Rechtbank AMSTERDAM Afdeling privaatrecht rekestnummer: C/13/720360 FT RK 22.488 uitspraakdatum: 25 augustus 2022 afwijzing verzoek afkoeling artikel 376 Fw in de zaak van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [betrokkene] B.V., ingeschreven in de Kamer van Koophandel onder nummer [nummer] , statutair gevestigd te [vestigingsplaats] , advocaat: mr. M.C.M. van Ruitenbeek-Kossen - hierna te noemen: [betrokkene] . 1De procedure 1.1. [betrokkene] heeft op 18 juli 2022 een startverklaring ex artikel 370 lid 3 Faillissementswet (Fw) ter griffie van deze rechtbank gedeponeerd. [betrokkene] heeft daarbij gekozen voor een besloten akkoordprocedure buiten faillissement. Op diezelfde datum heeft [betrokkene] een verzoekschrift met bijlagen ingediend strekkende tot het afkondigen van een afkoelingsperiode, zoals bedoeld in artikel 376 Fw, voor de duur van twee maanden. 1.2. Op 22 juli heeft de griffier [betrokkene] per e-mail in de gelegenheid gesteld het verzoek aan te vullen conform de wettelijke vereisten, met daarbij overlegging van in ieder geval: jaarstukken over de afgelopen 3 jaar, een actuele balans, een actuele liquiditeitsprognose, een actuele crediteurenlijst en inzicht in de zekerheidsposities. 1.3. Op 8 augustus 2022 heeft [betrokkene] haar verzoek aangevuld middels een akte nadere toelichting met daarbij drie producties, te weten de conceptjaarrekeningen over 2019 en 2020 en een actuele crediteurenlijst. 1.4. Het Bedrijfstakpensioenfonds Mode-, Interieur-, Tapijt- en Textielindustrie (hierna: het Pensioenfonds) heeft op 28 juli 2022 een zienswijze met bijlagen ingediend en deze per e-mailbericht van 8 augustus 2022 aangevuld. 1.5. Het verzoek is via een video-verbinding op 9 augustus 2022 in raadkamer behandeld. Namens [betrokkene] is haar (middellijk) bestuurder, de heer [naam 1] verschenen, bijgestaan door mr. Van Ruitenbeek voornoemd. 1.6. De rechtbank heeft bepaald dat zij vandaag uitspraak zal doen. 2De feiten De rechtbank gaat uit van de volgende feiten: 2.1. [betrokkene] is statutair gevestigd te [vestigingsplaats] . Blijkens haar inschrijving in de Kamer van Koophandel oefent zij haar onderneming uit in [plaats] . Het bestuur van [betrokkene] wordt, via hun financiële holding [naam bedrijf] B.V., gevormd door de heer [naam 1] en mevrouw [naam 2] . 2.2. Bij rekesten van 2 mei 2022 respectievelijk 16 juni 2022 hebben [naam bv] B.V. en het Pensioenfonds het faillissement van [betrokkene] verzocht. De behandeling van beide rekesten is aangehouden tot 30 augustus 2022. 3Het verzoek en de toelichting daarop 3.1. [betrokkene] heeft de rechtbank op grond van artikel 376 Fw verzocht voor haar een afkoelingsperiode af te kondigen voor een periode van twee maanden. Zij stelt dat zij in de in artikel 370 lid 1 Fw bedoelde toestand verkeert. Met de afkoeling en het aan te bieden akkoord wordt geen voortzetting van de onderneming beoogd. In plaats daarvan wenst [betrokkene] tot een gecontroleerde afwikkeling van de bedrijfsvoering te komen ten gunste van alle schuldeisers. Een voorwaarde daarvoor is, dat het door het Pensioenfonds ingediende verzoek tot faillietverklaring van [betrokkene] gedurende de afkoelingsperiode wordt geschorst althans niet wordt doorgezet. Met [naam bv] B.V. is inmiddels een regeling getroffen. 3.2. Tijdens de behandeling in raadkamer is hieraan het volgende toegevoegd. In 2019 heeft de heer [naam 3] , via één van zijn vennootschappen, de vennootschap, met daarin onder meer een licentie om de merknaam [merknaam] te gebruiken, overgedaan aan [naam 1] en [naam 2] . Daarbij zijn ten gunste van (uiteindelijk) [naam 3] zekerheden op de activa van [betrokkene] gevestigd. Hoewel de onderneming toen al verlieslatend was (in 2018-2019 werd een verlies van circa € 2 miljoen geboekt), verwachtten [naam 1] en [naam 2] door kosten te drukken tot een gezonde bedrijfsvoering te kunnen komen. Corona heeft die ambitie doorkruist. [naam 3] heeft daarop zijn zekerheidsrechten uitgewonnen, waardoor nu nagenoeg geen activa meer aanwezig zijn. De licentie om de merknaam [merknaam] te gebruiken is beëindigd en aan een andere (aan [naam 3] gelieerde) onderneming verstrekt. [betrokkene] heeft geen toekomst meer. 3.3. [naam 3] wenst een rol te spelen bij de fatsoenlijke afwikkeling van [betrokkene] . Hij heeft daarom de intentie een bedrag ter beschikking te stellen om het aan te bieden liquidatieakkoord te financieren. [betrokkene] is in onderhandeling met [naam 3] over de hoogte van het bedrag en de voorwaarden waaronder dat beschikbaar zal komen. 3.4. Op deze stellingen, en op hetgeen [betrokkene] verder aan haar verzoek ten grondslag heeft gelegd, gaat de rechtbank hierna, voor zover van belang, in haar beoordeling in. 4De zienswijze van het Pensioenfonds 4.1. Het Pensioenfonds heeft zijn zienswijze op het verzoek van [betrokkene] bij e-mailbericht met bijlagen van 28 juli 2022 en bij e-mailbericht van 8 augustus 2022 kenbaar gemaakt. Het Pensioenfonds wenst integraal te worden betaald maar heeft geen zekerheid dat dit ook zal plaatsvinden. Het fonds heeft geen vertrouwen in het welslagen van een akkoord, waarvoor de (cijfermatige) onderbouwing vooralsnog ontbreekt. De rechtbank dient het verzoek van [betrokkene] af te wijzen wanneer het Pensioenfonds niet terstond volledig wordt betaald of voldoende zekerheid wordt gesteld. Voor zover van belang voor haar beslissing, gaat de rechtbank hierna op de zienswijze in. 5De beoordeling 5.1. Het onderhavige verzoek is een verzoek op basis van titel IV van de Faillissementswet (Homologatie van een onderhands akkoord, artikel 369 e.v. Fw). Het verzoek ziet op het afkondigen van een afkoelingsperiode (artikel 376 Fw). 5.2. [betrokkene] heeft de keuze gemaakt voor een besloten akkoordprocedure. Nu [betrokkene] deze keuze heeft gemaakt, is dit verzoek in raadkamer behandeld. Rechtsmacht en bevoegdheid 5.3. [betrokkene] is statutair gevestigd in [vestigingsplaats] en oefent haar onderneming (althans oefende deze laatstelijk) uit in [plaats] . Op grond van artikel 369 lid 7 sub b Fw juncto artikel 3 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht. De rechtbank Amsterdam is op grond van artikel 369 lid 8 Fw relatief bevoegd het verzoek in behandeling te nemen. Startverklaring en afkoelingsperiode 5.4. [betrokkene] heeft op 18 juli 2022 een verklaring als bedoeld in artikel 370 lid 3 Fw gedeponeerd ter griffie van de rechtbank. [betrokkene] heeft toegezegd dat zij binnen een termijn van twee maanden een akkoord als bedoeld in artikel 370 lid 1 Fw zal aanbieden. [betrokkene] kan dan ook worden ontvangen in haar verzoek om afkondiging van een afkoelingsperiode. 5.5. Uit artikel 376 lid 4 Fw volgt dat een afkoelingsverzoek zal worden toegewezen indien summierlijk blijkt dat (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.