← Nederland

ECLI:NL:RBAMS:2022:3431

RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13/751150-22 RK nummer: 22/1469 Datum uitspraak: 13 juni 2022 UITSPRAAK op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 17 maart 2022 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 29 november 2021 door de Sąd Okręgowy w Gliwicach (Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon] , geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1990, ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres: [adres opgeëiste persoon] . hierna te noemen de opgeëiste persoon. 1Procesgang Zitting 19 mei 2022 De vordering is behandeld op de openbare zitting van 19 mei 2022. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie, mr. M. Westerman. De opgeëiste persoon is bijgestaan door haar raadsman, mr. V.G. Kraal, advocaat te Amsterdam en door een tolk in de Poolse taal. Op grond van artikel 22, derde lid, OLW heeft de rechtbank de termijn waarbinnen zij op grond van het eerste lid van dit artikel uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting voor bepaalde tijd geschorst teneinde de raadsman in de gelegenheid te stellen om het gelijkstellingsverweer nader te onderbouwen en kennis te nemen van een proces-verbaal dat door de officier van justitie op de zitting is overgelegd, te weten: het proces-verbaal van bevindingen met BVH nummer 2020227157 / 2022050543 van 22 maart 2022, in wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant] (betreft: Onderzoek Flota, internationaal rechtshulpverzoek Polen, hierna: het proces-verbaal van 22 maart 2022). Zitting 1 juni 2022 De behandeling van de vordering is, met toestemming van partijen, in gewijzigde samenstelling voortgezet op de openbare zitting van 1 juni 2022 in tegenwoordigheid van de officier van justitie, mr. C.L.E. McGivern. De opgeëiste persoon is bijgestaan door haar raadsman, mr. V.G. Kraal, advocaat te Amsterdam en door een tolk in de Poolse taal. 2Identiteit van de opgeëiste persoon De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat zij de Poolse nationaliteit heeft. 3Grondslag en inhoud van het EAB In het EAB wordt melding gemaakt van een beslissing van de Sąd Rejonowy w Gliwicach van 4 november 2021, referentienummer: III Kp 717/21 (to case number PO I Ds. 26.2021 in the Circuit Prosecutor's Office in Gliwice). De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een Pools recht strafbaar feit. Dit feit is omschreven in onderdeel

  1. e)van het EAB. 4Strafbaarheid: Feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit het strafbare feit heeft aangeduid als een feit vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. Het feit valt op deze lijst onder nummer 5, te weten: illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen. Uit het EAB volgt dat op dit feit naar het recht van Polen een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld. 5De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW De opgeëiste persoon heeft niet de Nederlandse, maar wel de Poolse nationaliteit. Dat betekent dat zij, om in aanmerking te komen voor een terugkeergarantie van de Poolse autoriteit als bedoeld in artikel 6, derde lid, van de OLW, moet voldoen aan de voorwaarden voor gelijkstelling met een Nederlander, die in artikel 6, derde lid, van de OLW zijn neergelegd: ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig verblijf in Nederland als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000; vervolgingsmogelijkheid in Nederland voor de feiten die aan het Europees aanhoudingsbevel ten grondslag liggen; ten aanzien van de opgeëiste persoon bestaat de verwachting dat zij niet haar recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van een haar na overlevering opgelegde straf of maatregel. De rechtbank is van oordeel dat de door de verdediging ingebrachte jaaropgaven, arbeidsovereenkomsten en huurcontracten genoegzaam aantonen dat de opgeëiste persoon ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland heeft verbleven. Uit deze stukken kan worden afgeleid dat de opgeëiste persoon – zoals zij ook zelf heeft verklaard – in de periode 2017 tot en met 2021 daadwerkelijk in Nederland heeft gewoond en gewerkt. De rechtbank is daarnaast van oordeel dat de opgeëiste persoon in Nederland kan worden vervolgd voor de feiten welke aan het EAB ten grondslag liggen. Gelet hierop stelt de rechtbank – met de officier van justitie en de raadsman – vast dat is voldaan aan de hiervoor onder 1 en 2 genoemde voorwaarden voor gelijkstelling met een Nederlander. Uit de informatie van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (hierna: IND) van 25 mei 2022 blijkt echter dat niet aan de derde voorwaarde is voldaan. Daarin wordt namelijk de verwachting uitgesproken dat de opgeëiste persoon in beginsel haar verblijfsrecht zal verliezen ten gevolge van de vervolging van het feit in Polen. De IND merkt op dat voor een precieze beoordeling inhoudelijke informatie over de strafzaak nodig is, maar dat de delictsomschrijving, de vermelding dat het om grote hoeveelheden verdovende middelen gaat, de maximumstraf en de voorziene eis wijzen op ernstige feiten. Daarnaast staat artikel 3.86 van het Vreemdelingenbesluit 2000 niet aan verblijfsbeëindiging in de weg. Standpunt van de verdediging De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de behandeling van het overleveringsverzoek dient te worden aangehouden, teneinde nogmaals een advies van de IND en – daarop aansluitend - een terugkeergarantie aan de Poolse autoriteiten op te vragen. De IND is op basis van verkeerde informatie tot de conclusie is gekomen dat de opgeëiste persoon haar verblijfsrecht in Nederland verliest. Het Openbaar Ministerie heeft in het adviesverzoek aan de IND van 25 mei 2022 meegedeeld dat de maximale strafbedreiging zes jaar bedraagt, maar gezien de geringe ernst van het feit dient te worden uitgegaan van twee (of maximaal drie) jaren. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het advies van de IND volstaat. Er is geen reden om te twijfelen aan de informatie die door het Openbaar Ministerie aan de IND is verstrekt. Oordeel van de rechtbank De rechtbank is van oordeel dat de opgeëiste persoon niet kan worden gelijkgesteld met een Nederlander. De rechtbank heeft kennisgenomen van het verzoek om informatie van het Openbaar Ministerie van 25 mei 2022, gericht aan de IND. De rechtbank ziet in dit verzoek geen aanleiding om ervan uit te gaan dat de IND bij het formuleren van de verwachting over het verlies van het verblijfsrecht is uitgegaan van onjuiste informatie. De rechtbank volgt dan ook het advies van de IND. Nu niet is voldaan aan de derde voorwaarde, zal de rechtbank de opgeëiste persoon dan ook niet gelijkstellen met een Nederlander in de zin van artikel 6, derde lid, OLW. De rechtbank verwerpt het verweer. 6Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13 OLW Het EAB heeft betrekking op een feit dat geacht wordt geheel op Nederlands grondgebied te zijn gepleegd. Op grond van artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW kan de rechtbank de overlevering in die situatie weigeren. De officier van justitie heeft de rechtbank in overweging gegeven om af te zien van toepassing van de weigeringsgrond en heeft daartoe het volgende aangevoerd: het onderzoek ziet op meerdere verdachten, waarvan een deel is aangehouden in Polen; Polen heeft groot belang bij vervolging van de strafbare feiten, en: het Openbaar Ministerie is niet voornemens de opgeëiste persoon in Nederland te vervolgen. De rechtbank stelt voorop dat: - aan de regeling van het EAB ten grondslag ligt dat overlevering de hoofdregel is en toepassing van een facultatieve weigeringsgrond de uitzondering dient te zijn; - de weigeringsgrond ertoe strekt te voorkomen dat Nederland zou moeten meewerken aan overlevering voor een zogenoemd lijstfeit dat geheel of ten dele in Nederland is gepleegd en dat hier niet strafbaar is of hier niet pleegt te worden vervolgd. Gelet op de door de officier van justitie aangevoerde argumenten en vanwege de omstandigheden dat uit het proces-verbaal van 22 maart 2022 blijkt dat de verdenking onderdeel uitmaakt van feiten gepleegd door een grotere organisatie die vermoedelijk opereert vanuit Polen vormt daarom het gegeven dat het feit wordt geacht geheel in Nederland te zijn gepleegd naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende aanleiding om de weigeringsgrond toe te passen. 7 7. Artikel 11 OLW Standpunt van de verdediging De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering dient te worden geweigerd, nu er een reëel gevaar bestaat op schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. De Poolse autoriteiten hebben niet gereageerd op het verzoek om een Poolse advocaat aan te wijzen ex artikel 21a OLW en er wordt vanuit de Poolse autoriteiten geen informatie verschaft aan de opgeëiste persoon. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering dient te worden toegestaan. Er zijn door de verdediging onvoldoende elementen aangevoerd die doen vrezen dat de opgeëiste persoon het risico loopt dat zij in haar concrete strafzaak in Polen wordt geconfronteerd met niet-onafhankelijke rechtspraak. Oordeel van de rechtbank De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat – noch die doen vermoeden dat – die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed zullen hebben op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld en bestaat er ook geen aanleiding om aanvullende gegevens op te vragen. 8Slotsom Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW, er ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan en er geen sprake is van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven, dient de overlevering te worden toegestaan. 9Toepasselijke wetsartikelen De artikelen 2, 5, 7 en 13 van de OLW. 10Beslissing STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan de Sąd Okręgowy w Gliwicach (Polen) voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel
  2. e)van het EAB. Aldus gedaan door mr. J.G. Vegter, voorzitter, mrs. J.P.W. Helmonds en C. Klomp, rechters, in tegenwoordigheid van mr. D. Gigengack, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 13 juni 2022. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4. . Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1793, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (Openbaar Ministerie (Recht op een gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld in de uitvaardigende lidstaat)).

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.