← Nederland

ECLI:NL:RBAMS:2022:4166

RECHTBANK AMSTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: AMS 21/5368 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 juli 2022 in de zaak tussen [eiser] , uit Amsterdam, eiser, en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) ( [gemachtigde] ). Inleiding In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser (verder: [eiser] ) tegen de afwijzing van zijn aanvraag om een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong). Het Uwv heeft deze aanvraag met een besluit van 26 januari 2021 afgewezen. Met het bestreden besluit van 13 oktober 2021 op het bezwaar van [eiser] is het Uwv bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Het Uwv heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. De rechtbank heeft het beroep op 12 juli 2022 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en zijn [mantelzorger] . Beoordeling door de rechtbank De rechtbank beoordeelt of het Uwv terecht geweigerd heeft om [eiser] een Wajong-uitkering toe te kennen. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die [eiser] heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Het Uwv heeft daarom terecht de aanvraag van [eiser] om een Wajong-uitkering afgewezen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

  1. [eiser] is geboren op [geboortedatum]
  2. Hij heeft op 23 oktober 2020 een beoordeling arbeidsvermogen aangevraagd. [eiser] heeft bij deze aanvraag aangegeven dat hij als sinds 2000 last heeft van epilepsie.
  3. Deze aanvraag is met het besluit van 26 januari 2021 afgewezen. [eiser] heeft nadat hij achttien is geworden meer dan een jaar gewerkt en daarmee ten minste het minimumloon verdiend. Deze afwijzing is met het bestreden besluit van 13 oktober 2021 in stand gelaten door het Uwv. De Wajong-uitkering is wel om een andere reden afgewezen, namelijk omdat de medische situatie van [eiser] niet kan worden vastgesteld op zeventien- en achttienjarige leeftijd. Dit besluit is genomen op basis van een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 12 oktober
  4. Beroepsgronden van [eiser]
  5. [eiser] voert aan dat hij op zeventien- en achttienjarige leeftijd al arbeidsongeschikt was. Hij had als kind namelijk al epileptische aanvallen. Dit blijkt uit medische informatie van een aantal neurologen. Daarom had het Uwv [eiser] een Wajong-uitkering moeten toekennen. Juridisch kader
  6. Omdat [eiser] pas op latere leeftijd een Wajong-uitkering aangevraagd heeft, is sprake van een zogenoemde laattijdige aanvraag. Op laattijdige aanvragen die zijn ontvangen na 1 januari 2015 is de Wajong 2015 van toepassing. Uitzondering daarop is de situatie waarin de betrokkene vóór 1 januari 1980 geboren is. Dan zijn voor de beoordeling of een betrokkene als jonggehandicapte is aan te merken de artikelen 5 en 6 van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) van toepassing. [eiser] is geboren voor
  7. Op hem is dus de AAW van toepassing.
  8. Volgens de artikelen 5 en 6 van de AAW heeft de verzekerde die vanaf zijn zeventiende verjaardag gedurende 52 weken onafgebroken arbeidsongeschikt is geweest en na afloop van deze periode nog arbeidsongeschikt is, recht op een arbeidsongeschiktheidsuitkering. Bespreking van het beroep
  9. Bij een laattijdige aanvraag is door het verstrijken van de tijd het medisch beeld steeds moeilijker vast te stellen. Volgens vaste rechtspraak komt deze omstandigheid bij een laattijdige aanvraag voor rekening van degene die de late aanvraag doet. Op de aanvrager van de uitkering rust dus de verplichting om aannemelijk te maken dat voldaan is aan de voorwaarden voor het recht op die uitkering. In het geval van [eiser] betekent dit dat hij duidelijk moet maken dat hij op zeventien- en achttienjarige leeftijd beperkingen had voor het verrichten van arbeid als gevolg van zijn epilepsie.
  10. Het Uwv mag besluiten over arbeidsongeschiktheid baseren op rapporten van zijn verzekeringsartsen. Deze rapporten moeten dan wel op een zorgvuldige manier tot stand zijn gekomen, geen tegenstrijdigheden bevatten en voldoende begrijpelijk zijn.
  11. Het Uwv heeft [eiser] medisch onderzocht. Volgens de verzekeringsarts in het rapport van 13 september 2021 blijkt uit de beschikbare medische informatie dat [eiser] op de kinderleeftijd mogelijk subtiele aanvallen had. De verzekeringsarts bezwaar en beroep schrijft in het rapport van 12 oktober 2021 dat de diagnose epilepsie is gesteld in
  12. [eiser] was toen 38 jaar. De conclusie van de verzekeringsartsen is dat uit de medische informatie niet duidelijk genoeg blijkt wat de medische situatie van [eiser] was toen hij zeventien en achttien jaar was. Ook wordt niet duidelijk of [eiser] hierdoor beperkingen in zijn functioneren had.
  13. De rechtbank volgt de opvatting van de verzekeringsartsen. Dit betekent dat [eiser] onvoldoende heeft onderbouwd waarom hij als gevolg van epilepsie aantoonbare beperkingen had voor arbeid. De brief van verpleegkundig specialist epilepsie [naam] van 2 september 2021 geeft niet genoeg feitelijke informatie over de medische situatie van [eiser] toen hij zeventien en achttien was. Er kan zo niet beoordeeld worden in welke mate zijn epilepsie hem toen in het dagelijks leven in de weg zat. De brief zegt namelijk niets over de ernst van de aanvallen, hoe vaak deze voorkwamen en wat de gevolgen hiervan waren voor zijn arbeidsvermogen. Er zijn ook geen andere medische stukken aanwezig zijn die dit duidelijk maken.
  14. De rechtbank begrijpt dat [eiser] geen oudere medische stukken kan opsturen omdat het Franse ziekenhuis waar hij vroeger behandeld werd niet meer bestaat. Deze situatie kan [eiser] in deze procedure echter niet verder helpen. Dat is immers het risico van een laattijdige aanvraag.
  15. [eiser] heeft op de zitting heeft verteld dat hij na school vele jaren in verschillende banen werkzaam is geweest. Deze informatie wijst er ook niet op dat [eiser] op zeventien- en achttienjarige leeftijd zo beperkt was dat hij op dat moment geen arbeidsvermogen had. Conclusie en gevolgen Dit alles betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Greebe, rechter, in aanwezigheid vanmr.C.J. van 't Hoff, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 21 juli
  16. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van beroep (Raad) van 8 april 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:
  17. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 24 december 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BO9240.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.