← Nederland

ECLI:NL:RBAMS:2022:5596

RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling privaatrecht rekestnummer: C/13/718077 / FT RK 22/369 uitspraakdatum: 19 september 2022 Afwijzing toepassing schuldsanering [verzoeker] , geboren op [geboortedatum] 1970, wonende te [adres] , -hierna te noemen: verzoeker, heeft op 13 mei 2022 een verzoekschrift met bijlagen tot toepassing van de schuldsaneringsregeling ingediend. Het verzoekschrift is behandeld op de zitting van 2 september

  1. Daarbij is verzoeker verschenen en gehoord. Tevens zijn de schuldhulpverlener, de beschermingsbewindvoerder, de budgetondersteuner en de advocaat van verzoeker, mr. I. Heijselaar, verschenen. De schuldenlast van verzoeker bedraagt circa €370.000,-. Circa €2.400,- daarvan betreft boetes die geïnd worden door het CJIB en die zijn opgelegd in de afgelopen vijf jaar. Daarnaast bestaat er een schuld aan ABN AMRO ter grootte van circa €121.000,-. Ook heeft verzoeker een schuld aan Zilveren Kruis van circa €136.000,-, daterend uit juni
  2. Verzoeker heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij ten aanzien van het ontstaan en of onbetaald laten van bepaalde schulden van de afgelopen vijf jaar steeds te goeder trouw is geweest. Verzoeker heeft - ondanks navraag hiernaar door de griffie - vrijwel geen informatie overgelegd over de schulden aan, onder meer, ABN AMRO en Zilveren Kruis. Verzoeker heeft deze schulden pas ter zitting, en dus slechts mondeling, willen toelichten. Deze toelichting heeft de rechtbank dus niet aan de hand van stukken, zoals correspondentie met de betreffende schuldeiser, kunnen toetsen. Bovendien blijkt uit de toelichting van verzoeker op zitting niet duidelijk op welke manier de vorderingen van ABN AMRO zouden zijn ontstaan. Deels zou dit, volgens verzoeker, te maken hebben met een geschil rondom een nalatenschap, maar het is de rechtbank niet duidelijk geworden hoe dit geschil in de familiesfeer heeft kunnen leiden tot een vordering van de bank. Bovendien kan de rechtbank dit ook niet goed rijmen met de mededeling van verzoeker dat alle geschillen met de familie inmiddels zijn opgelost. Deels lijkt de vordering van ABN AMRO ook verband te houden met een leaseovereenkomst op grond waarvan ABN AMRO omstreeks 2019 financiering aan een door verzoeker opgerichte stichting (de stichting [naam stichting] ) zou hebben verstrekt en ter zake waarvan in 2020 een procedure lijkt te zijn gestart. Verzoeker heeft aan de rechtbank, die alleen beschikt over 2 pagina’s van een dagvaarding, hierover niet meer duidelijkheid kunnen verstrekken. Nu verzoeker heeft verklaard dat hij nog steeds post van de stichting ontvangt, is niet uitgesloten dat deze stichting nog steeds bestaat. Daarnaast heeft verzoeker ook de omstandigheden die hebben geleid tot de vordering van het Zilveren Kruis niet voldoende kunnen ophelderen, en zijn standpunt ook op dit punt niet met stukken gestaafd. Het zou voor een deel gaan om terugvordering van ten onrechte verstrekte PGB-gelden, hetgeen volgens verzoeker terug te voeren zou zijn op onenigheid met zijn moeder. Ook dit heeft de rechtbank niet kunnen toetsen. Het is bovendien onopgehelderd gebleven waar die PGB-gelden dan zijn gebleven. Hier geldt ook dat de rechtbank de toelichting van verzoeker niet goed kan rijmen met zijn mededeling dat de geschillen binnen de familie - van wie sommige familieleden inmiddels kennelijk zelfs bijdragen in zijn woonkosten - zijn opgelost. Verzoeker heeft zich – bij monde van zijn advocaat – beroepen op de hardheidsclausule van artikel 288 lid
  3. Dit betoog faalt. Nu verzoeker, als gezegd, niet voldoende duidelijk heeft gemaakt welke omstandigheden hebben geleid tot het ontstaan en onbetaald laten van zijn schulden, in het bijzonder die aan ABN AMRO en Zilveren Kruis, valt ook niet te beoordelen in hoeverre hij die omstandigheden onder controle heeft gekregen. Verzoeker heeft zich weliswaar onder beschermingsbewind laten stellen en onder behandeling bij Sinai, maar de rechtbank acht dit nog onvoldoende om daaruit te concluderen dat de situatie onder controle en stabiel is. De rechtbank begrijpt dat verzoeker zijn vorige beschermingsbewindvoerder vrij recent heeft laten vervangen omdat deze ‘geen PGB wilde aanvragen’, hetgeen in dit verband vragen oproept. Ook lijkt verzoeker de beschermingsbewindvoerder niet te hebben geïnformeerd over het bestaan van de hiervoor bedoelde stichting. Gezien het bovenstaande is ten aanzien van verzoeker niet voldaan aan het bepaalde in artikel 288 lid 1 sub b van de Faillissementswet (Fw). Bijzondere omstandigheden die aanleiding kunnen geven verzoeker niettemin tot de schuldsaneringsregeling toe te laten zijn niet aangevoerd of gebleken. De rechtbank zal het verzoek dan ook afwijzen. De beslissing De rechtbank: - wijst het verzoek af. Dit vonnis is gewezen door mr. K.M. van Hassel en in het openbaar uitgesproken op 19 september
  4. De schuldenaar heeft gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak het recht van hoger beroep. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van de zaak kennis moet nemen.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.