vonnis RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling privaatrecht zaaknummer: 9869100 CV EXPL 22-6261 vonnis van: 18 juli 2022 fno.: 991 vonnis van de kantonrechter i n z a k e de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Eneco Zakelijk B.V gevestigd te Rotterdam eiseres gemachtigde: Flanderijn & Van Eck Gerechtsdeurwaarders t e g e n [gedaagde] wonende te [woonplaats] gedaagde niet verschenen Verloop van de procedure Bij dagvaarding van 2 mei 2022 heeft eiseres gevorderd een bedrag van € 500,00 met nevenvorderingen, zoals nader in die dagvaarding omschreven. Gedaagde heeft geen uitstel verzocht en evenmin uiterlijk op de in de dagvaarding vermelde terechtzitting geantwoord. Tegen gedaagde is verstek verleend. Vervolgens is een datum voor vonnis bepaald. Gronden van de beslissing Eiseres stelt dat gedaagde een overeenkomst tot energielevering heeft gesloten. Daarbij heeft gedaagde gehandeld in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf. Het gebruik van elektra behoort tot de normale zakelijke activiteiten van een ondernemer. Voor reflexwerking van consumenten beschermend recht is geen aanleiding, aldus steeds eiseres. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 28 september 2018 (ECLI:NL:HR:2018:1800) het volgende overwogen over de consument: “Een consument is volgens art. 2, onder b, Richtlijn 93/13 iedere natuurlijke persoon die bij onder de richtlijn vallende overeenkomsten handelt voor doeleinden die buiten zijn bedrijfs- of beroepsactiviteit vallen. Het begrip ‘consument’ is een objectief begrip. Niet van belang is over welke concrete kennis of informatie de betrokken persoon beschikt. Evenmin is van belang of de betrokkene een onderneming drijft. In plaats daarvan moet, aan de hand van alle omstandigheden van het geval, worden vastgesteld met welk doel de overeenkomst is aangegaan, wat met name moet worden afgeleid uit de aard van het goed of de dienst waarop de betrokken overeenkomst betrekking heeft (HvJEU 3 september 2015, C-110/14, ECLI:EU:C:2015:538 (Costea)). In twee beschikkingen van latere datum heeft het HvJEU overwogen dat onderzocht moet worden “of de betrokken contractuele band deel uitmaakt van activiteiten die niets te maken hebben met de uitoefening van een beroep of een bedrijf” (HvJEU 19 november 2015, C-74/15, ECLI:EU:C:2015:772 (Tarcău), en HvJEU 14 september 2016, C-534/15, ECLI:EU:C:2016:700 (Dumitraş)). Mede gelet op de verwijzing naar het arrest Costea in de beschikking in de zaak Tarcău, en de wijze waarop het HvJEU beoordeelt of de betrokkene de overeenkomst is aangegaan als consument, moet worden aangenomen dat niet is bedoeld een andere maatstaf aan te leggen dan in het arrest in de zaak Costea is geformuleerd. Wel is verduidelijkt dat, ook als een natuurlijke persoon een overeenkomst (mede) aangaat ten behoeve van een bedrijf, de betrokkene nog steeds als consument kan worden aangemerkt, mits hij zelf geen functionele banden heeft met het bedrijf”.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.