RECHTBANK AMSTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: AMS 20/5096 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , te Zoetermeer, eiser ( [gemachtigde] ), en de heffingsambtenaar van de gemeent
vast. Eiser heeft verweerder op 13 augustus 2021 in gebreke gesteld. Dit betekent dat verweerder, gelet op artikel 4:17
, tot uiterlijk 27 augustus 2021 een besluit kon nemen zonder een dwangsom te verbeuren. Omdat na deze datum meer dan 42 dagen zijn verstreken, bedraagt de door verweerder verschuldigde dwangsom het maximale bedrag van € 1.442,-.
- Als het beroep gegrond is en nog geen besluit is bekendgemaakt, draagt de rechtbank het bestuursorgaan op om binnen twee weken na de dag waarop de uitspraak wordt verzonden alsnog een besluit bekend te maken. Alleen in bijzondere gevallen kan de rechtbank een andere termijn bepalen.Verweerder heeft niet gereageerd op het verzoek van de rechtbank om een verweerschrift. Er zijn dan ook geen bijzondere omstandigheden naar voren gebracht. Dat betekent dat verweerder uiterlijk binnen twee weken na de dag waarop deze uitspraak wordt verzonden alsnog zijn besluit bekend moet maken.
- De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:55d, tweede lid,
en in overeenstemming met het landelijke beleid (gepubliceerd op www.rechtspraak.nl) dat verweerder per zaak een dwangsom van € 100,- is verschuldigd voor elke dag waarmee de hiervoor genoemde termijn wordt overschreden, met een maximum van € 15.000,-.
- Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.
- De rechtbank veroordeelt verweerder ook in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 379,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 759,- en een wegingsfactor 0,5). De rechtbank is van oordeel dat deze zaak van licht gewicht is, omdat de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden en of er een dwangsom is verschuldigd. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - stelt vast dat verweerder als gevolg van het niet tijdig beslissen op het bezwaarschrift een dwangsom heeft verbeurd van € 1.442,- - draagt verweerder op binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak een besluit op het bezwaar te nemen; - bepaalt dat verweerder aan eiser een dwangsom van € 100,- verbeurt voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-; - draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 49,- aan eiser te vergoeden; - veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 379,
- Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Greebe, rechter, in aanwezigheid van N. van der Kroft, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan verzet worden ingesteld bij deze rechtbank. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord. De rechtbank doet uitspraak zonder zitting op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Artikel 6:2, aanhef en onder b, in samenhang met artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder f,
Artikel 6
:12, tweede lid,
Artikel 7
:10, eerste lid,
Artikel 4
:17
. Artikel 4:18, eerste lid,
. Artikel 8:55d, eerste en derde lid,