RECHTBANK AMSTERDAM VONNIS Parketnummer: 13/995016-21 (Promis) Datum uitspraak: 18 juli 2022 Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1994, wonende op het adres [adres] , [woonplaats] . 1Onderzoek ter terechtzitting Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen op 29 september 2021, 23 december 2021, 7 maart 2022, 10 mei 2022, 11 mei 2022, 13 mei 2022 en 16 mei 2022. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officieren van justitie mrs. F. Heus en R. Hagemeier en van wat verdachte en zijn raadsman mr. A.B.G.T. von Bóné naar voren hebben gebracht. 2Tenlastelegging Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan: Onder feit 1, feit 2 en feit 3 medeplegen van pogingen moord dan wel doodslag op – respectievelijk – [slachtoffer 1] ( [slachtoffer 1] ), [slachtoffer 2] ( [slachtoffer 2] ) en [slachtoffer 3] (de dochter) door op 16 maart 2019 te Amstelveen met een vuurwapen richting hen te schieten. Subsidiair is hem dit steeds ten laste gelegd als het uitlokken van een poging tot medeplegen van moord. Onder feit 4 medeplegen van het voorhanden hebben van een of meer wapens van categorie III en/of categorie II van de Wet Wapens en Munitie en bijbehorende munitie in de periode van 11 maart 2019 tot en met 16 maart 2019 te Aalsmeer en/of te Amstelveen. Onder feit 5 medeplegen van het voorhanden hebben van 193 gram cocaïne op 16 juni 2021 te Zoetermeer. De tekst van de integrale tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd. 3Waardering van het bewijs 3.1. Standpunt van het Openbaar Ministerie De officieren van justitie hebben zich – aan de hand van het op schrift gestelde requisitoir – op het standpunt gesteld dat kan worden bewezen dat [verdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan de primair ten laste gelegde feiten 1, 2 en 3 en de feiten 4 en 5. Zij hebben hiertoe het volgende aangevoerd. Ten aanzien van feit 1, feit 2, feit 3 en feit 4 (de pogingen moord) Uit chatberichten die zijn aangetroffen op de telefoon van [verdachte] kan worden opgemaakt dat [verdachte] contact had met de opdrachtgever van de moordaanslag op [slachtoffer 1] . Uit deze chatberichten in combinatie met de mastgegevens blijkt dat [verdachte] diverse ontmoetingen heeft gehad met de vermoedelijke opdrachtgevers. [verdachte] lijkt op 11 maart 2019 met zijn opdrachtgevers te hebben gesproken over een nieuwe klus. Vervolgens heeft [verdachte] [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] ingeschakeld voor het uitvoeren van de aanslag. Uit een spraakbericht van [verdachte] aan [medeverdachte 2] van 11 maart 2019 blijkt de rolverdeling tussen hen; [verdachte] organiseert en [medeverdachte 2] voert uit. In dit bericht geeft [verdachte] aan dat [medeverdachte 2] klaar moet zijn voor een nieuwe klus. Op 13 maart 2019 zijn [verdachte] en [medeverdachte 2] bij een ontmoeting aanwezig, waarna [verdachte] naar ‘die werk’ gaat en zich naar Aalsmeer verplaatst. Op 15 maart 2019 hebben [verdachte] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] een ontmoeting met – vermoedelijk – één van de opdrachtgevers bij Lounge Club White in Capelle aan den IJssel. Uit historische mastgegevens blijkt dat [verdachte] en [medeverdachte 1] hier samen naartoe zijn gereisd. Na deze ontmoeting hebben [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] een voorverkenning verricht in Amstelveen. Ook zijn zij betrokken geweest bij het ophalen van de Renault Captur, welke op 16 maart 2019 is gebruikt als vluchtauto. Vervolgens zijn zij naar Amstelveen gereden. [verdachte] heeft op 15 maart 2019 diverse malen contact met [medeverdachte 2] . Ook heeft [verdachte] [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] die avond in Nieuwerkerk aan de IJssel opgehaald. [verdachte] en [medeverdachte 1] zijn tot diep in de nacht samen geweest, waarna [verdachte] [medeverdachte 1] naar huis heeft gebracht. Verder is gebleken dat [verdachte] het telefoonnummer [nummer] (hierna * [nummer] ) in zijn telefoon had opgeslagen onder de naam ‘ [naam 1] ’. [bijnaam] is de bijnaam van [medeverdachte 1] . Dit telefoonnummer maakte op 15 en 16 maart 2019 diverse malen gebruik van zendmasten in de nabijheid van de plaats delict, in een aantal gevallen gelijktijdig met de simkaart van de Renault Captur. Op 16 maart 2019 rond 12:00 uur heeft het schietincident plaatsgevonden en ook toen straalde het telefoonnummer * [nummer] de zendmast aan de Zeelandiahoeve te Amstelveen aan, welke dekking geeft over de plaats delict. Uit het dossier is gebleken dat [medeverdachte 2] het telefoonnummer * [nummer] vanaf in elk geval 14 maart 2019 in gebruik had en dus ook op het moment dat het schietincident plaatsvond. [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] passen in de signalementen van de schutters. In de Renault Captur is bovendien een DNA-spoor aangetroffen dat overeenkomt met het DNA-profiel van [medeverdachte 1] . Kort na de aanslag heeft [verdachte] een screenshot gemaakt van de website genaamd ‘112meldingen’ waarop de melding van het schietincident stond. Later die middag heeft [verdachte] een link van Crimesite.nl doorgestuurd aan zijn vriendin met de tekst ‘san weet je wat k mee bezig ben’. Op crimesite stond toen het artikel over de mislukte aanslag in Amstelveen. [verdachte] stuurde verder dat hij niet teveel kan uitleggen ‘want is serieuss’, dat hij zich ‘slecht’ voelde en dat hij wel kon ‘schreeuwen’. Deze chats tonen niet alleen de betrokkenheid van [verdachte] aan, maar ook zijn frustratie over het mislukken van de liquidatie, aldus de officieren van justitie. Verder is gebleken dat [medeverdachte 2] op 17 maart 2019 naar Curaçao is vertrokken en [medeverdachte 1] in de nacht van 19 op 20 maart 2019 naar Londen. [verdachte] regelde ondertussen de betalingen aan [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] . Zo heeft hij ervoor gezorgd dat [medeverdachte 2] op 20 februari 2019 op Curaçao geld heeft ontvangen. Uit het voorgaande kan volgens de officieren van justitie worden geconcludeerd dat [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] beiden als schutter betrokken waren bij het schietincident op 16 maart 2019. [verdachte] was niet op de plaats delict aanwezig, maar kan worden gezien als opdrachtgever en dus als medepleger. Het medeplegen van drie pogingen tot moord kan worden bewezen. Tevens kan worden bewezen dat zij samen de twee vuurwapens en munitie voorhanden hadden die bij de aanslag zijn gebruikt. Ten aanzien van feit 5 Bij een doorzoeking in een woning aan de [adres] zijn in een ladekast in de ouderlijke slaapkamer drie boterhamzakjes met cocaïne aangetroffen. [verdachte] verbleef op dit adres en is hier ook aangehouden, zijn vriendin en hun drie kinderen staan op dit adres ingeschreven. Het dossier geeft sterke aanwijzingen dat [verdachte] betrokken was bij de handel in verdovende middelen. Daarnaast heeft [verdachte] niet aannemelijk gemaakt dat hij niet bekend was met de cocaïne. Gelet op de vaste jurisprudentie kan hiermee worden bewezen dat [verdachte] de cocaïne samen met zijn vriendin voorhanden heeft gehad. 3.2. Standpunt van de verdediging De raadsman heeft zich – aan de hand van zijn op schrift gestelde pleitaantekeningen – op het standpunt gesteld dat [verdachte] van alle aan hem ten laste gelegde feiten moet worden vrijgesproken. De raadsman heeft hiertoe het volgende aangevoerd. Ten aanzien van feit 1, feit 2, feit 3 en feit 4 (de pogingen moord) Ten aanzien van de onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde feiten heeft de raadsman aangevoerd dat niet kan worden bewezen dat [verdachte] op de plaats delict aanwezig is geweest. Ook kan niet worden bewezen dat [verdachte] nauw en bewust heeft samengewerkt met de schutters. Ook kan niet worden bewezen dat [verdachte] anderen heeft uitgelokt een poging tot moord te verrichten. Uit de berichten en de mastgegevens kan niets concreets worden afgeleid, het betreft allemaal indirect bewijs. De beschuldigingen van het Openbaar Ministerie betreffen interpretaties, veronderstellingen en vermoedens. Ten aanzien van feit 5 De cocaïne is aangetroffen in de woning van de vriendin van [verdachte] . [verdachte] kwam ook in dit huis, maar hij was niet op de hoogte van wat zich in iedere hoek in het huis bevond. Op basis van het dossier kan niet worden vastgesteld aan wie de cocaïne toebehoorde. Er valt niet vast te stellen dat [verdachte] concrete kennis had van de aanwezigheid van de cocaïne, welke niet direct in het zicht lag. Gelet daarop moet verdachte het voordeel van de twijfel krijgen en worden vrijgesproken. 3.3. Oordeel van de rechtbank 3.3.1. Bewijsoverwegingen ten aanzien van feit 1 primair, feit 2 primair en feit 3 primair Op 16 maart 2019 rond 12:00 uur heeft er voor de woning op het adres [adres] een schietincident plaatsgevonden. Met de officieren van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat het dossier geen aanleiding geeft om aan te nemen dat [verdachte] één van de twee schutters ter plaatse is geweest. De rechtbank ziet zich dan ook gesteld voor de vraag of is bewezen dat [verdachte] op een andere manier als medepleger betrokken is geweest bij het schietincident op 16 maart 2019. Om deze vraag te kunnen beantwoorden zal de rechtbank hierna de mogelijke bewijsmiddelen bespreken en tussenconclusies trekken, waarna een eindconclusie volgt. Chatberichten In het dossier zijn veel berichten opgenomen waaruit volgens het Openbaar Ministerie kan worden opgemaakt dat [verdachte] en zijn medeverdachten betrokken zijn geweest bij de aanslag op [slachtoffer 1] en zijn gezin. Zo is op 11 maart 2019 met het nummer * [nummer] dat vermoedelijk in gebruik was bij [verdachte] het volgende spraakbericht gestuurd: “Je moet ready zijn. Dus geen dingen plannen deze dagen. Helemaal niks. Je weet toch. Want zoals ik zei. Hun gaan dat ding doen. Connecten ons. Wij nemen over. Snap je. En dan ik zet jullie daar. Jullie moeten doen. Gelijk. Er is niks anders. Er is geen twijfel. Geen dit geen dat. Dan snap je wat de bedoelingen zijn, weet je toch. Hun zelf doen het voorwerk. Het huiswerk. En dan weet je zelf.” Hieruit zou – volgens het Openbaar Ministerie – het hele plan rondom de aanslag op [slachtoffer 1] blijken. Ook is er veel berichtenverkeer tussen het telefoonnummer * [nummer] en het telefoonnummer [nummer] (hierna * [nummer] ), dat door de vriendin van [verdachte] werd gebruikt. Zo heeft [verdachte] onder meer op 16 maart 2019 een link naar de internetpagina crimesite.nl naar zijn vriendin gestuurd met daarna de tekst ‘San weet je wat k mee bezig ben’. Uit nader onderzoek is gebleken dat op dat moment een artikel op Crimesite staat met als kop ‘mislukte liquidatie in Amstelveen.’ Diezelfde middag heeft het telefoonnummer * [nummer] ook de volgende berichten gestuurd aan * [nummer] : om 16:53 uur : “Ben nu in een gesprek dan ben k zo goed als klaar wat een hoofdpijn”; om 17:50 uur : “Het spijt me echt k kan niet teveel uitleggen want is serieuss”; om 18:00 uur : “K voel me slecht” en om 18:02 uur : “Maarja kan wel schreeuwen joh”. De rechtbank is van oordeel dat de in het dossier opgenomen berichten, waaronder bovenstaande - die vermoedelijk door [verdachte] zijn verstuurd - zouden kunnen wijzen op het uitvoeren van verboden gedragingen. Deze berichten benoemen echter niets concreets over een voorgenomen aanslag op [slachtoffer 1] . In geen van de berichten wordt verwezen naar een schietpartij, mogelijke slachtoffers, vuurwapens of locaties. Het dossier bevat bovendien slechts geselecteerde berichten, waarbij steeds de context ontbreekt. De rechtbank is van oordeel dat de in het dossier opgenomen berichten daardoor voor meer interpretaties vatbaar zijn. [verdachte] zelf heeft ter terechtzitting verklaard dat hij zich bezig hield met zogenaamde ‘uithaalpogingen’; het halen van drugs of andere illegale goederen uit containers in de haven. Het bericht met de link naar de internetpagina crimesite.nl en de opmerking daarbij maakt dit niet anders. De combinatie van de link naar crimesite.nl en de tekst ‘San weet je wat k mee bezig ben’ kan duiden op interesse vanuit [verdachte] in de liquidatiepoging op [slachtoffer 1] in Amstelveen, maar meer kan daaruit niet worden opgemaakt. De berichten afzonderlijk dan wel de combinatie daarvan geven geen informatie omtrent een eventuele rol van [verdachte] bij deze poging tot liquidatie. De tekst ‘San weet je wat k mee bezig ben’ is naar het oordeel van de rechtbank in elk geval niet voldoende om daarop het bewijs aan te nemen dat [verdachte] opdrachtgever zou zijn geweest van deze liquidatiepoging. Verder is de rechtbank van oordeel dat aan de hand van de berichten die [verdachte] op 16 maart 2019 naar zijn vriendin heeft gestuurd niet zonder meer kan worden geconcludeerd dat hij zich slecht voelde specifiek door het mislukken van de liquidatiepoging op [slachtoffer 1] . Ook hier mist de context waardoor deze berichten ook op een heel andere manier kunnen worden uitgelegd. Dat verdachte hierover geen verklaring heeft afgelegd maakt niet dat er geen andere uitleg mogelijk is dan dat [verdachte] daadwerkelijk betrokken is bij de mislukte liquidatiepoging. Mastgegevens Naast de berichten bevat het dossier veel historische verkeersgegevens van verschillende telefoonnummers, onder meer van het telefoonnummer * [nummer] , dat vermoedelijk bij [verdachte] in gebruik was. De rechtbank is van oordeel dat uit het feit dat een telefoonnummer een bepaalde zendmast aanstraalt, slechts kan worden geconcludeerd dat deze telefoon zich op dat moment kennelijk bevond in het gebied waarover de zendmast dekking geeft. Uit de bevindingen dat de telefoonnummers van [verdachte] en medeverdachte(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.