RECHTBANK AMSTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: AWB 22/1317 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiseres] , eiseres (gemachtigde: mr. S. Beaufort), en het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, verweerder. ( [gemachtigde] ) Procesverloop Eiseres heeft op 7 maart 2022 beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op haar bezwaar. Verweerder heeft een verweerschrift ingestuurd. Eiseres heeft gereageerd op het verweerschrift. Overwegingen
- De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.
- Tegen het niet tijdig nemen van een besluit kan beroep worden ingesteld.Het beroepschrift kan worden ingediend als het bestuursorgaan niet tijdig een besluit heeft genomen en twee weken zijn verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen.
- Eiseres heeft op 11 oktober 2021 bezwaar gemaakt tegen het besluit van 2 september
- Met dit besluit heeft verweerder het verzoek van eiseres om handhavend op te treden tegen de bouwwerkzaamheden aan het pand gelegen aan de [adres] te Amsterdam afgewezen. Verweerder heeft nog niet op het bezwaar beslist.
- Tussen partijen is niet in geschil dat de beslistermijn is overschreden, dat eiseres verweerder na het verstrijken van die termijn in gebreke heeft gesteld en meer dan twee weken later beroep heeft ingediend.
- Het beroep is dus gegrond.
- Als een beschikking niet op tijd wordt genomen, is het bestuursorgaan een dwangsom verschuldigd voor elke dag (vanaf de vijftiende dag na ontvangst van de ingebrekestelling) dat het in gebreke is voor ten hoogste 42 dagen. Eiseres heeft de rechtbank niet verzocht om de door verweerder verbeurde dwangsom vast te stellen. Verweerder moet dit daarom alsnog doen.
- Als het beroep gegrond is en er nog geen besluit is bekendgemaakt, draagt de rechtbank het bestuursorgaan op om binnen twee weken na de dag waarop de uitspraak wordt verzonden alsnog een besluit bekend te maken. Alleen in bijzondere gevallen kan de rechtbank een andere termijn bepalen. Verweerder heeft in het verweerschrift de verwachting uitgesproken dat het besluit eind april 2022 kan worden genomen. In reactie daarop heeft eiseres de rechtbank op 14 april 2022 bericht dat er een hoorzitting is geweest waarbij aan het licht is gekomen dat het constateringsrapport dat aan de afwijzing van het verzoek ten grondslag ligt onvolledig is. Om die reden heeft de bezwaarcommissie het college verzocht om een nieuwe inspectie uit te laten voeren. Volgens eiseres is het niet aannemelijk dat verweerder voor eind april zal beslissen op het bezwaar en zij persisteert daarom in het beroep. Verweerder heeft hierop niet gereageerd. Omdat verweerder geen bijzondere omstandigheden naar voren heeft gebracht kan de rechtbank niet beoordelen of verweerder langer de tijd nodig heeft om te beslissen. Om die reden oordeelt de rechtbank dat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden. Dat betekent dat verweerder uiterlijk 14 dagen na de dag waarop de uitspraak is verstuurd een besluit moet nemen.
- De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb en in overeenstemming met het landelijke beleid (gepubliceerd op www.rechtspraak.nl) dat verweerder een dwangsom van € 100,- verschuldigd is voor elke dag waarmee de hiervoor genoemde termijn wordt overschreden, met een maximum van € 15.000,-.
- De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 569,25 (1 punt voor het indienen van het beroepsschrift en 0,5 punt voor een nadere reactie met een waarde per punt van € 759,-, en een wegingsfactor 0,5). De rechtbank is van oordeel dat deze zaak van licht gewicht is, omdat de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep gegrond; draagt verweerder op binnen 14 dagen na de dag van verzending van deze uitspraak een besluit op het bezwaar bekend te maken met inachtneming van deze uitspraak; bepaalt dat verweerder aan eiseres een dwangsom van € 100,- verbeurt voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,‑; draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 184,- aan eiseres te vergoeden; veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 569,
- Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Greebe, rechter, in aanwezigheid van mr. N. van der Kroft, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan verzet worden gedaan bij deze rechtbank. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord. Op grond van artikel 6:2, aanhef en onder b, in samenhang met artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Awb. Artikel 6:12, tweede lid, van de Awb. artikel 8:55d, eerste en derde lid, van de Awb