrond verklaard. Relevante regelgeving
  10. Voor de relevante regelgeving verwijst de rechtbank naar de bijlage bij deze uitspraak die deel uitmaakt van de uitspraak. Overwegingen in de zaak 21/6033 (terugvordering voorschotten)
  11. [eiser] voert aan dat het college onzorgvuldig heeft gehandeld door hem niet in de gelegenheid te stellen zijn standpunt naar voren te brengen.
  12. De rechtbank volgt [eiser] hierin niet. Uit het verslag van de hoorzitting blijkt dat op 28 oktober 2021 een telefonische hoorzitting heeft plaatsgevonden in de bezwaarprocedures tegen het besluit van 19 mei 2021 en tegen de primaire besluiten 1 en
  13. Aanvankelijk was een telefonische hoorzitting op 21 oktober 2021 gepland in het kader van de bezwaarprocedure tegen het besluit van 19 mei 2021, maar op verzoek van [eiser] zelf zijn de andere twee bezwaarprocedures daarbij betrokken. Het college heeft de hoorzitting daarom verplaatst naar 28 oktober
  14. Uit het verslag van de hoorzitting blijkt dat de terugvordering van de voorschotten daar verder niet is besproken, maar dat neemt niet weg dat [eiser] wel de gelegenheid heeft gehad om zijn bezwaar tegen de terugvordering van de voorschotten op de hoorzitting nader toe te lichten.
  15. Het college heeft de voorschotten verleend in de vorm van een renteloze geldlening. Niet in geschil is dat het college bevoegd was om de voorschotten terug te vorderen, omdat vast staat dat [eiser] vanaf 12 maart 2021 geen recht had op bijstand. Dit volgt uit het besluit van 19 mei 2021, dat is gehandhaafd met een besluit van 16 november
  16. Deze besluiten staan in rechte vast.
  17. [eiser] voert aan dat sprake is van dringende redenen om van terugvordering af te zien, zeker nu hij een schuld van meer dan € 280.000,- heeft. Het college is ten onrechte voorbijgegaan aan de psychische gevolgen van de terugvordering. De terugvordering is zwaar bij hem aangekomen, lichamelijk en geestelijk. Hij staat onder enorme psychische druk van schuldeisers en die druk is door de terugvordering alleen maar toegenomen. Verder voert [eiser] aan dat het college gebruik had moeten maken van haar bevoegdheid om van de beleidsregels af te wijken.
  18. De rechtbank vindt hier het volgende van. Volgens vaste rechtspraak doen dringende redenen zich alleen voor als de terugvordering onaanvaardbare sociale en/of financiële gevolgen voor de betrokkene heeft. Het moet dan gaan om gevallen waarin iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand is. In die gevallen zal een individuele afweging van alle relevante omstandigheden moeten plaatsvinden. Degene die zich beroept op dringende redenen, moet die redenen aannemelijk maken.
  19. [eiser] heeft niet met medische stukken onderbouwd dat hij toegenomen psychische klachten en lichamelijke klachten heeft als gevolg van de terugvordering van € 1.400,-. De rechtbank is dan ook niet gebleken dat hierin een dringende reden zou zijn gelegen om van terugvordering af te zien. Verder stelt de rechtbank vast dat het college geen beleid voert met betrekking tot het terugvorderen van voorschotten, zodat het daar ook niet van kan afwijken. Het college moet bij de invordering rekening houden met de beslagvrije voet, zodat [eiser] voldoende geld overhoudt om in zijn levensonderhoud te kunnen voorzien. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat het college in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van zijn bevoegdheid om de voorschotten terug te vorderen.
  20. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Overwegingen in de zaak 21/6034 (afwijzing van de aanvraag om bijstand van 17 juni 2021)
  21. De rechtbank moet beoordelen of het college de aanvraag van [eiser] om een bijstandsuitkering terecht heeft afgewezen. Daarbij stelt de rechtbank voorop dat de beoordelingsperiode in dit geval van 17 juni 2021 tot en met 12 juli 2021 loopt.
  22. Volgens vaste rechtspraak ligt het op de weg van de aanvrager van een bijstandsuitkering om de nodige duidelijkheid te verschaffen over zijn woon- en verblijfplaats en zijn woonsituatie. Ook van iemand die stelt dakloos te zijn, kan worden gevraagd dat hij controleerbare gegevens verstrekt over zijn feitelijke verblijfplaats. Als de aanvrager niet aan zijn verplichting voldoet om daarover juiste en volledige informatie te verschaffen, is dat een grond voor afwijzing van de aanvraag als het recht op bijstand daardoor niet kan worden vastgesteld.
  23. Uit het rapport van bevindingen van 8 juli 2021 blijkt dat de handhavingsspecialisten op 5, 6 en 7 juli 2021 een bezoek hebben gebracht aan de door [eiser] opgegeven adressen [adres 1] en [adres 2] en dat [eiser] daar telkens niet is aangetroffen. Het huisbezoek van 5 juli 2021 laat de rechtbank echter buiten beschouwing, omdat de handhavingsspecialisten deze adressen op die dag hebben bezocht ná de door [eiser] aangegeven vertrektijden. Op het formulier ‘Inlichtingen en opgave verblijflocatie(s) dak- en thuisloze’ heeft [eiser] namelijk vermeld dat hij verblijft op de [adres 1] (vier dagen per week, van 21:00 uur tot 10:00 uur) en [adres 2] (drie dagen per week, van 22:00 uur tot 09:00 uur), terwijl de handhavingsspecialisten op 5 juli 2021 pas om 09:15 uur hebben aangebeld op het adres [adres 2] en pas om 10:09 uur op het adres [adres 1] . Aan het feit dat [eiser] op 5 juli 2021 niet is aangetroffen op een van deze adressen kan dan ook niet de gevolgtrekking worden verbonden dat hij zich niet aan de inlichtingenplicht zou hebben gehouden. De huisbezoeken van 6 en 7 juli 2021 hebben echter wel plaatsgevonden vóór de door [eiser] genoemde vertrektijden. Op het adres [adres 2] werd beide keren niet opengedaan en op het adres [adres 1] vertelde de bewoonster, mevrouw [persoon] , beide keren dat [eiser] net weg was. Op de zitting heeft [eiser] gezegd dat hij eerder de deur uit was gegaan. Aangezien [eiser] op de door hem opgegeven tijdstippen niet aanwezig was op het adres [adres 1] heeft hij niet voldaan aan de op hem rustende inlichtingenplicht. Aangezien de handhavingsspecialisten hierdoor niet hebben kunnen controleren of en onder welke omstandigheden [eiser] op het adres [adres 1] verbleef, heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat het recht op bijstand niet is vast te stellen.
  24. [eiser] voert aan dat de deurbel op het adres de [adres 2] defect was, waardoor hij niet heeft kunnen reageren op het aanbellen. Hij vindt dat de handhavingsspecialisten hem op zijn mobiel hadden moeten bellen, zodat hij de deur had kunnen opendoen. Verder voert [eiser] aan dat het college rekening had moeten houden met zijn zware financiële problemen en zijn psychische en lichamelijke problemen.
  25. De rechtbank volgt het betoog van [eiser] niet. Uit de verklaring van [persoon] op 6 en 7 juli 2021 tegenover de handhavingsspecialisten (“Hij is net weg”) en uit de verklaring van [eiser] op de zitting (“Ik was toen eerder de deur uitgegaan”) is op te maken dat [eiser] op die data niet verbleef op het adres [adres 2] . Gelet hierop kan in het midden blijven of de bel op dat adres defect was en voor wiens risico dat moet komen. Verder volgt hieruit dat de beroepsgrond van [eiser] dat de handhavingsspecialisten hem op zijn mobiel hadden moeten bellen zodat hij had kunnen opendoen, niet slaagt. Hij was immers niet aanwezig op het adres [adres 2] . De rechtbank overweegt verder dat het college bij zijn besluitvorming geen rekening heeft hoeven houden met de financiële situatie en met de lichamelijke en psychische problemen van [eiser] . Bij dit soort besluiten heeft het college geen ruimte voor een belangenafweging.
  26. Gelet op het voorgaande heeft het college de aanvraag van [eiser] terecht afgewezen.
  27. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H.M. van de Ven, rechter, in aanwezigheid van mr. T.E. Bouwmeester, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 juni
  28. griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening. Bijlage Participatiewet Artikel 17
  29. De belanghebbende doet aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand. Artikel 58
  30. Het college van de gemeente die de bijstand heeft verleend kan kosten van bijstand terugvorderen, voorzover de bijstand: d. ingevolge artikel 52 bij wijze van voorschot is verleend en nadien is vastgesteld dat geen recht op bijstand bestaat.
  31. Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan het college besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. Op grond van artikel 58, tweede lid, aanhef en onder d, van de PW Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 22 februari 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:317 Datum aanvraag Datum van het primaire besluit Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 29 september 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:2568.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.