RECHTBANK AMSTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: AMS 21/1935 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 september 2022 in de zaak tussen [eiser] , te Assendelft, eiser (gemachtigde: mr. N.G.A Voorbach), en de heffingsambtenaar van de gemeente Ouder-Amstel. Procesverloop Op 13 mei 2020 heeft de heffingsambtenaar aan eiser een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd. In februari 2021 heeft eiser een ingebrekestelling verstuurd aan verweerder. In maart 2021 heeft eiser verzocht om een dwangsom. Met een uitspraak op bezwaar van 10 februari 2021 (de bestreden uitspraak) heeft de heffingsambtenaar het bezwaar van eiser gegrond verklaard. De heffingsambtenaar heeft daarbij de aanslag vernietigd. De bestreden uitspraak is op 3 maart 2021 nogmaals naar eiser verstuurd, omdat hij deze niet had ontvangen. Eiser heeft op 31 maart 2021 tegen de bestreden uitspraak beroep ingesteld. Op 8 juni 2021 heeft eiser beroep ingesteld tegen het niet-tijdig nemen van een besluit op zijn bezwaar. Bij uitspraak van 9 september 2021 heeft de rechtbank dat beroep niet-ontvankelijk verklaard. Eiser heeft tegen deze uitspraak verzet ingesteld. Bij uitspraak van 29 maart 2022 is het verzet gegrond verklaard. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 juni
- Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De heffingsambtenaar is verschenen in de persoon van [heffingsambtenaar] Overwegingen
- De rechtbank stelt in de eerste plaats vast, zoals de rechtbank in de verzetsuitspraak van 29 maart 2022 reeds heeft geoordeeld, dat de heffingsambtenaar niet in gebreke is geweest. Op 10 februari 2021 is een uitspraak op bezwaar genomen waarbij de naheffingsaanslag van eiser is kwijtgescholden. Daarmee is de heffingsambtenaar volledig tegemoetgekomen aan eiser. Om die reden heeft eiser geen belang meer bij het ingestelde beroep daartegen en kon hij in principe ook geen beroep meer instellen tegen het niet tijdig nemen van een besluit nu de heffingsambtenaar niet in gebreke was een besluit op zijn bezwaar te nemen.
- Ter zitting heeft de gemachtigde van eiser verklaard dat er geen expliciet besluit is genomen op zijn ingebrekestelling van 5 januari 2021 en dat dus ook niet is beslist op zijn dwangsomverzoek.
- De rechtbank begrijpt eiser zo dat hij zowel beroep heeft ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op de aanvraag, als tegen het niet (tijdig) beslissen op de ingebrekestelling en dwangsom. Als na de ingebrekestelling binnen de daartoe gestelde termijn nog steeds niet wordt beslist op de aanvraag kan, anders dan eiser stelt, alleen beroep worden ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op de aanvraag en niet apart ook tegen het niet tijdig beslissen op de ingebrekestelling of dwangsom. Het beroep tegen het niet tijdig beslissen op de aanvraag omvat ook de ingebrekestelling en dwangsom. In de verzetsuitspraak van 29 maart 2022 heeft de rechtbank verder reeds geoordeeld dat eiser geen belang heeft bij zijn beroep, omdat de naheffingsaanslag in de uitspraak op bezwaar is vernietigd.
- Gelet op vorenstaande zal de rechtbank het beroep tegen de uitspraak op bezwaar niet-ontvankelijk verklaren. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door mr. F.P. Lauwaars, rechter, in aanwezigheid van mr. N. Bissumbhar, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 september
- griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Amsterdam, Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam. Uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 29 maart 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:3896.