vonnis RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling privaatrecht, voorzieningenrechter civiel zaaknummer / rolnummer: C/13/719661 / KG ZA 22-586 EAM/MAH Vonnis in kort geding van 8 september 2022 in de zaak van [eiseres] , optredende voor zichzelf en als wettelijk vertegenwoordiger van haar minderjarige kind [minderjarige] , beiden wonende te [woonplaats] , eiseres in conventie bij 2 gelijkluidende dagvaardingen, van 29 juli en 1 augustus 2022, verweerster in reconventie, advocaat mr. E.C. Weijsenfeld te Amsterdam, tegen 1. de publiekrechtelijke rechtspersoon STAAT DER NEDERLANDEN, zetelend te Den Haag, gedaagde in conventie, advocaat mr. A.H.T. van Gijssel te Den Haag, 2. de publiekrechtelijke rechtspersoon GEMEENTE AMSTERDAM, zetelend te Amsterdam, gedaagde in conventie, eiseres in reconventie, advocaat mr. J. Liauw-A-Joe te Amsterdam. Partijen zullen hierna ook [eiseres] , de Staat en de Gemeente worden genoemd. 1De procedure 1.1. Bij de zitting van 25 augustus 2022 waren aanwezig: - aan de zijde van [eiseres] : mr. Weijsenfeld en mr. H.M. de Roo, - aan de zijde van de Staat: [naam 1] (jurist Ministerie van VWS, beleidsdirectie Maatschappelijke Ondersteuning) en [naam 2] , met mr. Van Gijssel, - aan de zijde van de Gemeente: mr [naam 3] (beleidsadviseur) met mr. Liauw-A-Joe. 1.2. Op de zitting heeft [eiseres] de dagvaarding toegelicht. Gedaagden hebben verweer gevoerd, ieder aan de hand van een tevoren ingediende conclusie van antwoord. De Gemeente heeft de eis in reconventie (tegenvordering) toegelicht. [eiseres] heeft daartegen verweer gevoerd. Alle partijen hebben een pleitnota ingediend en [eiseres] en de Staat ook producties. 1.3. Ten slotte is vonnis bepaald op vandaag. 2De feiten 2.1. [eiseres] heeft de Marokkaanse nationaliteit. Haar ex-echtgenoot en haar minderjarige zoon [minderjarige] (4 jaar) hebben de Nederlandse nationaliteit. Zij woonden in Marokko. In oktober 2019 is [eiseres] met [minderjarige] uit Marokko naar Nederland gekomen. [eiseres] heeft een (van haar zoon) afgeleid verblijfsrecht voor Nederland. Nadat [eiseres] en [minderjarige] op verschillende adressen hadden ingewoond en gelogeerd, hebben zij zich in juli 2020 bij de Gemeente gemeld voor opvang. [eiseres] ontving toen reeds een bijstandsuitkering (op grond van de Participatiewet(PW)), kinderbijslag, kindgebonden budget en zorgtoeslag. 2.2. Hoewel [eiseres] niet voldeed aan de gemeentelijke toegangseisen voor de noodopvang, heeft de Gemeente [eiseres] en [minderjarige] vanwege hun acute dakloosheid op 13 juli 2020 een tijdelijke plek in de noodopvang geboden tot 15 oktober 2020. Vanwege de corona-lockdowns en in afwachting van de uitkomst van de door [eiseres] gestarte rechterlijke procedures is de opvang tot op heden gecontinueerd. De noodopvang van [eiseres] en [minderjarige] is op dit moment in een hotel vanwege een tekort aan reguliere noodopvangplekken. 2.3. Het college van B&W van de Gemeente heeft bij besluit van 7 september 2020 bepaald dat [eiseres] niet voldoet aan de voorwaarden voor noodopvang dakloze Amsterdamse gezinnen en bij besluit van 8 september 2020 de aanvraag van [eiseres] om een maatwerkvoorziening opvang (op grond van de WMO 2015) afgewezen. Het college heeft bij besluit van 1 februari 2021 de bezwaren gericht tegen de besluiten van 7 en 8 september 2020 ongegrond verklaard. Het college heeft aan de afwijzing van de aanvraag om een maatwerkvoorziening ten grondslag gelegd dat verzoekster zelfredzaam is en zich kan handhaven in de samenleving. Aan de weigering verzoekster en haar zoon toe te laten tot de noodopvang dakloze gezinnen heeft het college ten grondslag gelegd dat zij niet aan de voorwaarde van regiobinding voldoen. De rechtbank heeft het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Daartegen heeft [eiseres] hoger beroep ingesteld en een verzoek om een voorlopige voorziening gedaan. 2.4. Beide zijn afgewezen door de Centrale Raad van Beroep bij uitspraak van 16 mei 2022 (ECLI:NL:CRVB:2022:1154). De Centrale Raad van Beroep heeft daartoe overwogen, voor zover relevant: “Afwijzing maatwerkvoorziening 4.2. In geschil is de vraag of verzoekster in staat is zich te handhaven in de samenleving. Gelet op de hulpvraag van verzoekster houdt dat in dit geval concreet in dat beoordeeld moet worden de vraag of zij door problemen bij het zich handhaven in de samenleving niet in staat is zelf in onderdak voor haar en haar zoon te voorzien. 4.3. De voorzieningenrechter beantwoordt deze vraag ontkennend. Verzoekster heeft immers rechtmatig verblijf, heeft tot aan de onder 1.1 vermelde melding zelf onderdak geregeld en heeft een uitkering op grond van de Participatiewet (PW) waarmee zij geacht wordt te kunnen voorzien in de noodzakelijke kosten van het bestaan. Uit wat verzoekster heeft aangevoerd en aan (medische) stukken heeft overgelegd volgt ook niet dat verzoekster door problemen bij het zich handhaven in de samenleving niet in staat is zelf in onderdak voor haar en haar zoon te voorzien. Daar komt bij dat uit het ‘plan van aanpak noodopvang gezinnen’ volgt, zoals ter zitting ook is bevestigd, dat verzoekster heeft gereageerd op aangeboden woonruimte. De omstandigheid dat zij toch tot nu toe nog geen woonruimte heeft gevonden duidt vooral op schaarste op de woningmarkt. De Wmo 2015 is niet bedoeld om hiervoor een oplossing te bieden. 4.4. Gelet op het voorgaande heeft het college de aanvraag voor een maatwerkvoorziening opvang kunnen afwijzen. Weigering noodopvang dakloze gezinnen 4.5.1. In artikel 3.7, derde lid, van de Verordening maatschappelijke ondersteuning Amsterdam 2015, versie 2020 (Verordening) is bepaald dat het college zorg draagt voor kortdurend verblijf in geval van een acute noodsituatie voor Amsterdamse gezinnen, op specifiek voor dat doel bestemde plekken. In de toelichting op deze bepaling is vermeld dat Amsterdamse gezinnen die zelfredzaam zijn, maar wel acuut dakloos, terecht komen in de noodopvang voor dakloze gezinnen. 4.5.2. In artikel 3.1, derde lid, van de Verordening is bepaald dat het college nadere regels kan stellen. 4.5.3. In paragraaf 3.7 van de Nadere regels maatschappelijke ondersteuning Amsterdam 2020 is, voor zover van belang, vermeld dat noodopvang voor dakloze gezinnen kortdurend verblijf voor Amsterdamse gezinnen is die feitelijk acuut dak- en thuisloos zijn geworden. Het doel van de opvang is dat betrokkenen en hun kinderen een plek hebben van waaruit zij de mogelijkheden voor een meer structurele oplossing kunnen zoeken. Voor het verblijf in de noodopvang voor dakloze gezinnen geldt een aantal algemene voorwaarden, waaronder de voorwaarde dat het gezin minimaal de afgelopen twee jaar in Nederland heeft gewoond, met als meest recente woonplek Amsterdam. 4.5.4. De vertegenwoordiger van het college heeft ter zitting bij de voorzieningenrechter toegelicht dat de noodopvang voor dakloze gezinnen is bedoeld voor gezinnen die weliswaar feitelijk acuut dak- en thuisloos zijn geworden maar die niet voldoen aan de voorwaarden voor een maatwerkvoorziening opvang op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, omdat zij in termen van de Wmo 2015 in staat zijn op eigen kracht zich te handhaven in de samenleving. 4.5.5. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, kwalificeert de noodopvang voor dakloze gezinnen van de gemeente Amsterdam niet als een algemene voorziening. Dit type opvang is niet gericht op maatschappelijke ondersteuning in de zin van de Wmo 2015. Ingevolge de begripsbepalingen zoals deze zijn opgenomen in artikel 1.1.1, eerste lid, van de Wmo 2015 wordt onder maatschappelijke ondersteuning onder meer verstaan, het bieden van beschermd wonen en opvang. Opvang is ingevolge deze bepaling onderdak en begeleiding voor personen die de thuissituatie hebben verlaten en niet in staat zijn zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving. In de geschiedenis van de totstandkoming van de Wmo 2015 (Kamerstukken II 2013-14, 33 841, nr. 34, blz. 177) is verder vermeld dat een algemene voorziening een aanbod van diensten of activiteiten is dat is gericht op het versterken van zelfredzaamheid en participatie, of opvang. Nu de noodopvang voor dakloze gezinnen in Amsterdam wordt aangeboden aan – vanuit het perspectief van de Wmo 2015 – zelfredzame gezinnen (die in staat zijn zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving) is deze regeling gunstiger dan de Wmo 2015, zodat sprake is van buitenwettelijk begunstigend beleid. De bestuursrechter dient het bestaan en de inhoud van dergelijk beleid als een gegeven te aanvaarden. De rechterlijke toetsing is dan beperkt tot de vraag of het bestuursorgaan het beleid consistent heeft toegepast en de vraag of fundamentele rechten waarop de betrokkene zich beroept niet zijn geschonden. 4.6. Tussen partijen is niet in geschil dat verzoekster niet voldoet aan de voorwaarden voor de noodopvang dakloze gezinnen. Hierdoor is niet aannemelijk dat het college het beleid niet op consistente wijze heeft toegepast. 4.7. Het beroep op artikel 20 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) slaagt niet. De rechtbank heeft afdoende besproken en gemotiveerd dat het onthouden van de noodopvang dakloze gezinnen niet betekent dat de zoon van verzoekster gedwongen wordt het grondgebied van de Unie te verlaten. De voorzieningenrechter van de Raad onderschrijft de overweging van de rechtbank hierover en volstaat met een verwijzing daarnaar. Evenmin is aannemelijk dat anderszins aan de nuttige werking van artikel 20 van het VWEU afbreuk wordt gedaan. Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) valt niet op te maken dat een recht op (nood)opvang deel uit moet maken van de door artikel 20 van het VWEU gewaarborgde rechten (vergelijk de uitspraak van de Raad van 20 januari 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:151). 4.8. Dit neemt niet weg dat uit het arrest CG van het Hof van 15 juli 2021, C-709/20, ECLI:EU:C:2021:602 voortvloeit dat de Unieburger, zeker als deze zich in een kwetsbare positie bevindt, onder waardige omstandigheden binnen de Unie moet kunnen leven. De weigering van noodopvang dakloze gezinnen mag er dan ook niet toe leiden dat de Unieburger wordt blootgesteld aan een concreet en reëel risico op schending van zijn grondrechten, zoals verankerd in de artikelen 1, 7 en 24 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest). 4.9. Verzoekster heeft een beroep gedaan op deze bepalingen, maar dit beroep treft geen doel. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is onvoldoende aannemelijk geworden dat de weigering van de noodopvang dakloze gezinnen tot gevolg heeft dat de minderjarige zoon van verzoekster geen menswaardig bestaan kan leiden, dan wel dat een reëel risico bestaat op schending van zijn grondrechten. Verzoekster en haar minderjarige zoon krijgen een uitkering op grond van de PW, waarmee zij geacht worden te kunnen voorzien in de noodzakelijke kosten van het bestaan en ontvangen inmiddels gezinsbijslagen. Het college heeft zich ervan vergewist dat verzoekster in staat is zelf in onderdak voor haar en haar gezin te voorzien. Daar komt bij dat verzoekster niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij al het mogelijke heeft gedaan om in Nederland onderdak te krijgen. 4.10. Voor het stellen van prejudiciële vragen ziet de voorzieningenrechter van de Raad geen aanleiding. Er bestaat namelijk – mede gezien de rechtspraak van het Hof – in dit geval redelijkerwijs geen twijfel over de wijze waarop de opgeworpen vragen over de uitleg van het Unierecht moeten worden beantwoord. 4.11. Gelet op het voorgaande heeft het college toelating tot de noodopvang dakloze gezinnen kunnen weigeren. (…)” 2.5. Bij brief van 22 juni 2022 heeft de Gemeente [eiseres] gesommeerd met haar zoon de noodopvang voor woensdag 6 juli 2022 te verlaten, onder toezending van een concept-ontruimingsdagvaarding in kort geding. Aan het slot van de brief staat: “Zoals bekend kan haar begeleider van De Regenboog met uw cliënte meedenken over verblijfsalternatieven en haar verder ondersteunen bij het vinden van een alternatieve verblijfplaats.” 2.6. Bij brieven van 26 juni 2022 heeft [eiseres] de Gemeente en de Staat gesommeerd om ook na 6 juli 2022 opvang te bieden, onder toezending van een concept-dagvaarding in kort geding. Bij brief van 30 juni 2022 heeft de Gemeente afwijzend gereageerd en aangekondigd in reconventie ontruiming te zullen vorderen. De Staat heeft op 1 juli 2022 bericht geen gehoor te geven aan de sommatie. 2.7. De Gemeente heeft toegezegd de noodopvang te verlengen tot een week na het vonnis in dit kort geding. 3Het geschil in conventie 3.1. [eiseres] vordert – samengevat: 1. de Gemeente te bevelen om ook na 6 juli 2022 aan [eiseres] en [minderjarige] een voor gezinnen passende vorm van onderdak te bieden in een verwarmde en afsluitbare ruimte met een behoorlijk functionerende verlichting, sanitair en kookvoorziening, voor zolang zij feitelijk niet over andere huisvesting beschikken; 2. de Staat te bevelen om aan [eiseres] en [minderjarige] dergelijk onderdak te bieden, indien en voor zover de Gemeente om wat voor reden ook niet (langer) verplicht of in staat zal zijn om hen op te vangen, en voor zolang zij feitelijk niet over andere huisvesting beschikken; alles op straffe van dwangsommen en met veroordeling van gedaagden in de proceskosten. 3.2. [eiseres] stelt daartoe, samengevat, dat het de Staat en de Gemeente niet is toegestaan om een jong minderjarig kind en diens moeder uit de opvang te verwijderen, waarbij zij bij gebreke van een alternatief op straat zullen komen te staan. Dit is onrechtmatig in het licht van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (EH), het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK), het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en het recht van de Europese Unie (EU). In strijd met die internationale voorschriften bevat de WMO 2015 geen uitputtende regeling voor dakloze gezinnen, zodat op dat punt een rechtsplicht voor de Staat resteert. De Gemeente heeft voor de niet onder de WMO 2015 vallende groep, de “zelfredzame dakloze gezinnen” een voorziening getroffen, maar die wenst zij uitsluitend te verstrekken aan gezinnen die al 2 jaar een regiobinding met Amsterdam hadden. Dat onderscheid is arbitrair en discriminatoir. Aldus steeds [eiseres] . 3.3. De Staat en de Gemeente voeren verweer. Allereerst voeren zij aan dat [eiseres] in haar vorderingen niet-ontvankelijk moet worden verklaard omdat de bestuursrechter al onherroepelijk heeft beslist (de Centrale Raad van Beroep op 16 mei 2022) dat de Gemeente [eiseres] en [minderjarige] niet langer opvang hoeft te verlenen en er geen ruimte is voor aanvullende rechtsbescherming door de civiele rechter. 3.4. Inhoudelijk voeren zij, samengevat, de volgende verweren. De Staat stelt zich op het standpunt dat verstrekking van opvang in de Wmo 2015 uitputtend is geregeld en dat hier buiten geen (aanvullende) verplichting op de Staat rust om aan individuele Nederlanders opvang te bieden. De Gemeente stelt te hebben voldaan aan de op haar rustende verplichtingen, inclusief verdragsbepalingen. Moeder en kind voldoen volgens de Gemeente niet aan de toegangseisen voor noodopvang. 3.5. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4Het geschil in reconventie 4.1. De Gemeente vordert samengevat – ontruiming door [eiseres] en [minderjarige] van de hotelkamer/noodopvang waar zij nu verblijven, met veroordeling van [eiseres] in de proces- en nakosten, met wettelijke rente. 4.2. [eiseres] voert verweer op dezelfde gronden als in conventie. 4.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 5De beoordeling in conventie Ontvankelijkheid. Rolverdeling bestuursrechter en civiele rechter 5.1. Allereerst zal het beroep van De Staat en de Gemeente op niet-ontvankelijkheid worden beoordeeld. 5.2. Volgens [eiseres] is er geen sprake van niet-ontvankelijkheid of formele rechtskracht omdat de Centrale Raad van Beroep slechts bevoegd is om over de WMO 2015 te oordelen, terwijl er voor gevallen als [minderjarige] en [eiseres] (zelfredzame dakloze gezinnen) geen wet is. [eiseres] beroept zich in dit kort geding op een bredere rechtsplicht van de Staat en de Gemeente om een moeder en kind te beschermen tegen leven op straat. 5.3. De voorzieningenrechter oordeelt als volgt. 5.4. Gelet op de grondslag van de vorderingen in conventie – onrechtmatig overheidshandelen – is de civiele rechter bevoegd, tenzij voor [eiseres] een bestuursrechtelijke rechtsgang openstaat of heeft opengestaan die voldoende rechtsbescherming biedt (zie onder meer HR 28 februari 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0527, NJ 1992/687 (Changoe/Staat), rov. 3.2; HR 28 september 2018 (Mitch Henriquez), ECLI:NL:HR:2018:1806). 5.5. Naar voorlopig oordeel doet laatstgenoemde uitzondering zich niet voor. Weliswaar staat er tegen besluiten op grond van de WMO 2015 en op grond van de Verordening maatschappelijke ondersteuning Amsterdam 2015, versie 2020 (de Verordening) een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang bij de bestuursrechter open (die door [eiseres] ook is gevolgd), maar [eiseres] beroept zich in dit kort geding op een bredere rechtsplicht van de Staat en de Gemeente om een moeder en kind te beschermen tegen leven op straat. Volgens [eiseres] vloeit deze bredere rechtsplicht voort uit mensenrechtenverdragen, het recht van de Europese Unie en het Nederlandse wettelijke systeem van kinderbescherming, die niet (voldoende) geïmplementeerd zijn in de WMO 2015 en in de Verordening. Daarbij komt dat de Staat geen partij was in de bestuursrechtelijke procedure die eindigde met de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 16 mei 2022. 5.6. De slotsom is dat het niet-ontvankelijkheidsverweer wordt verworpen. De vordering tegen de Staat 5.7. [eiseres] vordert dat de Staat in opvang voorziet als de Gemeente dit niet (meer) doet en zij geen ander onderdak heeft, in feite dus voor onbepaalde tijd. 5.8. De voorzieningenrechter sluit zich aan bij het oordeel van de voorzieningenrechter Den Haag en het Gerechtshof Den Haag, bekrachtigd (met toepassing van artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie) door de Hoge Raad op 25 februari 2022 (ECLI:NL:HR:2022:311), in een vrijwel identiek geval. 5.9. In die zaak ging het om een Nederlands kind van zes jaar, eveneens geboren uit het huwelijk van een Nederlandse man en een Marokkaanse vrouw. Ook hier was het huwelijk door echtscheiding geëindigd en verbleef het kind bij de moeder. Moeder en kind verbleven tot december 2018 in Marokko. Aan de moeder was een afgeleid verblijfsrecht verleend. De moeder had het kind ingeschreven op een school in Amsterdam. In kort geding vorderde de moeder, voor zichzelf en als wettelijke vertegenwoordiger van het kind, veroordeling van de Staat om (onder meer) onmiddellijk kindvriendelijke opvang te verschaffen voor de moeder en het kind. De voorzieningenrechter van de rechtbank heeft die voorziening geweigerd en het gerechtshof heeft het vonnis bekrachtigd. 5.10. De voorzieningenrechter Den Haag was van oordeel dat op de Staat weliswaar een positieve verplichting rust om de uit de artikelen 3 EVRM en artikel 8 EVRM voortvloeiende rechten van moeder en kind te waarborgen, waarbij in het bijzonder het belang van het kind voorop dient te staan, maar dat die positieve verplichting niet zover gaat dat op de Staat een zorgplicht rust om van staatswege onderdak en voorzieningen te bieden aan een zelfredzaam gezin waarvan de ouder in staat moet worden geacht om op eigen kracht in de noodzakelijke voorzieningen voor de opvang en ontwikkeling van haar minderjarige kind te voorzien. 5.11. Dat vonnis is in hoger beroep bekrachtigd door het gerechtshof Den Haag in zijn arrest van 8 november 2019, waarin wordt overwogen, voor zover relevant: “10. Met grief 1 bestrijden [appellanten] het oordeel van de voorzieningenrechter dat er geen verdragsrechtelijke verplichting zou bestaan om hen op te vangen en van leefgeld te voorzien. (…) 11. Het hof stelt daarbij het volgende voorop. Uitgangspunt is dat ouders de primaire verantwoordelijkheid hebben met betrekking tot het welzijn van hun kinderen. Die primaire verantwoordelijkheid van de ouders komt onder meer tot uitdrukking in artikel 3, tweede lid IVRK: “2. De Staten die partij zijn, verbinden zich ertoe het kind te verzekeren van de bescherming en de zorg die nodig zijn voor zijn of haar welzijn, rekening houdend met de rechten en plichten van zijn of haar ouders, (…), en nemen hiertoe alle passende wettelijke en bestuurlijke maatregelen.” en in artikel 27, tweede lid IVRK: “2. De ouder(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.