vonnis RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling privaatrecht, voorzieningenrechter civiel zaaknummer / rolnummer: C/13/721497 / KG ZA 22-722 HH/EB Vonnis in kort geding van – bij vervroeging – 29 augustus 2022 in de zaak van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [eiseres] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats 2] , eiseres in conventie, verweerster in reconventie, advocaat mr. M.R. van Buiten te Haarlem, tegen 1 [gedaagde 1] , wonende te [woonplaats 1] , 2. [gedaagde 2], wonende te [woonplaats 2] , 3. [gedaagde 3], wonende te [woonplaats 3] , 4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [gedaagde 4] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats 1] , gedaagden in conventie, vrijwillig verschenen, eisers in reconventie, advocaat mr. T.J. van Vugt te Amsterdam. Partijen zullen hierna [eiseres] en de verhuurders worden genoemd. Afzonderlijk zullen de verhuurders [gedaagde 1] , [gedaagde 2] , [gedaagde 3] en [gedaagde 4] worden genoemd. 1De procedure Op de zitting van 23 augustus 2022 heeft [eiseres] de vorderingen zoals omschreven in de dagvaarding toegelicht. De verhuurders hebben verweer gevoerd en een tegenvordering (eis in reconventie) aangekondigd. [eiseres] heeft bezwaar gemaakt tegen het toelaten van die tegenvordering, omdat die niet binnen de in het procesreglement gestelde termijn is ingediend. De voorzieningenrechter heeft partijen laten weten in dit vonnis te zullen beslissen over het al dan niet toelaten van de tegenvordering. [eiseres] heeft de tegenvordering ook inhoudelijk bestreden. [eiseres] heeft stukken (producties) ingediend en beide partijen hebben een pleitnota in het geding gebracht. Ter zitting waren aan de zijde van [eiseres] aanwezig [naam 1] en [naam 2] (indirect bestuurders) en mr. Van Buiten. Aan de zijde van de verhuurders waren aanwezig [gedaagde 1] , [naam 3] (indirect bestuurder van [gedaagde 4] ) en mr. Van Vugt. Vonnis is bepaald op 31 augustus 2022. Naderhand zijn partijen geïnformeerd dat de vonnisdatum is vervroegd naar 29 augustus 2022. 2De feiten 2.1. [eiseres] huurt van de verhuurders al jaren verschillende ramen (voor prostitutie) op de Amsterdamse Wallen. Verhuurder Aantal ramen Maandelijkse huurprijs [gedaagde 1] 10 € 28.000,00 [gedaagde 2] 2 € 5.250,00 [gedaagde 3] 2 € 5.300,00 [gedaagde 4] 4 € 13.250,00 2.2. Op de huurovereenkomsten met [gedaagde 1] en [gedaagde 4] zijn algemene voorwaarden van toepassing, waarvan artikel 18.2 als volgt luidt: “Telkens indien een uit hoofde van de huurovereenkomst door huurder verschuldigd bedrag niet prompt op de vervaldag is voldaan, verbeurt huurder aan verhuurder van rechtswege per kalendermaand vanaf de vervaldag van dat bedrag een direct opeisbare boete van 2% van het verschuldigde per kalendermaand, waarbij elke ingetreden maand als een volle maand geldt, met een minimum van € 300,00 per maand.” 2.3. Door de coronapandemie en de van overheidswege opgelegde sluiting van de ramen is exploitatie van de ramen vanaf maart 2020 bij tijden helemaal niet, en soms beperkt mogelijk geweest. Daardoor is een huurachterstand ontstaan. Verhuurders hebben over de periodes waarin exploitatie helemaal niet mogelijk was een huurkorting van 100% verleend. Over de periodes waarin exploitatie beperkt mogelijk, hebben alle verhuurders behalve [gedaagde 2] een huurkorting van 50% verleend. [gedaagde 2] maakte over die periodes aanspraak op de volledige huur. 2.4. Omdat ook na het maken van deze afspraken een geschil was ontstaan over de huurbetaling, hebben de verhuurders [eiseres] gedagvaard voor de kantonrechter van deze rechtbank en achterstallige huur gevorderd. In reconventie heeft [eiseres] huurverlaging gevorderd. Zij nam het standpunt in dat sprake was van onvoorziene omstandigheden die, mede gelet op de bijzondere aard van de overeenkomsten, recht zouden geven op een hogere korting dan gebruikelijk op grond van de zogenoemde corona-jurisprudentie. In een tussenvonnis van 27 december 2021 staan onder meer de volgende overwegingen: “(…) 13. De kernvraag in dit geschil is of met de door [gedaagden] aangeboden huurkortingen gedurende de periode maart 2020 tot en met juni 2021 in verband met de coronacrisis, nog steeds sprake is van een disbalans tussen partijen, zoals [eiseres] stelt, en [gedaagden] betwisten. 14. De kantonrechter stelt vast dat de door [gedaagden] aangeboden huurkortingen afwijken van het in de corona jurisprudentie ingenomen uitgangspunt, kort gezegd, dat het nadeel dat de huurder lijdt als gevolg van de coronacrisis gelijkelijk (50/50) tussen verhuurder en huurder dient te worden verdeeld volgens een bepaalde formule. (…) Omstandigheden die verdere afwijking uitgangspunt rechtvaardigen? 16. In de corona jurisprudentie zijn prejudiciële vragen gesteld, waaronder de vraag welke omstandigheden van het geval meewegen bij het bepalen of verdelen van de schade in het geval de beperking in het gebruik van het gehuurde een onvoorziene omstandigheid is die tot huurprijsvermindering leidt. De procureur-generaal heeft op die vraag als volgt geantwoord: (…) Als uitgangspunt dient het bedoelde nadeel gelijkelijk (50/50) tussen verhuurder en huurder te worden verdeeld. Omstandigheden die als zodanig losstaan van de verstoring van het contractuele evenwicht tussen de prestaties van verhuurder en huurder bij de huur van bedrijfsruimte door de coronacrisis, kunnen een afwijking van dit uitgangspunt rechtvaardigen. Naar de kantonrechter begrijpt strekt het betoog van [eiseres] ertoe dat laatst bedoelde omstandigheden zich voordoen en daarom afwijking rechtvaardigen van het uitgangspunt dat het nadeel gelijkelijk tussen huurder en verhuurder dient te worden verdeeld. 17. Het betoog van [eiseres] slaagt niet. Daartoe wordt het volgende overwogen. 18. [eiseres] heeft de feiten en omstandigheden die volgens haar noodzaken tot afwijking van voornoemd uitgangspunt uiteengezet in randnummers 5 tot en met 10 van de conclusie van antwoord. Deze omstandigheden zijn naar de kern genomen dat volgens [eiseres] de verschuldigde huur extreem hoog is, omdat de opzet van de huurovereenkomsten en de bedrijfsvoering erop neerkomen dat nagenoeg de gehele omzet die door [eiseres] wordt behaald onder aftrek van kosten/lasten, waaronder een beloning voor de directie van [eiseres] verrichte beheersdiensten, in de vorm van huur/pacht wordt betaald. De huurprijzen zijn niet gebaseerd op reële vierkante meterprijzen zoals dat gebeurt bij bedrijfspanden met een andere bestemming. Daar komt nog bij dat de huurprijzen grotendeels zijn gebaseerd op de situatie voor de in 2014 gewijzigde APV, aldus nog steeds [eiseres] . [eiseres] concludeert dat deze omstandigheden rechtvaardigen dat er geen huur is verschuldigd zolang de vaste lasten hoger zijn dan de omzet. Ter onderbouwing heeft [eiseres] verwezen naar de ingebrachte financiële stukken. 19. [gedaagden] hebben het betoog van [eiseres] betwist. Daartoe is onbetreden gesteld dat partijen geen omzetafhankelijke huurprijzen zijn overeengekomen dat dat dit ook nooit de bedoeling is geweest. Onbetwist is in dat verband gesteld dat huurovereenkomsten al jaren lopen en dat de overeengekomen – vaste – huurprijs is betaald, ongeacht de hoogte van de omzet. 20. Mede gelet op het voorgaande acht de kantonrechter niet aannemelijk geworden dat partijen een omzetafhankelijke huurprijs zijn overeengekomen. Dat sprake is van een extreem hoge huur is betwist, en valt bij gebrek aan gegevens over huurprijzen van de omliggende ruimtes waar raamprostitutie wordt geëxploiteerd, niet vast te stellen. Daargelaten dat niet is gebleken dat een hoge huurprijs [eiseres] vóór de coronacrisis heeft gehinderd in een rendabele exploitatie van de Ramen. 21. [eiseres] heeft – behalve een beroep op haar financiële cijfers in jaar 2020 – geen andere aanknopingspunten gesteld die haar stelling onderbouwen dat sprake is van omstandigheden die rechtvaardigen dat geen huur is verschuldigd zolang de vaste lasten hoger zijn dan de omzet. De omstandigheid dat [eiseres] een aanzienlijk omzetverlies lijdt door de overheidsmaatregelen is in het licht van het – om die reden – ontwikkelde uitgangspunt voor aanpassing van de huurovereenkomst op basis van artikel 6:658 BW op zich zelf onvoldoende om te concluderen tot een verminderde huurprijs zoals [eiseres] heeft gevorderd. De kantonrechter heeft vervolgens geconcludeerd dat de gevorderde huurkorting niet toewijsbaar is voor alle verhuurders uitgezonderd [gedaagde 2] . Zij heeft overwogen wel voornemens te zijn de huurprijs in de relatie met hem aan te passen, omdat [gedaagde 2] door de verstrekkende gevolgen van (de maatregelen tegen) het coronavirus geen ongewijzigde instandhouding van de overeenkomst mocht verwachten. De kantonrechter heeft in dit tussenvonnis bij [eiseres] informatie opgevraagd die nodig is voor aanpassing van de huurprijs. 2.5. Bij akte na tussenvonnis heeft [eiseres] informatie en berekeningen aangeleverd. In deze akte heeft [eiseres] ook nog een voorwaardelijk beroep op verrekening ten aanzien van [gedaagde 3] en [gedaagde 4] gedaan. Dat beroep houdt in dat [eiseres] in de maand augustus 2020 de volledige huur heeft voldaan, terwijl zij slechts 50% verschuldigd was, wat [gedaagde 3] en [gedaagde 4] volgens [eiseres] erkenden. Bij antwoordakte na tussenvonnis heeft [gedaagde 2] de berekeningen van [eiseres] geaccepteerd, hoewel daaraan volgens hem het nodige schortte. De verhuurders hebben wel verzocht de laatste twee pagina’s van de akte na tussenvonnis (met daarin onder meer het voorwaardelijke beroep op verrekening) buiten beschouwing te laten, omdat de inhoud van die pagina’s in hun visie een verkapte conclusie is die in strijd is met de goede procesorde. 2.6. Bij eindvonnis van 29 april 2022 heeft de kantonrechter de vorderingen van de verhuurders toegewezen. Wel heeft zij de door [gedaagde 2] gevorderde huurachterstand gematigd. In hoofdsom moest [eiseres] aan [gedaagde 1] € 68.706,35 betalen, aan [gedaagde 2] € 16.086,00, aan [gedaagde 3] € 8.722,96 en aan [gedaagde 4] € 21.614,35. In reconventie heeft de kantonrechter de vordering van [eiseres] afgewezen. In het eindvonnis staat verder in rechtsoverweging 5. onder meer het volgende: “In haar akte heeft [eiseres] een voorwaardelijk beroep op verrekening gedaan in verband met huurbetalingen na juni 2021. Omdat het geschil geen betrekking heeft op huurverplichtingen na 1 juni 2021 kan het beroep op verrekening reeds daarom niet slagen.” 2.7. [eiseres] heeft aan de veroordelingen voldaan, maar wel hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de kantonrechter. Aan [gedaagde 1] is vervolgens ook de huur over de maand juli 2021 volledig voldaan. 2.8. Omdat vanaf januari 2022 weer een huurachterstand was ontstaan, hebben de verhuurders [eiseres] opnieuw in rechte aangesproken, ditmaal bij de voorzieningenrechter van deze rechtbank. Bij vonnis van 21 juli 2022 zijn de vorderingen van de verhuurders toegewezen. [eiseres] is onder meer veroordeeld tot betaling (telkens in hoofdsom) van € 41.595,28 aan [gedaagde 1] , € 7.903,05 aan [gedaagde 2] , € 7.997,51 aan [gedaagde 3] en € 18.153,53 aan [gedaagde 4] te weten de huurachterstanden over de maanden januari tot en met juni 2022. Daarnaast is [eiseres] veroordeeld tot ontruiming van de gehuurde ramen. Alle beslissingen zijn uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Dit vonnis bevat onder meer de volgende overwegingen: “(…) 4.1. Eisers hebben in die periode tot 1 januari 2022 een huurprijsvermindering toegepast (…) De kantonrechter heeft voorts de gevorderde huurachterstand tot 1 januari 2022 toegewezen, nu tegen de juistheid van de bedragen door [eiseres] geen verweer is gevoerd. (…) 4.5. Als productie 2 en 3 heeft [eiseres] ingewikkelde overzichten huurprijsvermindering ingediend, op grond waarvan zij betoogt dat zij in de periode vóór 1 januari 2022 te veel huur heeft betaald en zij een tegenvordering heeft op eisers. De hoogte van de huurachterstand in de periode tot 1 januari 2022 is echter onderwerp van geschil geweest bij de kantonrechter die daarover reeds vonnis heeft gewezen. In dit kort geding kan daarover niet opnieuw worden geoordeeld. (…) 4.6. [eiseres] stelt voorts dat zij nog steeds te maken heeft met een omzetdaling en dat corona en de negatieve gevolgen nog niet zijn verdwenen. Eisers maken volgens [eiseres] dan ook ten onrechte voor de maand januari aanspraak op 50% van de huur en voor de maand februari, maart en juni aanspraak op de volledige huur. Zij gaat daarmee ten onrechte voorbij aan de 50%-100%-afspraak. Aldus [eiseres] . De voorzieningenrechter volgt dat standpunt niet. Over januari 2022 is het redelijk dat de 50% afspraak is gebruikt. Er bestonden toen immers nog overheidsmaatregelen. In februari 2022 werden deze maatregelen minder streng en was exploitatie de hele maand mogelijk. Dat de volledige huur over die maand is gevorderd is dan ook niet onredelijk. Daarna waren er geen overheidsmaatregelen meer en was huurkorting niet meer nodig. [eiseres] kan geen aanspraak meer maken op huurprijsvermindering. Het nadeel dat [eiseres] heeft omdat zij nog steeds minder omzet heeft, hetgeen overigens door eisers wordt betwist, kan zij in die zin niet meer met haar verhuurders delen. 4.7. (…) Eisers hebben een spoedeisend belang bij de betaling van deze huurachterstand. Het gaat immers om een tweede huurachterstand, die kort na de eerste achterstand is ontstaan. Verder zijn er zorgen over de financiële situatie van [eiseres] . In haar brief van 1 juni 2022 heeft [eiseres] dit zelf aangekaart en op een faillissement gezinspeeld. De moeizame manier waarop de huur al dan niet wordt betaald en de uitleg daarvoor is ook een teken dat er financiële problemen zijn. Tot slot is er geen enkele aanwijzing dat, zoals [eiseres] heeft aangevoerd, aan de zijde van eisers sprake is van een restitutierisico. (…) 4.10. De voorzieningenrechter acht voldoende aannemelijk dat de bodemrechter de ontruiming van de ramen zal toewijzen nu er opnieuw een huurachterstand is ontstaan. Hoewel het bedrag aanzienlijk lager is dan bij de eerste achterstand weegt zwaar mee dat het om een tweede achterstand gaat. Het standpunt van [eiseres] dat minstens sprake moet zijn van een huurachterstand van drie maanden gaat in deze zaak niet op. De belangen van eisers bij ontruiming wegen zwaarder dan de belangen van onderhuurders die de ramen huren. Zij ontvangen immers al jarenlang niet tijdig de huur en daarmee is ook het spoedeisend belang gegeven. (…)” 2.9. Het vonnis van de voorzieningenrechter is door alle verhuurders op 12 augustus 2022 aan [eiseres] betekend, met bevel om binnen veertien dagen te voldoen aan de veroordeling, bij gebreke waarvan de gerechtelijke ontruiming is aangezegd tegen 7 september 2022. 2.10. [eiseres] heeft spoedappel ingesteld tegen het vonnis van de voorzieningenrechter. 3De vordering in conventie [eiseres] vordert, kort gezegd:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.