RECHTBANK AMSTERDAM VONNIS Parketnummer: 13/114647-19 (ontneming) Datum uitspraak: 17 augustus 2022 Tegenspraak (artikel 279 van het Wetboek van Strafvordering) Vonnis van de meervoudige kamer van de rechtbank Amsterdam, op vordering van de officier van justitie als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, in de zaak, behorende bij de strafzaak met parketnummer 13/114647-19, tegen: [verdachte], geboren te [geboorteplaats] ([geboorteland]) op 6 november 1995, ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres], 1Het onderzoek ter terechtzitting Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 3 augustus 2022. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. I. Barendregt, en van wat door de gemachtigde raadsman van verdachte, mr. M.A.C. de Bruijn, naar voren is gebracht. 2De vordering Onderzoek van de zaak De vordering van de officier van justitie van 25 maart 2022 strekt tot het vaststellen van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht wordt geschat en het aan [verdachte] opleggen van de verplichting tot betaling aan de Staat van dat geschatte voordeel tot een maximumbedrag van € 200,-. Gezien de stukken waarop de vordering berust en waarnaar deze vordering verwijst, verstaat de rechtbank de vordering aldus dat deze betreft het feit waarvoor [verdachte] in de onderliggende strafzaak is veroordeeld. 3De standpunten 3.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd de vordering af te wijzen, nu zij in de strafzaak heeft gevorderd het in beslaggenomen geldbedrag verbeurd te verklaren. 3.2 Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft – overeenkomstig zijn schriftelijke pleitnota – aangevoerd dat verdachte een verklaring heeft gegeven voor de herkomst van het geld. Verdachte heeft een verifieerbare verklaring over de herkomst en het verhaal van aangever over het exacte bedrag is inconsistent en dus discutabel. De raadsman heeft verzocht om de vordering af te wijzen, dan wel te matigen. 3.3 Het oordeel van de rechtbank De rechtbank overweegt als volgt. De Aanwijzing afpakken geeft regels voor de ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel en benoemt daarbij de strafrechtelijke afpakmogelijkheden van financiële opbrengsten uit criminele activiteiten. In rubriek 6.1 is als uitgangpunt bij commune delicten geformuleerd dat een ontnemingsvordering wordt ingediend wanneer het verkregen voordeel wordt geschat op een bedrag van ten minste € 500,-. Het komen tot een effectieve interventie, al dan niet in het kader van een programmatische of probleemgerichte aanpak, kan reden zijn om af te wijken van dit uitgangspunt. Van dergelijke omstandigheden is in onderhavig geval niet gebleken, zodat de rechtbank vindt dat de officier van justitie niet ontvankelijk is in de vordering. 4Beslissing De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing. Verklaart de officier van justitie niet ontvankelijk in de vordering. Dit vonnis is gewezen door mr. H.E. Hoogendijk, voorzitter, mrs. C.W. Bianchi en E. Akkermans, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.S. Schakenraad en E.J.M. Veerman, griffiers en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 17 augustus 2022.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.