← Nederland

ECLI:NL:RBAMS:2022:4689

RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13/751589-21 (EAB II) RK nummer: 21/3460 Datum uitspraak: 5 juli 2022 UITSPRAAK op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 17 juni 2021 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 18 mei 2021 door de District Court in Wroclaw (Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon] , geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1989, ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres: [adres opgeëiste persoon] , hierna te noemen de opgeëiste persoon. 1Procesgang De vordering is behandeld op de openbare zitting van 21 juni 2022. Het onderzoek heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie, mr. M. Westerman. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman, mr. D. Bektesevic, advocaat te Amsterdam en door een tolk in de Poolse taal. De rechtbank stelt vast dat in deze zaak de termijn van 90 dagen waarbinnen de rechtbank ex artikel 22 OLW op het overleveringsverzoek moet beslissen, reeds is verstreken. Dat betekent dat de rechtbank de beslistermijn niet meer kan verlengen en dat als gevolg daarvan geen grondslag meer bestaat voor gevangenhouding. 2Identiteit van de opgeëiste persoon De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft. 3Grondslag en inhoud van het EAB In het EAB wordt melding gemaakt van een final and binding judgement door de Regional Court for Wroclaw-Fabryczna van 21 maart 2017 (referentie: II K 1204/15). In het EAB staat vermeld dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij het proces dat tot de beslissing heeft geleid. De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van 1 jaar en zes maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog 1 jaar, 5 maanden en 28 dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis. Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel

  1. e)van het EAB. 3.1 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de behandeling van de zaak moet worden aangehouden, om de uitvaardigende justitiële autoriteit te vragen naar de zittingsdatum van het gewezen vonnis. De opgeëiste persoon betwist namelijk dat hij – zoals in het EAB omschreven staat – aanwezig was. Om dit te kunnen onderbouwen moet hij weten wanneer de zitting is geweest. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat uit moet worden gegaan van de informatie in het EAB, blijkens welke de opgeëiste persoon aanwezig was op de zitting. De rechtbank is van oordeel dat artikel 12 OLW niet van toepassing is op het vonnis waarvoor de overlevering wordt gevraagd. Het EAB vermeldt dat de opgeëiste persoon samen met zijn raadsman ter zitting aanwezig was. De rechtbank heeft, mede gelet op het vertrouwensbeginsel, geen reden om aan deze informatie te twijfelen. De enkele ontkenning van deze informatie door de opgeëiste persoon is daartoe in ieder geval onvoldoende. De rechtbank verwerpt het verweer en ziet geen aanleiding om de behandeling van de zaak aan te houden. 4Strafbaarheid Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a 2°, OLW zijn neergelegd. De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan. De feiten leveren naar Nederlands recht op: Telkens: diefstal, terwijl het feit wordt begaan door twee of meer verenigde personen. 5Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW De raadsman heeft aangevoerd dat de behandeling van de zaak moet worden aangehouden, zodat de opgeëiste persoon gelijkgesteld kan worden met een Nederlander en de overlevering als gevolg daarvan moet worden geweigerd met gelijktijdige overname van de strafexecutie door Nederland. De opgeëiste persoon is op dit moment vier jaar en tien maanden in Nederland – in augustus zou hij voldoen aan de wettelijk vereiste vijf jaren. Hij heeft hier zijn bestaan opgebouwd, heeft een gezin en voldoet bovendien (reeds) aan de inkomensvereisten. Gelet op de ratio van de Overleveringswet – het voorkomen van straffeloosheid en het bevorderen resocialisatie – zou aanhouding omwille van het verkrijgen van de gelijkstelling de aangewezen weg zijn. De officier van justitie heeft zich verzet tegen aanhouding en zich op het standpunt gesteld dat de toets voor gelijkstelling ex nunc is. De opgeëiste persoon komt daarom dus niet in aanmerking voor gelijkstelling met een Nederlander, omdat hij niet voldoet aan het vereiste van een ononderbroken rechtmatig verblijf van vijf jaren in Nederland. De rechtbank is – met de officier van justitie – van oordeel dat de opgeëiste persoon op dit moment niet in aanmerking komt voor gelijkstelling omdat hij niet voldoet aan het wettelijke vereiste van een ononderbroken rechtmatig verblijf van ten minste vijf jaren in Nederland zoals bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en 1, Vreemdelingenwet 2000. De rechtbank overweegt dat, hoewel zij oog heeft voor de persoonlijke situatie van de opgeëiste persoon en zijn rechtmatige ononderbroken verblijf in Nederland van vier jaar en tien maanden, de Overleveringswet geen mogelijkheid biedt om de behandeling van de zaak aan te houden op de door de raadsman aangevoerde grond. De duur van het verblijf van de opgeëiste persoon moet door de rechtbank ex nunc worden beoordeeld, wat inhoudt dat de opgeëiste persoon op het moment van de zitting gelijk moet kunnen worden gesteld. Dat is niet het geval. De rechtbank verwerpt het verweer. 6Slotsom Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW, er ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan en er geen sprake is van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven, dient de overlevering te worden toegestaan. 7Toepasselijke wetsbepalingen De artikelen 311 Wetboek van Strafrecht en 2, 5 en 7 OLW. 8Beslissing STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan de District Court in Wroclaw (Polen) voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel
  2. e)van het EAB. Aldus gedaan door mr. J.G. Vegter, voorzitter, mrs. J. van Zijl en H.G. van der Wilt, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.M. Rus, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 5 juli 2022. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.