RECHTBANK AMSTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: AMS 21/3259 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 juli 2022 in de zaak tussen [eiseres] , te Amsterdam, eiseres (gemachtigde: mr. P.S. Folsche) en de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, verweerder (gemachtigde: mr. H. Bouwhuys). Inleiding 1.1 In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar aanvraag voor het verkrijgen van studiefinanciering over de periode september 2020 tot en met december 2021 (periode in geding). Eiseres heeft de Roemeense nationaliteit en is daarmee een burger van een lidstaat van de Europese Unie (Unieburger). Zij studeert aan de Vrije universiteit van Amsterdam. Eiseres heeft van 28 augustus 2020 tot en met 28 mei 2021 stage gelopen bij het bedrijf [naam] en voor het resterende deel van de periode in geding heeft zij (op basis van een arbeidsovereenkomst) voor het bedrijf [naam] gewerkt. Verweerder heeft aan eiseres over de hele periode in geding collegegeldkrediet toegewezen, maar heeft de overige studiefinancieringsonderdelen (lening, reisvoorziening en aanvullende beurs) afgewezen bij besluit van 13 november 2020 (het primaire besluit). Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen dat besluit. Verweerder heeft het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard bij besluit van 5 mei 2021 (het bestreden besluit). Eiseres is het daar niet mee eens en heeft daarom dit beroep ingesteld. 1.2 Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. 1.3 De rechtbank heeft het beroep op 13 juni 2022 op zitting behandeld. Eiseres is verschenen en heeft zich laten bijstaan door haar gemachtigde en door een tolk in de Engelse taal, [persoon] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Beoordeling door de rechtbank Migrerend werknemer 2.1 Het onderhavige geschil gaat er om of eiseres over de periode in geding recht had op (volledige) studiefinanciering. Unieburger-studenten hebben op grond van de Wet studiefinanciering 2000 (de Wsf) recht op (volledige) studiefinanciering als zij kunnen worden aangemerkt als migrerend werknemer zoals bedoeld in artikel 45 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (het VWEU). Uit vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het HvJ) volgt dat het begrip werknemer een Unierechtelijk begrip is en niet te beperkt mag worden uitgelegd. Als iemand reële en daadwerkelijke arbeid verricht – en de werkzaamheden dus niet van zo geringe omvang zijn dat zij louter marginaal en bijkomstig zijn – is hij migrerend werknemer. Als iemand gedurende een bepaalde tijd voor een ander en onder diens gezag werkzaamheden verricht tegen beloning is er in beginsel sprake van reële en daadwerkelijke arbeid. Bij deze beoordeling moeten alle feiten en omstandigheden, die te maken hebben met de aard van zowel de betrokken werkzaamheden als de betreffende (arbeids)verhouding, in zijn geheel worden betrokken. Werk dat op grond van een stageovereenkomst is verricht kan evengoed reële en daadwerkelijke arbeid zijn. Het gaat er kortgezegd om hoe de feitelijke situatie en de feitelijke (arbeids)verhouding eruit ziet. 2.2 Eiseres stelt primair dat zij reële en daadwerkelijke arbeid heeft verricht en migrerend werknemer is, daarom heeft zij recht op studiefinanciering. Bij [naam] heeft eiseres acht maanden lang, ongeveer 130 uur per maand, onder gezag en toezicht van de werkgever en tegen een vergoeding gewerkt. Bij [naam] heeft eiseres ook reële en daadwerkelijke arbeid verricht. De onderbouwing hiervoor kon ten tijde van de bezwaarprocedure nog niet worden geleverd, omdat dit op een toekomstige periode zag. In beroep heeft eiseres alsnog een arbeidsovereenkomst overgelegd. 2.3 De rechtbank volgt het standpunt van eiseres deels. De bewijslast om aannemelijk te maken dat er sprake is van reële en daadwerkelijke arbeid ligt in beginsel bij eiseres. Zij zal daarvoor voldoende onderbouwing moeten leveren. Over de maanden september 2020 tot en met mei 2021 heeft eiseres een stageovereenkomst, loonstrookjes en een verzekeringsbericht van het UWV overgelegd. Op zitting heeft eiseres nog twee stukken – een richtlijn voor het scouting-proces van [naam] en een door haar opgestelde brief (ter voorbereiding van een werkoverleg) – overgelegd. Uit de overgelegde stukken blijkt naar het oordeel van de rechtbank niet dat er tijdens de stage sprake is van reële en daadwerkelijke arbeid, omdat daaruit niet volgt dat feitelijke werkzaamheden van eiseres meer dan louter marginaal en bijkomstig zijn. Dat de stage gold voor een bepaalde tijd en voor meer dan 56 uur per maand, maakt dat niet anders. Verweerder heeft tot zover dus terecht geconcludeerd dat eiseres over de voornoemde periode geen migrerend werknemer is en dus geen recht heeft op studiefinanciering. 2.4 Dit is anders ten aanzien van de resterende periode in geding (juni tot en met december 2021). Op zitting heeft verweerder het bestreden besluit met betrekking tot deze periode deels gewijzigd, in die zin dat eiseres voor de periode juli tot en met november 2021 recht heeft op studiefinanciering omdat in beroep is gebleken dat over die periode wel reële en daadwerkelijke arbeid is verricht. Dat betekent dat de rechtbank alleen nog een oordeel moet geven over de maanden juni en december
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.