RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13/058263-22 (EAB III) RK nummer: 22/1354 Datum uitspraak: 24 mei 2022 UITSPRAAK op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 10 maart 2022 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 29 november 2021 door de Regional Court in Poznań (Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon] , geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1980, zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, gedetineerd in [detentieadres] , hierna te noemen de opgeëiste persoon. 1Procesgang De vordering is behandeld op de openbare zitting van 10 mei 2022. Het onderzoek heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie, mr. C.L.E. McGivern. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. F.S. Baardman, advocaat te Utrecht en door een tolk in de Poolse taal. Op grond van artikel 22, derde lid, OLW heeft de rechtbank de termijn waarbinnen zij op grond van het eerste lid van dit artikel uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen. 2Identiteit van de opgeëiste persoon De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft. 3Grondslag en inhoud van het EAB In het EAB wordt melding gemaakt van een judgement van 18 oktober 2019 door de Poznań – Grunwald and Jezyce District Court in Poznań (referentie VIII K 915/19). De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van 8 maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis. Dit vonnis betreft het feit zoals dat is omschreven in onderdeel
- e)van het EAB. 3.1 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van een situatie zoals bedoeld in artikel 12, sub a tot en met d, OLW en dat de rechtbank gebruik moet maken van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. De opgeëiste persoon was niet ter zitting aanwezig en er was (in tegenstelling tot EAB’s I, II en IV) ook geen gemachtigde raadsman aanwezig. Het EAB vermeldt weliswaar dat de correspondentie met betrekking tot de zaak naar een door de opgeëiste persoon opgegeven adres is verstuurd, maar het is niet duidelijk of dat adres is opgegeven in het licht van deze procedure – hetgeen door de opgeëiste persoon stellig wordt ontkent. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de rechtbank kan afzien van haar bevoegdheid om de overlevering op grond van artikel 12 OLW te weigeren. De opgeëiste persoon is niet ter zitting verschenen, maar de dagvaarding is per post naar het door hem opgegeven adres verstuurd en hij heeft de zogenaamde adresinstructie gekregen. Het is de verantwoordelijkheid van de opgeëiste persoon om op dat opgegeven adres beschikbaar te blijven en daar ook correspondentie in ontvangst te kunnen nemen. De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat – kort gezegd – is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan en evenmin een garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW is verstrekt. Gelet daarop kan de overlevering ex artikel 12 OLW worden geweigerd. De rechtbank ziet echter aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Zij acht daarbij het volgende van belang. In het EAB onder
- d)is het volgende vermeld: This correspondence from the Court was sent to the address that the convict had provided during the proceedings. The convict did not collect the correspondence although advice notes had been left for him to collect it from a post office. […] He did not inform the court about any change of his residence address or his address for service despite the fact that he had been instructed such obligation. Uit het bovenstaande leidt de rechtbank af dat de opgeëiste persoon in deze procedure (“during the proceedings”) een correspondentieadres heeft opgegeven en de zogenaamde ‘adresinstructie’ heeft ontvangen – inhoudende dat hij is gewezen op zijn verplichting om adreswijzigingen door te geven en van de consequenties als hij dat niet doet, namelijk dat de correspondentie dan wordt aangemerkt als ‘duly served’ en er een beslissing kan volgen in zijn afwezigheid. De correspondentie is naar dit opgegeven adres verstuurd. De rechtbank volgt het standpunt van de raadsvrouw – dat niet blijkt dat de opgeëiste persoon in deze procedure een adres heeft opgegeven – dan ook niet. De bovengenoemde omstandigheden maken naar het oordeel van de rechtbank dat het toestaan van de overlevering geen schending van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon oplevert. Hij was op de hoogte van het strafproces dat tegen hem liep en, zo al niet kan worden gezegd dat hij uit eigen beweging stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn recht om in persoon te verschijnen bij het proces, is hij op zijn minst onzorgvuldig geweest met betrekking tot zijn bereikbaarheid voor officiële correspondentie. De rechtbank verwerpt het verweer. 4Strafbaarheid Feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a 2°, OLW zijn neergelegd. De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan. Het feit levert naar Nederlands recht op: Overtreding van artikel 9, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994. 5Slotsom Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW, er ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan en er geen sprake is van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven, dient de overlevering te worden toegestaan. In gevallen als deze, waarin tegen dezelfde opgeëiste persoon meerdere EAB’s zijn uitgevaardigd en de behandeling van in ieder geval één van de vorderingen is aangehouden in afwachting van antwoorden op nadere vragen – namelijk het EAB met parketnummer 13/058277-22 (EAB V) – , ligt de machtiging van de rechtbank aan de officier van justitie om de feitelijke overlevering te bewerkstelligen pas besloten in de einduitspraak met betrekking tot dat executie-EAB (behoudens eerdere intrekking van dat executie-EAB of van de met betrekking tot dat EAB gedane vordering als bedoeld in artikel 23, tweede lid, OLW). 6Toepasselijke wetsbepalingen De artikelen 9 en 176 Wegenverkeerswet 1994 en 2, 5 en 7 OLW. 7Beslissing STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan Regional Court in Poznań (Polen) voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel
- e)van het EAB. Aldus gedaan door mr. C. Klomp, voorzitter, mrs. J.A.A.G. de Vries en A. Pahladsingh, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.M. Rus, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 24 mei 2022. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. Rechtbank Amsterdam, 25 november 2020, ECLI:NL:RBAMS:2020:5778.