RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13/751050-22 RK nummer: 22/1490 Datum uitspraak: 2 juni 2022 UITSPRAAK op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 18 maart 2022 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 1 december 2021 door the Prosecutor General’s Office of the Republic of Lithuania (Litouwen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon] , geboren te [geboorteplaats] (Litouwen) op [geboortedag] 1990, verblijfsadres: [adres] , thans uit andere hoofde gedetineerd in de [detentieplaats] , hierna te noemen de opgeëiste persoon. 1Procesgang De vordering is behandeld op de openbare zitting van 19 mei 2022. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie, mr. J.J.M. Asbroek. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. F.S. Baardman, advocaat te Utrecht, en door een tolk in de Litouwse taal. Op grond van artikel 22, derde lid, OLW heeft de rechtbank de termijn waarbinnen zij op grond van het eerste lid van dit artikel uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd, omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen. 2Identiteit van de opgeëiste persoon De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Litouwse nationaliteit heeft. 3Grondslag en inhoud van het EAB In het EAB wordt melding gemaakt van Ruling of Panevezys Regional Court van 8 november 2021; Ruling of Panevezys Regional Court van 1 december 2021. De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Litouws recht strafbare feiten. Deze feiten zijn omschreven in onderdeel
- e)van het EAB. 4Strafbaarheid 4.1 Feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het tweede feit waarvoor de overlevering wordt verzocht, moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit het strafbare feit heeft aangeduid als een feit vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. Het feit valt op deze lijst onder nummer 5, te weten: illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen; Uit het EAB volgt dat op dit feit naar het recht van Litouwen een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld. 4.2 Feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het eerste feit niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a 2°, OLW zijn neergelegd. Standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft bepleit dat het eerste feit niet voldoet aan het vereiste van de dubbele strafbaarheid zodat de overlevering voor dit feit moet worden geweigerd. Het feit ziet op het bezit van 0,4 gram cannabis. Wanneer de feitelijke elementen zich in Nederland hadden afgespeeld, was de opgeëiste persoon niet als zodanig bestraft, omdat geen sprake is van een strafbare handeling bij het bezit van cannabis van minder dan 1 gram in Nederland. Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft in het arrest van 11 januari 2017 bepaald dat de rechtbank moet nagaan of de feitelijke elementen, indien zij zouden hebben plaatsgevonden op het grondgebied van Nederland, als zodanig ook op dat grondgebied strafrechtelijk zouden kunnen worden bestraft. Het gaat hierbij dus niet om de vraag of het strafbaar is in Nederland, maar of er daadwerkelijk een straf kan volgen. Dit laatste is niet het geval. Daarnaast is overlevering voor dit feit niet in het belang van de opgeëiste persoon, omdat het wenselijker is als hij slechts voor één strafbaar feit wordt overgeleverd. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft hiertegen aangevoerd dat de overlevering dient te worden toegestaan, primair omdat het eerste feit dubbel strafbaar is. Er wordt in Nederland weliswaar niet vervolgd voor het voorhanden hebben van minder dan 5 gram cannabis, maar dit is wel strafbaar. Subsidiair kan er worden afgezien van de weigeringsgrond zoals beschreven in artikel 7 OLW, omdat het feit geen enkel aanknopingspunt heeft met de Nederlandse rechtsorde en het in het belang is van de opgeëiste persoon om overlevering toe te staan, omdat hij ook voor het tweede feit wordt overgeleverd. Oordeel van de rechtbank De rechtbank is van oordeel dat het in zaak als die van de opgeëiste persoon alleen relevant is of het feit dubbel strafbaar is en stelt vast dat aan dat vereiste is voldaan. Het feit dat Nederland ervoor kiest om geen vervolging in te stellen voor het bezit van een kleine hoeveelheid cannabis, doet hier niet aan af. Het feit levert naar Nederlands recht op: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod Volgens de in rubriek
- c)van het EAB vermelde gegevens is op dit feit naar het recht van Litouwen een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste twaalf maanden gesteld. 9Slotsom Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW, er ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan en er geen sprake is van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven, dient de overlevering te worden toegestaan. 10Toepasselijke wetsartikelen De artikelen 3 en 11 Opiumwet en de artikelen 2, 5 en 7 OLW. 11Beslissing STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the Prosecutor General’s Office of the Republic of Lithuania (Litouwen) voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel
- e)van het EAB. Aldus gedaan door mr. M.C.M. Hamer, voorzitter, mrs. M.C. Eggink en J.H. Beestman, rechters, in tegenwoordigheid van V.D. Reinders griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 2 juni 2022. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. HvJ EU 11 januari 2017, C-289/15, ECLI:EU:C:2017:4 (Grundza), zie ook ECLI:NL:RBAMS:2017:312.