← Nederland

ECLI:NL:RBAMS:2022:3952

RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13/751046-20 RK nummer: 20/391 Datum uitspraak: 30 juni 2022 UITSPRAAK op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 20 januari 2020 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 28 november 2019 door the Regional Court in Rzeszów (Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon], geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1985, zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, (adres ten tijde van schorsing op 14 mei 2020: [adres] ), hierna te noemen de opgeëiste persoon. 1Procesgang Zitting 14 mei 2020 De vordering is behandeld op de openbare zitting van 14 mei 2020. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie, mr. J.J.M. Asbroek. De opgeëiste persoon, die aanwezig was via een videoverbinding, is bijgestaan door zijn raadsman, mr. M. Jonk, advocaat te Amsterdam en door een tolk in de Poolse taal. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting voor onbepaalde tijd geschorst in verband met de ontwikkelingen in Polen en de op dat moment bestaande onduidelijkheid over de mogelijke gevolgen van die ontwikkelingen op de rechtspraak van de Internationale Rechtshulpkamer aangaande Poolse overleveringszaken. De rechtbank heeft de overleveringsdetentie van de opgeëiste persoon geschorst. Zitting 16 juni 2022 De behandeling van de vordering is voortgezet op de openbare zitting van 16 juni 2022. Het onderzoek heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie, mr. J.J.M. Asbroek, en de gemachtigd raadsman van de opgeëiste persoon, mr. M. Jonk. De opgeëiste persoon is – zonder voorafgaand bericht – niet verschenen. De rechtbank heeft vastgesteld dat in deze zaak de termijn van 90 dagen waarbinnen de rechtbank op basis van artikel 22 OLW op het overleveringsverzoek moet beslissen, al in april 2020 was verstreken. Dit betekent dat de rechtbank de beslistermijn in deze zaak niet meer kan verlengen en dat als gevolg daarvan ook geen grondslag meer bestaat voor gevangenhouding. 2Identiteit van de opgeëiste persoon De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht en vastgesteld dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat de opgeëiste persoon de Poolse nationaliteit heeft. 3Grondslag en inhoud van het EAB In het EAB wordt melding gemaakt van een aanhoudingsbevel, te weten: een enforceable decision on pre-trial detention of the District Court in Rzeszów, 2nd Criminal Division van 23 juni 2016 (referentie: II Kp 336/16). De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek in verband met het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Pools strafbare feiten. Deze feiten zijn omschreven in onderdeel

  1. e)van het EAB. 4Strafbaarheid 4.1 Feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van feit II waarvoor de overlevering wordt verzocht, moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit dat strafbare feit heeft aangeduid als een feit vermeld op de lijst van bijlage 1 bij de OLW. Het feit valt op deze lijst onder nummer 16, te weten: ontvoering, wederrechtelijke vrijheidsberoving en gijzeling. Uit het EAB volgt dat op dit feit naar het recht van Polen een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld. 4.2 Feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist Naar het oordeel van de rechtbank kan feit I niet onder het lijstfeit worden geschaard. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, wanneer voldaan is aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a 2°, OLW zijn neergelegd. De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan. Feit I levert naar Nederlands recht op: medeplegen van poging tot zware mishandeling. 5. Artikel 11 OLW: artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU Volgens de opgeëiste persoon is één van de (vermeende) slachtoffers de zoon van een officier van justitie. De raadsman heeft geprobeerd deze stelling van de opgeëiste persoon te onderbouwen, maar het Poolse Openbaar Ministerie heeft niet gereageerd op zijn verzoeken om informatie. Gelet hierop heeft de raadsman de rechtbank verzocht de behandeling van het EAB aan te houden en op dit punt nadere vragen te stellen aan de Poolse autoriteiten. De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat – noch die doen vermoeden dat – die structurele of fundamentele gebreken concrete invloed zullen hebben op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. Om die reden bestaat er ook geen aanleiding om aanvullende gegevens op te vragen bij de uitvaardigende justitiële autoriteit.De rechtbank is – met de officier van justitie – van oordeel dat de (mogelijke) omstandigheid dat één van de slachtoffers de zoon van een officier van justitie is, nog niet betekent dat de beoordeling van de strafzaak tegen de opgeëiste persoon door rechters in Polen niet eerlijk zal verlopen. 6Slotsom Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW, er ook verder geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan en geen sprake is van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven, moet de overlevering worden toegestaan. 7Toepasselijke wetsartikelen De artikelen 45, 47 en 302 Wetboek van Strafrecht en 2, 5 en 7 OLW. 8Beslissing STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the Regional Court in Rzeszów (Polen) voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel
  2. e)van het EAB. Aldus gedaan door mr. J.P.W. Helmonds, voorzitter, mrs. A.K. Glerum en R. Godthelp, rechters, in tegenwoordigheid van mr. N.M. van Trijp, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 30 juni 2022. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. . Rechtbank Amsterdam, 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4. . Vgl. Rechtbank Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1793, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (Openbaar Ministerie (Recht op een gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld in de uitvaardigende lidstaat)).

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.