← Nederland

ECLI:NL:RBAMS:2022:3728

RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13/088197-22 (EAB II) RK nummer: 22/2159 Datum uitspraak: 28 juni 2022 UITSPRAAK op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 20 april 2022 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 11 september 2019 door Okresní soud ve Zlínĕ (Districtsrechtbank te [geboorteplaats] ) (Tsjechië) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1985, zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, uit anderen hoofde gedetineerd in [naam PI] , hierna te noemen de opgeëiste persoon. 1Procesgang De vordering is behandeld op de openbare zitting van 14 juni 2022. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie, mr. C.L.E. McGivern. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn advocaat, mr. M.G. Cantarella, advocaat te Den Haag, en door een tolk in de Tsjechische taal. Op grond van artikel 22, derde lid, OLW heeft de rechtbank de termijn waarbinnen zij op grond van het eerste lid van dit artikel uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd, omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen. 2Identiteit van de opgeëiste persoon De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Tsjechische nationaliteit heeft. 3Grondslag en inhoud van het EAB In het EAB wordt melding gemaakt van een arrestatiebevel van de Districtsrechtbank te Zlín (Okresní soud ve Zlínĕ) d.d. 7 maart 2019, dossiernummer 34 T 195/2018-157. Uit de aanvullende informatie van 25 mei 2022 volgt dat, hoewel er al vonnis is gewezen in deze zaak en de opgeëiste persoon tot een gevangenisstraf van 13 maanden is veroordeeld, de grondslag voor het EAB het genoemde nationale arrestatiebevel is. Het vonnis is namelijk (nog) niet voor tenuitvoerlegging vatbaar omdat het nog niet aan de opgeëiste persoon uitgereikt is. De rechtbank merkt het EAB daarom aan als een EAB dat strekt tot (verdere) vervolging van de opgeëiste persoon. De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Tsjechisch recht strafbaar feiten. De feiten zijn omschreven in onderdeel

  1. e)van het EAB. 4Strafbaarheid; feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, onder a 2°, OLW zijn neergelegd. De rechtbank stelt vast dat voor feit 1 hieraan is voldaan. De rechtbank stelt vast dat feit 2 volgens het Tsjechische recht een maximale straf kent van drie maanden. Er is daarmee niet voldaan aan artikel 7, eerste lid, onder a 2°, OLW. Dit feit is naar Nederlands recht strafbaar. Artikel 7, vierde lid, OLW is in dit geval van toepassing waardoor ook de overlevering voor feit 2 kan worden toegestaan. De feiten leveren naar Nederlands recht op: mishandeling; diefstal. 5Medische omstandigheden van de opgeëiste persoon De advocaat heeft aangevoerd dat de opgeëiste persoon een zwaar ongeluk heeft gehad en daardoor een heup moet missen. Bij overlevering vreest de opgeëiste persoon dat hij in Tsjechië in detentie niet de medische behandeling zal krijgen die hij nodig heeft. De advocaat wijst hierbij op het rapport van Europees Comité voor de Preventie van Foltering en Onmenselijke of Vernederende Behandeling of Bestraffing (CPT) van 2019. Er moeten daarom nadere vragen worden gesteld over de medische staf en de mogelijkheid van behandeling in de gevangenis waar de opgeëiste persoon zal worden gedetineerd. De rechtbank ziet met de officier van justitie geen aanleiding om nadere vragen te stellen over de medische staf en behandeling in de gevangenis. De rechtbank beschikt niet over objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens waaruit volgt dat sprake is van een algemeen gevaar voor een onmenselijke of vernederende behandeling voor gedetineerden in Tsjechische detentie, ook niet wanneer zij medische problemen hebben. Gelet op het gegeven kader in de uitspraak Aranyosi en Căldăraru (C-404/15 en C-659/15 PPU, ECLI:EU:C:2016:198), komt de rechtbank dan ook niet toe aan de vraag of de opgeëiste persoon bij overlevering aan Tsjechië een individueel gevaar loopt op een onmenselijke of vernederende behandeling in detentie. De medische gesteldheid van de opgeëiste persoon kan niet leiden tot weigering van de overlevering, maar kan mogelijk een rol spelen bij de afweging of feitelijke overlevering (tijdelijk) achterwege zou moeten blijven. Als de rechtbank de overlevering toestaat, dan is het naar de letter van artikel 35 OLW aan de officier van justitie om te beoordelen of de medische omstandigheden tot uitstel van de feitelijke overlevering zouden kunnen leiden. 6Slotsom Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW, er ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan en er geen sprake is van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven, dient de overlevering te worden toegestaan. In gevallen als deze, waarin tegen dezelfde opgeëiste persoon meerdere EAB’s zijn uitgevaardigd en de behandeling van één van de vorderingen is aangehouden in afwachting van antwoorden op nadere vragen – namelijk het EAB met parketnummer 13/083225-22 (EAB I), ligt de machtiging van de rechtbank aan de officier van justitie om de feitelijke overlevering te bewerkstelligen pas besloten in de einduitspraak met betrekking tot EAB I (behoudens eerdere intrekking van EAB I of van de met betrekking tot dat EAB gedane vordering als bedoeld in artikel 23, tweede lid, OLW). 7Toepasselijke wetsbepalingen De artikelen 300 en 310 Wetboek van Strafrecht en 2, 5 en 7 OLW. 8Beslissing STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan Okresní soud ve Zlínĕ (Districtsrechtbank te Zlín) (Tsjechië) voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel
  2. e)van het EAB. BEPAALT dat de machtiging aan de officier van justitie om de feitelijke overlevering te bewerkstelligen pas besloten ligt in de einduitspraak inzake het EAB met parketnummer 13/083225-22 (EAB I) zoals hiervoor bedoeld. Aldus gedaan door mr. M.E.M. James-Pater, voorzitter, mrs. M.C.M. Hamer en W.B. van Bockel, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.W. van der Hoek, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 28 juni 2022. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. Rechtbank Amsterdam 25 november 2020, ECLI:NL:RBAMS:2020:5778.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.