RECHTBANK AMSTERDAM VONNIS Parketnummer: 13/230310-20 (Promis) Datum uitspraak: 26 oktober 2020 Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] ( [land van herkomst] ) op [geboortedag] 1999, wonende op het adres [adres] . 1Het onderzoek ter terechtzitting Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 26 oktober
- De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. S. Bont, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. M. Jonk, naar voren hebben gebracht. 2Tenlastelegging Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan
- Medeplegen van afpersing van [aangever 1] op 22 mei 2020 te Amsterdam;
- Medeplegen van afpersing van [aangever 2] op 22 mei 2020 te Amsterdam. De volledige tekst van de tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd. 3Vrijspraak 3.1 Het standpunt van het Openbaar Ministerie De officier van justitie heeft gerekwireerd tot vrijspraak van het ten laste gelegde. Hoewel er voldoende wettig bewijs in het dossier aanwezig is, ontbreekt de overtuiging. Zij heeft hiertoe aangevoerd dat zij twijfelt over de geloofwaardigheid van de verklaring van aangever [aangever 1] , gelet op de overige inhoud van het dossier. 3.2 Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft verzocht om verdachte van het ten laste gelegde vrij te spreken wegens het ontbreken van overtuigend bewijs. Hiertoe heeft de raadsman bepleit dat de belastende verklaringen van aangever [aangever 1] en [aangever 2] strijdig zijn met objectieve gegevens en dat zij elkaar onvoldoende ondersteunen. Bovendien bestaan er concrete en ondubbelzinnige aanwijzingen dat de verklaringen van aangever onder invloed van pseudologia fantastica tot stand zijn gekomen, waardoor er aan de geloofwaardigheid daarvan kan worden getwijfeld. Het dossier sluit onvoldoende uit, en bevat zelfs aanknopingspunten, dat de verklaringen van [aangever 2] uit hulp aan zijn vriend [aangever 1] zijn gegeven. 3.3 Het oordeel van de rechtbank De rechtbank vindt het ten laste gelegde niet bewezen. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt. De rechtbank stelt vast dat er voldoende wettig bewijs in het dossier aanwezig is. De aangifte van [aangever 1] wordt op onderdelen ondersteund door de verklaring die [aangever 2] tegenover verbalisanten heeft afgelegd. De rechtbank heeft echter op basis van die wettige bewijsmiddelen niet de overtuiging gekregen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde. Hierbij is van belang dat de rechtbank constateert dat aangever op twee momenten een verklaring heeft afgelegd en die verklaringen op belangrijke punten inconsistent zijn en op essentiële onderdelen tegenstrijdigheden bevatten. De volgende omstandigheden zijn relevant. Tegenover de verbalisanten ter plaatse gaf aangever aan dat verdachte een vuurwapen bij zich droeg, terwijl hij bij zijn aangifte heeft verklaard dat medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) een vuurwapen bij zich had en vasthield. Daarnaast gaf aangever tegenover de verbalisanten ter plaatse aan dat verdachte en [medeverdachte] kleding en schoenen van aangever in een tas deden. Bij zijn aangifte heeft aangever echter verklaard dat hij zelf van verdachte en [medeverdachte] tassen moest vullen met kleding en schoenen. Ook is van belang dat de verklaring van [aangever 2] , die op onderdelen is gebaseerd op horen zeggen, gedeeltelijk niet blijkt te kloppen. Aangever zou tegen [aangever 2] hebben gezegd dat hij al zijn geld na de afpersing heeft overgemaakt naar verdachte. Uit onderzoeksbevindingen van zijn bankafschriften blijkt echter dat dit niet klopt. De rechtbank houdt verder rekening met de afgelegde verklaringen van aangever zijn ouders en van getuige [getuige] . Die geven steun aan de tegenstrijdigheden in het dossier doordat zij een beeld van de persoon van aangever schetsen. De ouders van aangever vinden het moeilijk in te schatten wat er daadwerkelijk is gebeurd en of hetgeen aangever heeft verklaard de waarheid is. De vader van aangever geeft aan dat aangever mogelijk last heeft van de stoornis ‘pseudologia fantastica’. Getuige [getuige] heeft verklaard dat aangever twee keer eerder heeft verteld dat hij is overvallen en beroofd van kostbare spullen terwijl hij die spullen niet had. Uit onderzoek blijkt dat aangever twee keer eerder aangifte heeft gedaan van beroving en dat hij een van die aangiftes heeft ingetrokken en dat de andere aangifte niet door de politie is opgepakt in verband met het ontbreken van een opsporingsindicatie. De rechtbank weegt verder mee dat verdachte ter terechtzitting een verklaring heeft afgelegd die consistent en niet ongeloofwaardig is. 5Beslissing De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing. Verklaart het ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij. Dit vonnis is gewezen door mr. M.A.E. Somsen voorzitter, mrs. C.P. Bleeker en M. Wiewel rechters, in tegenwoordigheid van mr. F.L. Scheeren, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 26 oktober
- [...]