ECLI:NL:RBAMS:2022:5169
vonnis RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling privaatrecht zaaknummer: 9691653 CV EXPL 22-2554 vonnis van: 17 juni 2022 fno.: 51306 vonnis van de kantonrechter in het incident I n z a k e [eiseres] wonende te [woonplaats] eiseres verweerster in het incident nader te noemen: [eiseres] gemachtigde: mr. A. Bouwmeester t e g e n 1de Nederlandse Stichting voor het Gehandicapte Kind e n 2de Stichting Dierenopvang Amsterdam beiden gevestigd te Amsterdam gedaagdeneisers in het incident nader te noemen: de Stichtingen gemachtigde: mr. P.G. Knoppers VERLOOP VAN DE PROCEDURE Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende stukken: - de dagvaarding van 7 februari 2022, met producties;- de conclusie van antwoord, tevens inhoudende een eis in incident, met producties;- de rolmededeling van 22 april 2022; - de antwoordakte in incident van [eiseres] .
GRONDEN VAN DE BESLISSING Feiten 1. Als gesteld en niet (voldoende) weersproken staat het volgende vast:
1.1. [eiseres] is op 24 september 2004 in gemeenschap van goederen gehuwd met [erflater] (de erflater).
1.2.
Op 11 november 2020 is de erflater overleden.
1.3.
Op 21 april 2021 heeft [eiseres] een brief van de notaris ontvangen, waarin staat dat de erflater in 1997 een testament heeft opgemaakt. In dat testament is in eerste instantie [erfgenaam] als erfgenaam aangemerkt. Zij overleed echter eerder dan de erflater.
1.4.
In tweede instantie zijn de Stichtingen in het testament als erfgenaam aangemerkt. Zij hebben de erfenis beneficiair aanvaard.
1.5.
Op 5 mei 2021 heeft [eiseres] de Stichtingen aangeschreven en aanspraak gemaakt op het vestigen van het vruchtgebruik op de vermogensbestanddelen van de nalatenschap.
Het geschil in de hoofdzaak 1. In de hoofdzaak heeft [eiseres] (onder meer) gevorderd dat de kantonrechter de Stichtingen veroordeelt om mee te werken aan de vestiging van het vruchtgebruik op de echtelijke woning en de inboedel op grond van artikel 4:29 van het Burgerlijk Wetboek (BW) en op de andere goederen van de nalatenschap op grond van artikel 4:30 BW. in het incident 2. De Stichtingen hebben naar voren gebracht dat volgens hen niet de kantonrechter maar de Rechtbank bevoegd is om kennis te nemen van het geschil. Volgens de Stichtingen moet [eiseres] daarom niet ontvankelijk worden verklaard, althans moet de zaak worden verwezen. De Stichtingen verwijzen hierbij naar artikel 93 e.v. van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) en stellen zich op het standpunt dat er duidelijke aanwijzingen zijn dat de vorderingen een hogere waarde vertegenwoordigen dan € 25.000,-.
Beoordeling in het incident 4. In de eerste plaats wordt opgemerkt dat in het testament van de erflater niet is bepaald welke instantie bevoegd is om kennis te nemen van het geschil. Dit betekent dat uit de wet volgt of de kantonrechter bevoegd is om kennis te nemen van het geschil in de hoofdzaak.
BESLISSING De kantonrechter: in het incident:
I. verklaart zich onbevoegd om van de vorderingen van [eiseres] kennis te nemen;
II. veroordeelt [eiseres] in de proceskosten in het incident, welke aan de zijde van de Stichtingen tot op heden worden begroot op € 187,- aan salaris gemachtigde; in de hoofdzaak:
III. verwijst de zaak in de stand waarin deze zich bevindt daar de rolzitting van woensdag 20 juli 2022 van een kamer voor andere zaken dan kantonzaken van deze rechtbank;
IV. wijst partijen erop dat nog een bedrag aan griffierecht zal worden (bij)geheven;
V. wijst partijen erop dat zij voor wat betreft het vervolg van de procedure slechts door tussenkomst van een advocaat proceshandelingen kunnen verrichten.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.W. van der Veen, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2022 in tegenwoordigheid van de griffier.