← Nederland

ECLI:NL:RBAMS:2022:5551

RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13/751995-21 RK nummer: 22/3325 Datum uitspraak: 15 september 2022 UITSPRAAK op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 24 juni 2022 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 2 augustus 2021 door the Circuit Court in Rzeszów, 2nd Criminal Division (Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [naam opgeëiste persoon] geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1990, verblijvende op het adres: [BRP-adres] hierna te noemen de opgeëiste persoon. 1Procesgang De vordering is behandeld op de openbare zitting van 1 september 2022. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie, mr. K. van der Schaft. De opgeëiste persoon is bijgestaan door haar raadsman, mr. F.P. Slewe, advocaat te Schiphol/Amsterdam en door een tolk in de Poolse taal. Op grond van artikel 22, derde lid, OLW heeft de rechtbank de termijn waarbinnen zij op grond van het eerste lid van dit artikel uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen. 2Identiteit van de opgeëiste persoon De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat zij de Poolse nationaliteit heeft. 3Grondslag en inhoud van het EAB In het EAB wordt melding gemaakt van een decision of the District Court in Rzeszów dated 05.02,2020, file reference number X Kp 845/19 on application of temporarv arrest for a period of one month from the date of arrest, for the needs of case PO I Ds.70.2020 of the Circuit Prosecutor's Office in Rzeszów. De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Pools recht strafbare feiten. Deze feiten zijn omschreven in onderdeel

  1. e)van het EAB. 4Strafbaarheid: feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit de strafbare feiten heeft aangeduid als feiten vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. Deze feiten vallen op deze lijst onder nummer 20, te weten: oplichting Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van Polen een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld. 5De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW De opgeëiste persoon heeft niet de Nederlandse, maar wel de Poolse nationaliteit. Dat betekent dat zij, om in aanmerking te komen voor een terugkeergarantie als bedoeld in artikel 6, derde lid, van de OLW, moet voldoen aan de voorwaarden voor gelijkstelling met een Nederlander, die in artikel 6, derde lid, van de OLW zijn neergelegd: 1. ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig verblijf in Nederland als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000; 2. vervolgingsmogelijkheid in Nederland voor de feiten die aan het Europees aanhoudingsbevel ten grondslag liggen; 3. ten aanzien van de opgeëiste persoon bestaat de verwachting dat zij niet haar recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van een aan haar na overlevering opgelegde straf of maatregel. Standpunt van de raadsman De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de opgeëiste persoon gelijkgesteld kan worden met een Nederlander, zoals bedoeld in artikel 6, derde lid, OLW. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft de raadsman tijdig diverse stukken overgelegd, onder andere met betrekking tot het arbeidsverleden van de opgeëiste persoon in Nederland. De raadsman heeft gesteld dat op basis van deze stukken is komen vast te staan dat de opgeëiste persoon tenminste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland heeft verbleven. De raadsman heeft de rechtbank verzocht de overlevering te weigeren, omdat een garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW vooralsnog ontbreekt. Subsidiair heeft hij verzocht om aanhouding van de zaak om de Immigratie en Naturalisatie Dienst (hierna: IND) te bevragen over de derde voorwaarde en om een terugkeergarantie op te vragen. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de opgeëiste persoon niet kan worden gelijkgesteld met een Nederlander op grond van artikel 6, derde lid, OLW. Op basis van de stukken die de raadsman heeft overgelegd kan volgens hem niet worden vastgesteld dat de opgeëiste persoon tenminste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland heeft verbleven. Uit de overgelegde stukken blijkt onvoldoende dat de opgeëiste persoon gedurende een periode van vijf jaar hier haar verblijfplaats heeft gehad. Voor het geval de rechtbank tot een ander oordeel komt, heeft de officier van justitie ter zitting een IND-bevraging en een terugkeergarantie overgelegd. Oordeel van de rechtbank De rechtbank is van oordeel dat aan de eerste van de hiervoor genoemde voorwaarden is voldaan. De opgeëiste persoon heeft – met de door haar overgelegde stukken – aangetoond dat zij ten tijde van de uitspraak gedurende een periode van minimaal vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland heeft verbleven. Uit de stukken blijkt dat de opgeëiste persoon van 2017 tot en met 2021 aan de inkomenseis heeft voldaan. De opgeëiste persoon stond vanaf 15 april 2021 ingeschreven in de Basisregistratie Personen op adressen in Nederland. Uit de overgelegde stukken blijkt dat zij in de daaraan voorafgaande jaren heeft gewerkt voor verschillende uitzendbureaus. Haar stelling dat zij ook via die uitzendbureaus werd gehuisvest, vindt steun in een groot aantal salarisspecificaties van diverse uitzendbureaus over die jaren waarop steeds huisvestingskosten in mindering zijn gebracht op haar salaris. Op basis van die gegevens, in combinatie met het aantal door haar gewerkte uren concludeert de rechtbank dat zij ook in de periode van 2017 tot 15 april 2021 in Nederland haar feitelijke verblijfplaats heeft gehad. Daarnaast is aan de tweede voorwaarde, zoals bedoeld in artikel 6, derde lid, OLW voldaan nu Nederland rechtsmacht heeft voor de feiten die aan het EAB ten grondslag liggen. De rechtbank moet ten slotte toetsen of is voldaan aan de derde voorwaarde voor gelijkstelling met een Nederlander. Dat gebeurt aan de hand van een verklaring van de IND over de verwachting of de opgeëiste persoon al dan niet haar recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van een haar na overlevering opgelegde straf of maatregel. In de brief van 24 augustus 2022 heeft de IND meegedeeld dat de strafrechtelijke feiten er niet toe leiden dat de opgeëiste persoon haar verblijfsrecht verliest. Ook aan de derde voorwaarde is daarmee voldaan. De rechtbank stelt dan ook vast dat is voldaan aan de hiervoor genoemde voorwaarden voor gelijkstelling met een Nederlander op basis van artikel 6, derde lid, OLW. De overlevering van de opgeëiste persoon kan daarom worden toegestaan, indien naar het oordeel van de rechtbank is gewaarborgd dat, zo zij ter zake van de feiten waarvoor de overlevering kan worden toegestaan in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf wordt veroordeeld, zij deze straf in Nederland zal mogen ondergaan. De Regional Prosecutor in Rzeszów (Polen) heeft op 24 augustus 2022 de volgende garantie gegeven: Subject: [naam opgeëiste persoon] , ur. [geboortedag] 1990 (…) In response to the letter of 23.08.2022, we guarantee, that in case the wanted person after the surrender is sentenced to an unconditional and irrevocable prison sentence in Poland, she will be allowed to carry out this punishment in the Netherlands. Naar het oordeel van de rechtbank is de hiervoor vermelde garantie voldoende. 6Artikel 11 OLW: dreigende schending van art. 47 Handvest De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed zullen hebben op de behandeling van haar strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. 7Slotsom Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW, er ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan en er geen sprake is van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven, dient de overlevering te worden toegestaan. 8Toepasselijke wetsartikelen De artikelen 2, 5, 6 en 7 OLW. 9Beslissing STAAT TOE de overlevering van [naam opgeëiste persoon] aan the Circuit Court in Rzeszów, 2nd Criminal Division (Polen) voor de feiten zoals omschreven in onderdeel
  2. e)van het EAB. Aldus gedaan door mr. M.E.M. James-Pater, voorzitter, mrs. M. van Mourik en M. Snijders Blok - Nijensteen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. F.A. Potters, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 15 september 2022. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. . Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4. . Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (Openbaar Ministerie (Recht op een gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld in de uitvaardigende lidstaat)).

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.