RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13/137431-22 RK nummer: 22/2947 Datum uitspraak: 11 augustus 2022 TUSSENUITSPRAAK op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 4 juni 2022 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 19 november 2013 door de Circuit Court in Gliwice 5th Criminal Department based in Rybnik (Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon] , geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1967, zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, gedetineerd in de [detentieplaats] , hierna te noemen de opgeëiste persoon. 1Procesgang De vordering is behandeld op de openbare zitting van 28 juli
- Het onderzoek heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie, mr. K. van der Schaft. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. W. van Nunen, waarnemend voor mr. S. de Goede, beiden advocaat te Breda en door een tolk in de Poolse taal. Op grond van artikel 22, derde lid, OLW heeft de rechtbank de termijn waarbinnen zij op grond van het eerste lid van dit artikel uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen. 2Identiteit van de opgeëiste persoon De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft. 3Grondslag en inhoud van het EAB In het EAB wordt melding gemaakt van een judgement van de District Court in Świdnica van 7 september 2009 (referentie: VI K 249/09). De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van 2 jaren – waarvan nog 1 jaar resterend –, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis. Dit vonnis betreft het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB. 3.1 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering moet worden geweigerd, omdat de opgeëiste persoon zijn verdedigingsrechten niet heeft kunnen uitoefenen. Van een situatie zoals bedoeld in artikel 12, sub a tot en met d, OLW is geen sprake en bovendien kan niet worden gesteld dat de opgeëiste persoon stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn aanwezigheidsrecht. De opgeëiste persoon heeft namelijk, conform de zogenaamde ‘adresinstructie’, aan de Poolse autoriteiten doorgegeven dat hij naar Duitsland is verhuisd en heeft zijn adres aldaar ook opgegeven. Op dat adres heeft hij echter geen oproep ontvangen. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat artikel 12 OLW geen belemmering vormt voor de overlevering. De oproepen zijn verstuurd naar het van de opgeëiste persoon bekende adres. Oordeel van de rechtbank De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat – kort gezegd – is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan en evenmin een garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW is verstrekt. Gelet daarop kan de overlevering ex artikel 12 OLW worden geweigerd. De rechtbank is gelet op het volgende van oordeel dat zij over onvoldoende informatie beschikt om te kunnen beoordelen of zij van deze bevoegdheid af kan zien. Uit de aanvullende informatie van 15 juli 2022 blijkt dat de opgeëiste persoon op 4 februari 2009 is verhoord in de strafprocedure die tegen hem liep. Tijdens dat verhoor is hij in kennis gesteld van en heeft hij getekend voor de zogenaamde ‘adresinstructie’ – inhoudende dat hij is gewezen op zijn verplichting om adreswijzigingen door te geven en van de consequenties als hij dat niet doet, namelijk dat de correspondentie dan wordt aangemerkt als ‘duly served’ en er een beslissing kan volgen in zijn afwezigheid. In diezelfde aanvullende informatie heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit vermeld: The summons informing about the date and place of the trial and the instruction was dispatched to [opgeëiste persoon] on 26 June 2009 to the address: [adres] . De opgeëiste persoon heeft nadrukkelijk verklaard dat hij bij zijn verhoor in Polen heeft aangegeven dat hij naar Duitsland zou gaan. Eenmaal in Duitsland zou hij zijn Duitse adres hebben doorgegeven aan de Poolse autoriteiten. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat in het EAB ook een Duits adres staat vermeld. Naar dat adres is – blijkens de aanvullende informatie zoals hierboven weergegeven – echter geen oproep verstuurd. Uit de hierboven weergegeven informatie valt echter niet vast te stellen of de opgeëiste persoon het Poolse adres waarnaar de oproepen zijn verstuurd ook heeft doorgegeven tijdens zijn verhoor. Bovendien is het de rechtbank bekend dat het voor 2018 niet mogelijk zou zijn geweest om een adres in het buitenland op te geven als correspondentieadres in een strafprocedure. De rechtbank ziet dan ook aanleiding om de volgende vragen te (laten) stellen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit: - Heeft de opgeëiste persoon een adres in Duitsland opgegeven als correspondentieadres in de strafprocedure en, zo ja, wanneer en welk adres heeft hij opgegeven? - Is de opgeëiste persoon tijdens zijn verhoor op 4 februari 2009 geïnformeerd dat het niet mogelijk is om een buitenlands adres op te geven als correspondentieadres in een strafzaak? - Is het adres [adres] het door de opgeëiste persoon opgegeven adres in deze strafprocedure? Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het onderzoek heropenen en schorsen ten behoeve van nadere informatie. 4Beslissing HEROPENT en SCHORST het onderzoek voor onbepaalde tijd – met dien verstande dat de zaak voor het verstrijken van de beslistermijn (te weten: 30 augustus 2022) opnieuw op zitting moet worden gebracht – teneinde de officier van justitie in gelegenheid te stellen de hiervoor onder 3.1 genoemde vragen voor te leggen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit. BEVEELT de oproeping van de opgeëiste persoon tegen een nog vast te stellen datum en tijdstip, met tijdige kennisgeving aan zijn raadsman; BEVEELT de oproeping van een tolk in de Poolse taal tegen een nog vast te stellen datum en tijdstip. Aldus gedaan door mr. M. van Mourik, voorzitter, mrs. M.T.C. de Vries en C.M. Delstra, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.M. Rus, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 11 augustus
- Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.