RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13/082348-22 RK nummer: 22/1868 Datum uitspraak: 8 juni 2022 UITSPRAAK op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 5 april 2022 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 20 januari 2022 door de District Court in Wroclaw (Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon] , geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1981, opgegeven verblijfsadres: [BRP-adres] , gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [plaatsnaam] , hierna te noemen de opgeëiste persoon. 1Procesgang De vordering is behandeld op de openbare zitting van 25 mei 2022. Het onderzoek heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie, mr. K. van der Schaft. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman, mr. M. Rafik, advocaat te Amsterdam, en door een tolk in de Poolse taal. Op grond van artikel 22, derde lid, OLW heeft de rechtbank de termijn waarbinnen zij op grond van het eerste lid van dit artikel uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd. Deze verlenging heeft de rechtbank nodig om over de verzochte overlevering te beslissen. 2Identiteit van de opgeëiste persoon De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft. 3Ontvankelijkheid van de officier van justitie Standpunt van de verdediging De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de officier van justitie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Aan de opgeëiste persoon is een gevangenisstraf van acht maanden opgelegd. Uit het EAB volgt, volgens de raadsman, dat de opgeëiste persoon bij uitvaardiging van het EAB al zes maanden daarvan heeft uitgezeten. Omdat hij inmiddels in Nederland sinds begin april 2022 in overleveringsdetentie verblijft, zal er ten tijde van de uitspraak geen strafrestant meer bestaan. Subsidiair verzoekt de raadsman de behandeling van de zaak aan te houden zodat nadere informatie verkregen kan worden omtrent het strafrestant, omdat de aanvullende informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit van 21 april 2022 daarover onduidelijkheid schept. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de rechtbank op basis van de OLW slechts de opgelegde straf dient te toetsen. Het vaststellen van de reststraf is een Poolse aangelegenheid en geen grond voor weigering van de overlevering. Oordeel van de rechtbank In het EAB is onder rubriek
- c)vermeld dat aan de opgeëiste persoon een gevangenisstraf van acht maanden is opgelegd en dat deze straf nog geheel moet worden ondergaan. Verder volgt uit artikel 2, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ (en artikel 7 OLW) dat bij de vraag of aan de voorwaarden voor overlevering is voldaan, de duur van de opgelegde vrijheidsstraf doorslaggevend is. Dat de opgeëiste persoon nog een gevangenisstraf van acht maanden moet uitzitten, wordt bevestigd in de aanvullende informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit van 21 april 2022. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan deze informatie te twijfelen en evenmin tot het stellen van aanvullende vragen. Nu sprake is van een opgelegde vrijheidsstraf van een langere duur dan vier maanden, is voldaan aan het vereiste van artikel 7, eerste lid, onder b OLW. Niet aannemelijk is geworden dat ten tijde van deze uitspraak geen strafrestant meer bestaat en dat het onder 4 bedoelde vonnis dus niet meer voor tenuitvoerlegging vatbaar is. De opgeëiste persoon kan zijn standpunt desgewenst in Polen aan de orde stellen. De rechtbank verwerpt het verweer. 4Grondslag en inhoud van het EAB In het EAB wordt melding gemaakt van een valid verdict door de District Court for Wroclaw-Fabryczna van 10 oktober 2019 (referentie II K 471/19). De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van 8 maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis. Dit vonnis betreft het feit zoals dat is omschreven in onderdeel
- e)van het EAB. 4.1 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Uit het EAB en de aanvullende informatie blijkt dat de opgeëiste persoon niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot het vonnis heeft geleid dat aan het EAB ten grondslag ligt. Uit het EAB volgt dat de opgeëiste persoon op de zitting van 3 oktober 2019 is verschenen en dat hij vervolgens op die zitting door de rechtbank in persoon is aangezegd om op de zitting voor 10 oktober 2019 te verschijnen. Verder is hem toen medegedeeld dat een vonnis kan worden gewezen als hij niet aanwezig zou zijn bij die zitting. Omdat de omstandigheid als bedoeld in artikel 12, aanhef en onder a, OLW zich voordoet, is de weigeringsgrond op dit vonnis niet van toepassing. 5Strafbaarheid: feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, wanneer voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a 2°, OLW zijn neergelegd. De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan. Het feit levert naar Nederlands recht op: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht. 6Slotsom Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW, er ook verder geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan en geen sprake is van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven, dient de overlevering te worden toegestaan. 7Toepasselijke wetsbepalingen De artikelen 285 van het Wetboek van Strafrecht en 2, 5 en 7 OLW. 8Beslissing STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan de District Court in Wroclaw (Polen) voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel
- e)van het EAB. Aldus gedaan door mr. M.E.M. James-Pater, voorzitter, mrs. R. Godthelp en D.A. Segbedzi, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.M. Rus, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 8 juni 2022. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.