← Nederland

ECLI:NL:RBAMS:2022:3349

RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13/751713-21 RK nummer: 21/4786 Datum uitspraak: 7 juni 2022 UITSPRAAK op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 26 augustus 2021 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 2 juni 2021 door de Onderzoeksrechter Rechtbank eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent (België) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1987, ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres: [adres] , hierna te noemen de opgeëiste persoon. 1Procesgang De vordering is behandeld op de openbare zitting van 24 mei 2022. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. J.J.M. Asbroek. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman, mr. M.M. van der Marel, advocaat te Eindhoven. De rechtbank stelt vast dat in deze zaak de termijn van 90 dagen waarbinnen de rechtbank ex artikel 22 OLW op het overleveringsverzoek moet beslissen, reeds is verstreken. Dat betekent dat de rechtbank de beslistermijn niet meer kan verlengen en dat als gevolg daarvan geen grondslag meer bestaat voor gevangenhouding. 2Identiteit van de opgeëiste persoon De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft. 3Grondslag en inhoud van het EAB In het EAB wordt melding gemaakt van een aanhoudingsbevel van 2 juni 2021. De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Belgisch recht strafbare feiten. Deze feiten zijn omschreven in onderdeel

  1. e)van het EAB. 4Genoegzaamheid De raadsman heeft bepleit dat er onvoldoende grond bestaat voor de verdenking. De verdenking is gebaseerd op versleutelde communicatie via Encrochat. Het is zeer de vraag of deze wijze van bewijsvergaring rechtmatig is. Bovendien is het bewijs dat afkomstig is uit de versleutelde communicatie mager, het betreffen slechts vage verwijzingen naar de opgeëiste persoon. De raadsman heeft de rechtbank verzocht de overlevering te weigeren. De officier van justitie heeft de rechtbank verzocht de overlevering toe te staan. De rechtbank begrijpt het verweer van de raadsman als een beroep op de ongenoegzaamheid van het EAB. De rechtbank dient te beoordelen of het EAB voldoet aan de eisen gesteld in artikel 2, tweede lid, OLW. Naar het oordeel van de rechtbank is met de omschrijving van de feiten in onderdeel
  2. e)van het EAB voldoende duidelijk voor de opgeëiste persoon waarvoor zijn overlevering wordt verzocht en is het specialiteitsbeginsel gewaarborgd. Het is niet aan deze rechtbank, maar aan de rechter in België, om te oordelen over de gronden van de verdenking en de wijze van bewijsvergaring. De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman. 5Strafbaarheid Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit de strafbare feiten heeft aangeduid als feiten vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. De feiten vallen op deze lijst onder de nummers 1 en 5, te weten: deelneming aan een criminele organisatie; illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen. Uit het EAB volgt dat op de feiten naar het recht van België een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld. 6De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit. Zijn overlevering kan daarom worden toegestaan, indien naar het oordeel van de rechtbank is gewaarborgd dat, zo hij ter zake van de feiten waarvoor de overlevering kan worden toegestaan in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf wordt veroordeeld, hij deze straf in Nederland zal mogen ondergaan. Het Parket van de procureur des Konings Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, heeft bij brief van 10 februari 2022 de volgende garantie gegeven: In antwoord op uw brief inzake de overlevering van [opgeëiste persoon] (geboren op [geboortedag] -1987), sta ik u de garantie toe voor de terugkeer van de betrokkene naar uw land. Overeenkomstig artikel 5 §3 van het kaderbesluit dd. 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel houdt deze garantie in dat, eens betrokkene in België onherroepelijk tot een vrijheidsbenemende straf of maatregel is veroordeeld, deze persoon naar uw land wordt overgebracht teneinde deze straf of maatregel aldaar onder te gaan. Naar het oordeel van de rechtbank is de hiervoor vermelde garantie voldoende. 7Artikel 11 OLW: detentieomstandigheden Bij uitspraak van 22 juni 2021 heeft de rechtbank geoordeeld dat in België een reëel gevaar bestaat op een onmenselijke of vernederende behandeling voor gedetineerden die terecht komen in een instelling waar sprake is van grondslapers. Daardoor is de minimale persoonlijke ruimte van 3m2 in een meerpersoonscel niet langer is gewaarborgd. Dat geldt ook voor meerpersoonscellen waarin sprake is van niet-afgeschermde toiletten. Het gaat hier om de detentie-instellingen Antwerpen, Gent, Brugge, Oudenaarde, Hasselt, Dendermonde en Mechelen. Bij brief van 9 september 2021 heeft de Directeur-generaal bij het Directoraat-generaal Wetgeving, Fundamentele Rechten en Vrijheden, te Brussel de volgende algemene detentiegarantie gegeven: Als algemene regel, kunnen in België de volgende algemene waarborgen gegeven worden bij een overlevering in het kader van de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel: - De overgeleverde persoon zal in een cel worden opgesloten waarvan de oppervlakte en de inrichting beantwoordt aan de normen van het CPT van de Europese Raad (minimum 3m2). Dit zowel wanneer hij alleen verblijft in een cel als wanneer hij een daarvoor aangepaste en grotere cel deelt met een andere persoon. - De sanitaire blokken, doorgaans voorzien van een wasbak en toilet, zijn afgescheiden van de rest van de cel door een muur of door een scherm. Soms is er ook een douche voorzien. In dat geval is het sanitair complex afgescheiden van de rest van de cel. Eerder in deze brief is over gevangenissen waar gedetineerden op een extra matras slapen, ofwel waar de ‘grondslapers-problematiek’ zich voordoet, over de celruimte en de sanitaire blokken de volgende opmerking gemaakt: Bovendien garanderen wij dat in de gevangenissen waarin dit fenomeen zich voordoet, er zal op toegezien worden dat de overgeleverden niet zullen worden opgesloten in een dergelijke afdeling zodat de overgeleverde personen ten minste over 3m2 personal space beschikken exclusief de sanitaire blokken. In de uitspraak van 7 oktober 2021 heeft de rechtbank overwogen dat de hiervoor genoemde brief in elke overleveringszaak geldig is, en dat het om die reden niet noodzakelijk is dat voor elke individuele opgeëiste persoon een detentiegarantie wordt opgevraagd. De rechtbank gaat uit van de geboden zekerheid in de algemene detentiegarantie. De rechtbank oordeelt dat het reële gevaar op een onmenselijke of vernederende behandeling dat zij ten aanzien van voornoemde penitentiaire inrichtingen heeft aangenomen, hiermee voor de opgeëiste persoon is weggenomen. 8Slotsom Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW, er ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan en er geen sprake is van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven, dient de overlevering te worden toegestaan. 9Toepasselijke wetsartikelen De artikelen 2, 5, 6 en 7 OLW. 10Beslissing STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan de Onderzoeksrechter Rechtbank eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent (België) voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel
  3. e)van het EAB. Aldus gedaan door mr. J.G. Vegter, voorzitter, mrs. O.P.M. Fruytier en G.M. Beunk, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Dijk, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 7 juni 2022. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. Zie rechtbank Amsterdam 22 juni 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:3243. Zie rechtbank Amsterdam 7 oktober 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:5759. Zie Hof van Justitie van de Europese Unie, 25 juli 2018, zaak ML (C-220/18 PPU, ECLI:EU:C:2018:589), punt 114.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.