vonnis RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling Publiekrecht Teams Strafrecht Parketnummer: 13/241675-18 Datum uitspraak: 4 januari 2022 Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] ( [land van herkomst] ) op [geboortedag] 1985, wonende op het adres [adres 1] . 1Het onderzoek ter terechtzitting Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 21 december 2021. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. H. Hoekstra en van wat verdachte en zijn raadsvrouw mr. D. Bouwmeester naar voren hebben gebracht. Daarnaast heeft de rechtbank kennis genomen van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] en de ter terechtzitting gegeven toelichting door [naam 1] (slachtofferhulp Nederland). 2Tenlastelegging Aan verdachte is ten laste gelegd dat feit 1 hij op of omstreeks 6 juni 2018 te Amsterdam, door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid [benadeelde partij] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handelingen, immers heeft hij verdachte die [benadeelde partij] onverhoeds in haar bil geknepen, althans haar bil aangeraakt en/of heeft hij verdachte onverhoeds zijn hand in de broek van die [benadeelde partij] gedaan en/of in haar bil geknepen (artikel 246 van het Wetboek van Strafrecht (Sr)); feit 2 hij op of omstreeks 24 maart 2018 te Amsterdam, door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid [aangeefster] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handelingen, immers heeft hij, verdachte, onverhoeds zijn hand onder de rok van die [aangeefster] gedaan en/of haar vagina aangeraakt, in elk geval haar nabij haar vagina aangeraakt en/of haar billen vastgepakt, in elk geval aangeraakt (artikel 246 Sr). 3Voorvragen De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging. 4Waardering van het bewijs 4.1. Het standpunt van het Openbaar Ministerie De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van beide beschuldigingen. In de aangiftes van beide slachtoffers zitten opvallende overeenkomsten en ook waren zij beide geëmotioneerd bij het afleggen van hun verklaringen. Aangeefsters hebben beide, in de nachtelijke uren, gebruik gemaakt van de diensten van verdachte als taxichauffeur, waarna verdachte de aangeefsters bij het afzetten heeft betast. De verklaringen van aangeefsters vinden voldoende steun in overige stukken in het dossier. 4.2. Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft bepleit dat verdachte van beide beschuldigingen moet worden vrijgesproken, omdat het bewijs in beide zaken primair bestaat uit één verklaring van de desbetreffende aangeefster. Nu het bewijs dat verdachte een feit heeft begaan niet uitsluitend kan worden aangenomen op de verklaring van één getuige, kan in beginsel in geen van de zaken worden gekomen tot een bewezenverklaring. De raadsvrouw heeft voorts ten aanzien van het tweede feit betoogd dat in strijd is gehandeld met (dan wel is afgeweken van) de Aanwijzing auditief en audiovisueel registreren van verhoren van aangevers, getuigen en verdachten (hierna: AVR) en de Aanwijzing zeden. Er heeft geen informatief gesprek plaatsgevonden voor het opnemen van de aangifte op 24 maart 2018, er is geen bedenktijd geboden voor het doen van de aangifte en de aangifte is niet opgenomen door een gecertificeerde verbalisant van Team Zeden. Uit het proces-verbaal blijkt ook niet of, nu [aangeefster] enkel de Engelse taal spreekt, [aangeefster] met behulp van een tolk is gehoord. De aangifte is niet auditief geregistreerd en op de auditieve registratie van het later gevoerde informatieve gesprek was niets te horen. Daar komt bij dat [aangeefster] wisselend heeft verklaard, en op 19 april 2018 heeft aangegeven geen aangifte te willen doen, waardoor haar verklaring onbetrouwbaar is. Het gesprek van 19 april 2018 is niet geverbaliseerd. Door niet te handelen conform de AVR, de Aanwijzing zeden en de verbaliseringsplicht zijn de belangen van de verdediging veronachtzaamd. De aangifte moet daarom van het bewijs worden uitgesloten. Verdachte moet om deze redenen worden vrijgesproken van het ten laste gelegde feit 2. Wat betreft het eerste feit heeft de raadsvrouw betoogd dat ook in strijd met de Aanwijzing zeden is gehandeld. Zo vond het informatieve gesprek in hetzelfde gesprek plaats als de opname van de aangifte en is van het informatieve gesprek geen proces-verbaal opgemaakt. Voorts is de omschrijving van de toedracht is feitelijk gezien onmogelijk nu aangeefster volgens eigen zeggen een high waist skinny jeans droeg en ook hier is sprake van wisselende verklaringen. Verdachte moet daarom ook van het eerste feit worden vrijgesproken. 4.3. Het oordeel van de rechtbank 4.3.1. Beoordeling van het verweer van de raadsvrouw Het hierboven genoemde verweer van de raadsvrouw ten aanzien van feit 2 wordt door de rechtbank opgevat als een verweer op grond van artikel 359a Wetboek van Strafvordering (Sv). Indien binnen de door dit artikel bepaalde grenzen sprake is van een vormverzuim dat niet meer kan worden hersteld en de rechtsgevolgen daarvan niet uit de wet blijken, moet de rechter beoordelen of aan dat vormverzuim enig rechtsgevolg dient te worden verbonden en, zo ja, welk rechtsgevolg dan in aanmerking komt. Bij deze beoordeling dient de rechter rekening te houden met de in het tweede lid van artikel 359a Sv genoemde factoren. Het rechtsgevolg zal immers door deze factoren moeten worden gerechtvaardigd. De eerste factor is ‘het belang dat het geschonden voorschrift dient’. De tweede factor is ‘de ernst van het verzuim’. Bij de beoordeling daarvan zijn de omstandigheden van belang, waaronder het verzuim is begaan. Daarbij kan ook de mate van verwijtbaarheid van het verzuim een rol spelen. De derde factor is ‘het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt’. Bij de beoordeling daarvan is onder meer van belang of en in hoeverre de verdachte door het verzuim daadwerkelijk in zijn verdediging is geschaad. Vormverzuim De rechtbank overweegt dat aangeefster op 24 november 2018 aangifte heeft gedaan van aanranding. Dit betreft een zedenfeit waarop een maximale gevangenisstraf van 8 jaren staat. Om die reden is de AVR, zoals deze in 2018 gold, op onderhavige zaak van toepassing. In de AVR is opgenomen dat auditieve registratie van geplande verhoren van aangevers en getuigen verplicht is. In deze zaak is de politie na een melding van aanranding rond 4 uur ’s nachts naar een woning aan de [naam straat] gegaan. De politie heeft daar gesproken met aangeefster en haar direct overgebracht naar het politiebureau aan [lokatie politiebureau] in Amsterdam om een aangifte op te nemen. Hieruit volgt dat het verhoor van aangeefster niet van te voren was gepland en dat de AVR op de aangifte van 24 november 2018 geen betrekking heeft. Er is dan ook geen sprake van een vormverzuim. In de Aanwijzing Zeden is het volgende opgenomen: Voordat een aangifte wordt opgenomen, is er in beginsel eerst een informatief gesprek tussen de politie en de melder. Het informatief gesprek dient om de melder te informeren over de gevolgen van het doen van aangifte en de mogelijke impact van het strafrechtelijk traject. Na het informatief gesprek wordt een melder in beginsel een bedenktijd gegund voor het doen van aangifte. Dit geldt met name voor situaties waarin de melder en verdachte elkaar kennen. De rechtbank leest in de bewoordingen “in beginsel” dat het voeren van een informatief gesprek en het geven van bedenktijd geen verplichting is en dat hiervan kan worden afgeweken. Nu er geen sprake is van een verplichting, kan er naar het oordeel van de rechtbank ook geen sprake zijn van een verzuim. Het informatieve gesprek met aangeefster [aangeefster] heeft wel plaatsgehad na het opmaken van de aangifte, op 26 april 2018. In dat gesprek heeft zij aangegeven te willen nadenken of zij aangifte wilde doen. Uit het relaas van het procesdossier blijkt dat aangeefster op 19 april 2018 te kennen heeft gegeven geen aangifte te willen doen. Zij gaf aan dat zij het strafrechtelijk traject niet aan te kunnen vanwege een eerder meegemaakt incident. Van dit gesprek is geen apart proces-verbaal opgemaakt. Dat laatste acht de rechtbank in strijd met de verbaliseringsplicht ex artikel 152 Sv, dat voorschrijft dat zo spoedig mogelijk proces-verbaal wordt opgemaakt van hetgeen tot opsporing is verricht of bevonden en waarvan het belang is dat de rechtmatigheid daarvan kan worden getoetst en de rechter zich een oordeel kan vormen over de betrouwbaarheid van de resultaten daarvan. Dit geconstateerde verzuim raakt aan één van de fundamentele taken van de verdediging, namelijk de mogelijkheid om het optreden van de opsporingsambtenaren op juistheid en volledigheid te kunnen controleren. Gevolgen vormverzuim De raadsvrouw heeft betoogd dat mede door dit verzuim bewijsuitsluiting van de aangifte moet volgen. Voor de toepassing van bewijsuitsluiting op grond van artikel 359a Sv geldt als voorwaarde dat het bewijsmateriaal door het verzuim is verkregen. De bewijsverkrijging zal dus het rechtstreeks gevolg van de onrechtmatigheid moeten zijn. Nu in dit geval de aangifte van 24 maart 2018 niet is verkregen door het verzuim van het niet opmaken van een apart proces-verbaal van het gesprek van 19 april 2018 zal de rechtbank het laten bij constateren van het verzuim dat niet is voldaan aan de verbaliseringsplicht. De aangifte is derhalve voor het bewijs te gebruiken. Opmerkingen raadsvrouw feit 1 De raadsvrouw heeft geen conclusie verbonden aan haar opmerkingen dat ook ten aanzien van feit 1 is gehandeld in strijd met de Aanwijzing zeden en de verbaliseringsplicht, zodat dit verder geen bespreking behoeft. De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit. 4.3.2. Ten aanzien van feit 1 Aangeefster [benadeelde partij] heeft verklaard dat zij op 6 juni 2018 om 01:06 uur een [naam taxi] taxi heeft gepakt op [straatnaam 1] , richting [straatnaam 2] in Amsterdam. De chauffeur was genaamd [verdachte] . [benadeelde partij] verklaarde verder dat zij in de auto naast de chauffeur is gaan zitten. Zij had een kleine koffer bij zich die zij op de achterbank had gelegd. Het was een korte rit van ongeveer 5 minuten. [benadeelde partij] heeft de chauffeur bedankt en is uitgestapt. Op het moment dat zij haar koffer wilde pakken en het rechter achter portier opende, stapte de chauffeur ook uit. De chauffeur was snel bij [benadeelde partij] . Zij voelde vervolgens dat hij haar bij haar billen greep. De chauffeur stond heel dicht bij [benadeelde partij] en kneep toen in haar linker bil. [benadeelde partij] heeft de hand van de chauffeur weggeslagen. [benadeelde partij] bukte vervolgens voorover om haar koffer te pakken waarbij de chauffeur zijn hand en zijn volledige arm in de broek van [benadeelde partij] deed en hij nogmaals in haar kont kneep, maar nu aan de onderkant op mijn blote huid. [benadeelde partij] sloeg verdachte naar zijn hand waarop hij zijn hand uit haar broek haalde. [benadeelde partij] wilde zo snel mogelijk weg bij de chauffeur. Zij is haar woning in gegaan, is de trappen opgerend en is in haar woning in huilen uitgebarsten. [benadeelde partij] heeft in het donker gewacht op haar vriendin ( [getuige] ), van wie zij wist dat zij snel thuis zou komen. [benadeelde partij] heeft [getuige] als eerste verteld wat er was gebeurd. De volgende dag heeft [benadeelde partij] aangifte gedaan en een klacht ingediend bij [naam taxi] . De getuige [getuige] heeft verklaard dat zij met [benadeelde partij] wat was gaan drinken en dat [benadeelde partij] vanaf [straatnaam 1] een [naam taxi] taxi had gepakt naar huis. [getuige] is op de fiets naar huis gegaan. Zij zijn huisgenoten. [getuige] verklaarde verder dat toen zij thuis kwam [benadeelde partij] overstuur en in tranen was omdat de taxichauffeur haar had aangeraakt bij haar kruis. Toen [getuige] binnenkwam in de woning stond [benadeelde partij] binnen met haar tas nog om. Het licht was nog uit en de deur stond open. Het was overduidelijk voor [getuige] dat er iets was. [benadeelde partij] vertelde toen huilend dat de taxichauffeur aan haar kont had gezeten. [benadeelde partij] heeft bij haar aangifte de gegevens van de taxichauffeur die zij via [naam taxi] had verkregen aan de politie gegeven. Uit opgevraagde gegevens van [naam taxi] blijkt de taxichauffeur te zijn genaamd [verdachte] . Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij zich herkent in de foto van het [account taxibedrijf] , die bij de aangifte is gevoegd en dat hij de betreffende rit heeft gemaakt. 4.3.3. Ten aanzien van feit 2 Op 24 maart 2018 begaven verbalisanten zich naar het adres [adres 2] in Amsterdam alwaar de melder zou zijn aangerand door een taxichauffeur. In de woning troffen de verbalisanten aangeefster [aangeefster] en haar vriend aan. Verbalisanten zagen dat de vrouw zichtbaar huilde en gehuild had. Zij had rode ogen en zwarte mascara op haar wangen. Ook zaten er natte plekken op haar shirt. Aangeefster verklaarde dat zij die avond met een collega genaamd [naam 2] in een bar was geweest aan [straatnaam 3] in Amsterdam. [naam 2] had voor haar een [naam taxi] taxi besteld, die iets na 02:30 uur arriveerde. [aangeefster] is alleen in de taxi gestapt. Toen de taxi tot stilstand kwam ter hoogte van de woning van [aangeefster] aan de [adres 2] stapte zij uit. De taxichauffeur stapte vervolgens ook uit. [aangeefster] verklaarde dat de taxichauffeur haar opeens tegen de taxi aanduwde en dat hij met zijn andere hand onder haar rok ging. Zij voelde dat hij met zijn andere hand haar vol bij haar kruis beet pakte. [aangeefster] heeft zichzelf losgetrokken en is snel de beneden deur van de portiek binnengegaan. Op de gegevens van de [naam taxi] rit is te zien dat de rit is uitgevoerd door een persoon genaamd: [verdachte] . In de aangifte heeft [aangeefster] aanvullend verklaard dat de taxichauffeur ineens voor haar stond en onder haar rok naar haar kruis greep. Zij voelde zijn hand bij haar vagina. Zij schrok en draaide zich om. Zij voelde toen dat hij opnieuw met zijn hand onder haar rok ging en haar billen vastpakte. [aangeefster] heeft de gegevens van de taxichauffeur die zij via [naam taxi] had verkregen aan de politie gegeven. Uit opgevraagde gegevens van [naam taxi] blijkt de taxichauffeur te zijn genaamd [verdachte] . Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij, gelet op de gegevens verstrekt door [naam taxi] , deze rit zal hebben gemaakt, maar dat hij zich dat niet meer herinneren. 4.3.4. Conclusie ten aanzien van feit 1 en 2 De rechtbank acht de verklaringen van de aangeefsters [benadeelde partij] en [aangeefster] betrouwbaar. De verklaringen zijn gedetailleerd en zijn ieder kort na de incidenten afgelegd. Beide aangeefsters werden onverhoeds betast door de taxichauffeur. Uit de overige (hiervoor aangehaalde) verklaringen in het dossier blijkt verder dat beide aangeefsters erg geëmotioneerd waren toen zij vertelden over de gebeurtenissen. Dit gegeven biedt voldoende ondersteuning voor hun verklaringen. De rechtbank stelt, op grond van de verklaringen van aangeefsters, de gegevens die zij over de [naam taxi] chauffeur hebben overhandigd aan de politie, de door [naam taxi] verstrekte gegevens over de identiteit van de chauffeur en de verklaring van verdachte ter zitting, ook vast dat verdachte de taxichauffeur was die de aangeefsters heeft aangerand. De rechtbank acht bewezen dat verdachte (onder feit 1) [benadeelde partij] op 6 juni 2018 in haar bil heeft geknepen en zijn hand in de broek van die [benadeelde partij] heeft gedaan en in haar bil heeft geknepen. Voorts acht de rechtbank bewezen dat verdachte (onder feit 2) bij [aangeefster] op 24 maart 2018 zijn hand onder haar de rok heeft gedaan en haar vagina heeft aangeraakt en haar billen heeft vastgepakt. Verdachte heeft de aangeefsters door geweld en/of een andere feitelijkheid gedwongen tot het ondergaan van de ontuchtige handelingen. Hij heeft beide aangeefster immers onverhoeds aangerand, waardoor zij zich hiertegen niet konden verweren. Het feit dat aangeefster [aangeefster] op 19 april 2018 aan de politie heeft laten weten dat zij – toch – geen aangifte wilde doen, maakt niet dat de aangifte die direct na het begane feit is gedaan niet voor het bewijs kan worden gebruikt. Aangeefster heeft als reden opgegeven het strafrechtelijk traject niet aan te kunnen. De inhoud en de betrouwbaarheid van de gedane aangifte zijn daarmee niet anders geworden. 4.3.5. Voorwaardelijk verzoek tot het horen van aangeefsters [benadeelde partij] en [aangeefster] De raadsvrouw heeft bij pleidooi het voorwaardelijk verzoek gedaan tot het nader horen van aangeefsters [benadeelde partij] en [aangeefster] . Procesverloop Op 21 mei 2019 heeft een regiezitting plaatsgevonden waarbij de raadsvrouw van verdachte, mr. B.E.J. Torny aanwezig was. Zij had op voorhand kenbaar gemaakt dat zij de audio-opnamen van de aangifte van [benadeelde partij] , de getuigenverklaring van [getuige] alsmede de auditief geregistreerde aangifte van [aangeefster] uit wilde te luisteren. Ter zitting van 21 mei 2019 heeft de raadsvrouw gesteld dat zij naast voornoemde verzoeken geen andere onderzoekswensen heeft. Wel heeft zij aangevoerd dat zij mogelijk nog zal verzoeken de aangeefsters te horen. Om die reden heeft zij verzocht de zaak open te verwijzen naar de rechter-commissaris. De rechtbank heeft de zaak vervolgens open verwezen naar de rechter-commissaris en heeft de raadsvrouw verzocht eventuele nadere onderzoekswensen zo spoedig mogelijk in te dienen. De raadsvrouw heeft geen verzoeken ingediend bij de rechter-commissaris. De rechtbank constateert dat de raadsvrouw ter zitting van 21 december 2021 het voorwaardelijk verzoek heeft gedaan de aangeefsters nader te horen. De raadsvrouw heeft daarbij aangevoerd dat, na het uitluisteren van de verhoren, de eerder bij het dossier geplaatste vraagtekens niet zijn weggenomen wat tot gevolg heeft dat verdachte moet worden vrijgesproken en dat wanneer de rechtbank daarin niet meegaat het voorwaardelijk verzoek tot het horen van de aangeefsters wordt gedaan. Beoordeling van het verzoek Opmerking vooraf De rechtbank stelt voorop dat de verdediging het recht heeft om getuigen te doen horen die in het belang van de verdediging worden geacht. Dat recht is echter niet onbeperkt en mag worden begrensd in het belang van een goede procesorde (“proper administration of justice”, EHRM 14 februari 2008, 66802-01, Dorokhov). Beoordelingskader Uit het Keskin arrest (EHRM 19 januari 2021, 2205/16) en de daaropvolgende post-Keskin arresten van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2021:576 en ECLI:NL:HR:2021:1930) volgt dat in bepaalde gevallen het belang van de verdediging bij het oproepen en horen van een getuige moet worden voorondersteld, zodat van de verdediging geen nadere onderbouwing van dit belang mag worden verlangd. In dat geval kan de verdachte ook niet worden tegengeworpen dat hij zich beroept op zijn zwijgrecht. Het moet dan gaan om: een getuige ten aanzien van wie de verdediging het ondervragingsrecht nog niet heeft kunnen uitoefenen; terwijl deze getuige al een verklaring heeft afgelegd met een belastende strekking; en die verklaring door de rechter voor het bewijs van het ten laste gelegde feit zou kunnen worden gebruikt. Het voorgaande betekent niet dat elk verzoek tot het oproepen en horen van een getuige die al een belastende verklaring heeft afgelegd, door de rechter zonder meer moet worden toegewezen. Een dergelijk verzoek tot het horen van een belastende getuige kan worden afgewezen als het onaannemelijk is dat de getuige binnen een aanvaardbare termijn kan worden gehoord en er een gegrond vermoeden bestaat dat de gezondheid of het welzijn van de getuige in gevaar wordt gebracht. In de rechtspraak van het EHRM zijn onder meer deze gronden erkend als goede reden voor het niet oproepen en horen van een getuige. Verder verzet artikel 6 EVRM zich er niet tegen dat de rechter het verzoek afwijst als het oproepen en horen van een getuige onmiskenbaar irrelevant of overbodig (“manifestly irrelevant or redundant”) is, omdat het (opnieuw) horen van de getuige voor de bewijsvoering van geen enkel belang zal zijn of geen toegevoegde waarde zal hebben. Dat kan zich bijvoorbeeld voordoen indien de al door de getuige afgelegde verklaring betrekking heeft op feiten en omstandigheden die door de verdachte niet worden betwist of als die feiten en omstandigheden door andere resultaten van het strafrechtelijk onderzoek al buiten redelijke twijfel zijn komen vast te staan. Voor het oordeel dat zich een dergelijke situatie voordoet, zijn onder meer van belang de inhoud van de in de tenlastelegging tot uitdrukking gebrachte beschuldiging, de andere resultaten van het strafrechtelijk onderzoek die zich in het procesdossier bevinden, zoals verklaringen van andere getuigen, en de procesopstelling van de verdachte, een en ander in het licht van het verhandelde ter terechtzitting waaronder wat daar mogelijkerwijs nog door de verdediging naar voren is gebracht over het doel van de beoogde ondervraging. De voor het Nederlandse stelsel kenmerkende omstandigheid dat de rechter in de loop van het strafproces beslissingen neemt over het oproepen en horen van getuigen, is niet alleen van betekenis bij de beoordeling van getuigenverzoeken, maar ook bij de eindbeoordeling van de zaak. Zoals in het arrest van de Hoge Raad van 4 juli 2017 (ECLI:NL:HR:2017:1015) is overwogen, moet de rechter voordat hij einduitspraak doet, nagaan of de procedure in haar geheel voldoet aan het door artikel 6 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces. Deze wijze van beoordeling sluit aan bij de drie stappen die in de rechtspraak van het EHRM deel uitmaken van de beoordeling of, in gevallen waarin de verdediging niet een behoorlijke en effectieve mogelijkheid heeft gehad om het ondervragingsrecht uit te oefenen, het proces als geheel eerlijk is verlopen. Van belang hierbij zijn: (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.