← Nederland

ECLI:NL:RBAMS:2022:62

RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13/752128-21 RK nummer: 21/5481 Datum uitspraak: 6 januari 2022 UITSPRAAK op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 11 oktober 2021 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 17 juni 2020 door Ostrolęka Criminal Court, 2nd Criminal Division (Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [de opgeëiste persoon] geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1978, wonende op het adres: [adres] , [woonplaats] , hierna te noemen de opgeëiste persoon. 1Procesgang De vordering is behandeld op de openbare zitting van 10 november 2021. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie, mr. M. Westerman. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman, mr. J.P.A. van Schaik, advocaat te Veenendaal en door een tolk in de Poolse taal. Het onderzoek is door de rechtbank aangehouden voor bepaalde tijd teneinde de antwoorden op de door de officier van justitie gestelde vragen af te wachten. Op grond van artikel 22, derde lid, OLW heeft de rechtbank de termijn waarbinnen zij op grond van het eerste lid van dit artikel uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen. De rechtbank heeft de behandeling in gewijzigde samenstelling hervat op de openbare zitting van 23 december 2021. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie, mr. J.J.M. Asbroek, en de raadsman van de opgeëiste persoon, mr. J.P.A. van Schaik, advocaat te Veenendaal. De opgeëiste persoon is – in strijd met zijn schorsingsvoorwaarden – niet verschenen. De rechtbank heeft, op vordering van de officier van justitie, de schorsing van het bevel gevangenhouding opgeheven. 2Identiteit van de opgeëiste persoon De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht en vastgesteld dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat de opgeëiste persoon de Poolse nationaliteit heeft. 3Grondslag en inhoud van het EAB In het EAB wordt melding gemaakt van een vonnis van The Ostrów Mazowiecka District Court (Polen) van 30 oktober 2016 met kenmerk II K 101/16. De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van zes maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De opgeëiste persoon dient de straf nog geheel te voldoen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis. Dit vonnis betreft het feit zoals dat is omschreven in onderdeel

  1. e)van het EAB. 3.1 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW In het EAB staat vermeld dat de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot de beslissing heeft geleid, maar uit de aanvullende informatie van 22 november 2021 van de uitvaardigende justitiële autoriteiten blijkt dat de opgeëiste persoon de dagvaarding in persoon in ontvangst heeft genomen en op de hoogte was van het proces. Dit betekent dat sprake is van de situatie zoals bedoeld in artikel 12, sub a, OLW zodat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW niet van toepassing is. 4Strafbaarheid: feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist Standpunt van de raadsman De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering moet worden geweigerd, nu voor dit feit geen dubbele strafbaarheid bestaat. In eerdere uitspraken heeft de rechtbank Amsterdam weliswaar afgezien van de weigeringsgrond ex artikel 7 OLW, maar daarbij ging het om meerdere feiten waarbij een deel wel dubbel strafbaar was. Nu daar in dit geval geen sprake van is, moet de overlevering worden geweigerd omdat er geen sprake is van een strafrechtelijk element. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het feit weliswaar niet dubbel strafbaar is naar Nederlands recht, maar dat van de weigeringsgrond van artikel 7 OLW dient te worden afgezien nu er geen aanknopingspunten zijn met de Nederlandse rechtsorde en straffeloosheid moet worden voorkomen. Oordeel van de rechtbank De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit niet aangeduid als feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a 2°, OLW zijn neergelegd. De rechtbank verwijst in dit kader naar de overweging onder 6.2 van haar uitspraak van 15 april 2021. In die zaak was de rechtbank van oordeel dat het niet betalen van kinderalimentatie naar Nederlands recht niet strafbaar was, omdat uit het EAB niet volgde dat door het niet betalen van de alimentatie het kind in een hulpbehoevende situatie terecht was gekomen. Dit geldt eveneens in de onderhavige zaak. De rechtbank ziet echter aanleiding om van de weigering af te zien, omdat zij van oordeel is dat onvoldoende aanleiding voor weigering bestaat. De rechtbank vindt daarbij redengevend dat het feit geen aanknopingspunten met de Nederlandse rechtsorde heeft, het feit is immers begaan in Polen, door een onderdaan van Polen tegen een andere onderdaan van Polen. Evenmin is sprake van een situatie waarin de opgeëiste persoon kan worden gelijkgesteld met een Nederlander, waardoor de straf door de Nederlandse autoriteiten overgenomen zou moeten worden. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat een weigering niet mag leiden tot straffeloosheid. Dit dient naar het oordeel van de rechtbank dan ook te worden voorkomen. Het verweer wordt verworpen. 5Slotsom Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW, er ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan en er geen sprake is van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven, dient de overlevering te worden toegestaan. 6Toepasselijke wetsbepalingen De artikelen 2, 5 en 7 OLW. 7Beslissing STAAT TOE de overlevering van [de opgeëiste persoon] aan Ostrolęka Criminal Court, 2nd Criminal Division (Polen) voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel
  2. e)van het EAB. Aldus gedaan door mr. M. van Mourik, voorzitter, mrs. M.T.C. de Vries en J.H. Beestman, rechters, in tegenwoordigheid van mr. F.A. Potters, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 6 januari 2022. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. ECLI:NL:RBAMS:2021:1803.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.