ECLI:NL:RBAMS:2022:605
vonnis RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling privaatrecht zaaknummer: 9337907 CV EXPL 21-10283 vonnis van: 14 februari 2022 fno.: 811 vonnis van de kantonrechter I n z a k e de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid DGB ENERGIE B.V., gevestigd te Hardenberg, eiseres, nader te noemen: DGB, gemachtigde: T. Waissi (Argus B.V.), t e g e n [gedaagde] , wonende te [woonplaats] , gedaagde, nader te noemen: [gedaagde] , procederend in persoon.
VERLOOP VAN DE PROCEDURE De volgende stukken bevinden zich in het procesdossier:
De mondelinge behandeling isgehouden op 18 januari 2022. Namens DGB, is zoals van te voren bij e-mail van 17 januari 2022 door haar gemachtigde aangekondigd, niemand verschenen. [gedaagde] is wel verschenen. DGB heeft wel een akte met producties ingediend. Ook [gedaagde] heeft op voorhand producties toegezonden. [gedaagde] is gehoord en heeft vragen van de kantonrechter beantwoord.
Ten slotte is vonnis bepaald op heden.
GRONDEN VAN DE BESLISSING Feiten 1.1.
DGB levert gas en elektriciteit aan particulieren en ondernemers.
1.2. [gedaagde] woont aan de [adres] en verblijft jaarlijks gewoonlijk in de winter en in de zomer een aantal maanden in het buitenland.
1.3.
Op 26 augustus 2020 heeft op initiatief van DGB een telefoongesprek met [gedaagde] plaatsgevonden, waarbij hem is aangeboden over te stappen naar DGB.
1.4.
DGB heeft een schriftelijk leveringsovereenkomst overgelegd, gedateerd op 26 augustus 2020 en digitaal ondertekend door [gedaagde] , waarin onder meer is vermeld: “(…) Product:
DGB Groen 5 jaar Zekerheidsgarantie met overstapvergoeding (…) Leveringsadres Adres: [adres] (…) Contractant Bedrijfsnaam: [naam bedrijf] Productiebedrijf Contactpersoon: [gedaagde] (…) E-mail: [e-mailadres] (...) Ondertekening Naam contractant: [gedaagde] namens [naam bedrijf] Productiebedrijf (…) Kosten Jaarlijkse kosten: € 835,26 Geschatte maandelijkse kosten: € 69,60 Excl BTW (…) Extra informatie (…) Het maandelijkse termijnbedrag is een indicatie op basis van het opgegeven verbruik dat mogelijk een schatting is. Dit termijnbedrag kan worden aangepast door de leverancier als zij het verbruik ontvangen van uw netbeheerder. (…) De leverancier vraagt de kenmerken van uw kleinverbruik aansluiting(en), waaronder de door u opgegeven capaciteit van uw aansluiting(en), op bij de netbeheerder en past dit aan in de definitieve overeenkomst. Hierdoor kan het verwachte jaarkostenoverzicht anders zijn.”
1.5.
Bij brief van 1 september 2020 heeft DGB aan [gedaagde] de overeenkomst bevestigd. In deze brief staat onder meer vermeld dat DGB geen e-mailadres van [gedaagde] heeft ontvangen. Verder staat daarin dat de indicatie voor het voorschot elektriciteit € 55,82 inclusief btw per maand bedraagt en voor gas € 23,99 inclusief btw per maand en dat hij zich bij klachten kan wenden tot de Geschillencommissie Energie.
1.6.
Op 30 september 2020 is de energielevering door DGB gestart.
1.7.
In oktober 2020 is een voorschotbedrag van € 96,61 automatisch van de bankrekening van [gedaagde] afgeschreven.
1.8.
Op 27 oktober 2020 heeft [gedaagde] hierover per e-mail bij DGB geklaagd. Daarbij heeft hij de jaarrekening (18 juli 2019 tot en met 17 juli 2020) van zijn vorige energieleverancier, Essent, totaal ten bedrage van € 960,86, aan DGB overgelegd. Verder heeft hij vermeld: “(…) Vanwege mijn jaarlijks verblijf in China werd een totaalbedrag van EUR 51,- per maand genoemd. Bovendien was er geen sprake van een bepaalde looptijd van de overeenkomst en dus ook niet van een “opzegvergoeding”.”
1.9.
Hierop heeft DGB bij e-mail van 2 november 2020 aangekondigd dat zij overeenkomstig de jaarrekening van Essent het voorschotbedrag zal verlagen naar € 90,23.
1.10. [gedaagde] heeft vervolgens per e-mailbericht van 5 november 2020 onder meer het volgende geschreven: “(…) Bij mijn eerste contact met DGB werd mij een aanmerkelijk lagere, maandelijkse voorschotbijdrage in het vooruitzicht gesteld dan bij mijn vorige leverancier. Aangezien ik niet in Nederland woon, maar slechts enkele maanden per jaar van mijn woning gebruik maak, werd als maandelijks voorschot EUR 51 voorgesteld. (…) Aangezien de overeengekomen afspraak niet gestand wordt gedaan, en ik bij een betrouwbare energieleverancier wens te zijn aangesloten, verzoek ik u de overeenkomst tussen DGB en mij te ontbinden.”
1.11.
Bij e-mailbericht van 6 november 2020 heeft DGB onder meer aan [gedaagde] bericht: “(…) De voorschotten zijn berekend op basis van de verbruiken van de vorige leverancier waarvan het nieuwe voorschot ook vastgesteld is op € 90,-. Wij hebben uw voorschot voor nu verlaagd met 10% dan komen we uit op een totaal: € 81,20.”
1.12.
Bij e-mailberichten van 11 en 19 november en bij brief van 10 december 2020 heeft [gedaagde] DGB opnieuw verzocht hem te bevestigen dat de energieovereenkomst is ontbonden omdat de gemaakte afspraken niet zijn nagekomen.
1.13.
In november 2020 is € 96,61 als voorschot automatisch van de rekening van [gedaagde] afgeschreven, in december 2020 tot en met februari 2021 € 81,20 en in maart 2021 € 11,85.
1.14.
Vervolgens is [gedaagde] overgestapt naar Oxxio, waardoor de energielevering door DGB per 1 maart 2021 is beëindigd.
1.15.
Op 4 maart 2021 heeft DGB [gedaagde] een eindafrekening gestuurd van in totaal € 1.081,12, waarbij de betaalde voorschotten in mindering zijn gebracht en tweemaal een opzegvergoeding van € 125,00 in rekening is gebracht.
1.16.
Ondanks aanmaningen heeft [gedaagde] geweigerd dit bedrag aan DGB te betalen.
1.17.
Op 7 april 2021 heeft [gedaagde] dit geschil met DGB aangemeld bij de Geschillencommissie Energie en daarbij, zoals voorgeschreven door de geschillencommissie, het volgens DGB openstaande bedrag in depot aan de geschillencommissie betaald.
1.18.
Bij conclusie van antwoord heeft [gedaagde] de kantonrechter verzocht de zaak niet te behandelen vanwege de procedure bij de geschillencommissie.
1.19.
Bij akte van 1 oktober 2021 heeft de gemachtigde van DGB hiertegen verweer gevoerd en daarbij onder meer geschreven: “(…) Gemachtigde ziet geen reden waarom de onderhavige procedure niet voortgezet kan worden. (…) Wederom tracht gedaagde onder haar betalingsverplichtingen uit te komen door een (onterechte) uitstel op te werpen. Gemachtigde en haar incassobureau hebben geen afspraken met de Geschillencommissie over het voeren van procedures. Het wordt dan ook hoog tijd dat gedaagde haar betalingsverplichting nakomt.”
1.20.
De zaak is nadat gedaagde hierop had gereageerd vervolgens verwezen voor een mondelinge behandeling.
1.21.
Op 15 november 2021 heeft de geschillencommissie een bindende uitspraak gedaan, waarbij zij de klacht van [gedaagde] ongegrond heeft geacht en heeft bepaald dat een bedrag van € 1.081,12 uit het door [gedaagde] gesteld depot diende te worden uitgekeerd aan DGB.
1.22.
In de begeleidende brief bij de uitspraak van de geschillencommissie is vermeld dat [gedaagde] , als hij zich niet kan verenigen met de uitspraak, nog een beroep kan doen op de burgerlijke rechter binnen een bepaalde termijn.
Geschil 2. Aanvankelijk vorderde DGB [gedaagde] bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, te veroordelen tot betaling van € 1.081,12, vermeerderd met de wettelijke handelsrente, buitengerechtelijke incassokosten en de proceskosten. Zij stelde daartoe onder meer dat [gedaagde] een ondernemer is en verder dat hij de eindfactuur van 4 maart 2021 onbetaald had gelaten.
Beoordeling 5. Onbetwist is gebleven dat [gedaagde] op 7 april 2021 zijn klacht heeft ingediend bij de geschillencommissie. Uit de door beide partijen overgelegde uitspraak van de geschillencommissie blijkt dat partijen zijn overeengekomen het geschil bij bindend advies door de geschillencommissie te laten beslechten. In strijd met deze afspraak heeft DGB [gedaagde] op 2 juli 2021 gedagvaard voor de kantonrechter. Inmiddels heeft de geschillencommissie uitspraak gedaan en verzoekt DGB om doorhaling van de zaak.
BESLISSING De kantonrechter: vernietigt het bindend advies van de Geschillencommissie Energie van 15 november 2021; veroordeelt DGB om aan [gedaagde] € 1.018,12 (terug) te betalen: veroordeelt DGB in de proceskosten, begroot aan de zijde van [gedaagde] op € 25,-; veroordeelt DGB in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 18,- aan salaris gemachtigde, een en ander voor zover van toepassing inclusief btw; wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. L. van Berkum, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 14 februari 2022 in tegenwoordigheid van de griffier.