← Nederland

ECLI:NL:RBAMS:2022:6598

beschikking RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling privaatrecht Team Familie & Jeugd zaaknummer / rekestnummer: C/13/715070 / FA RK 22-1591 Beschikking van 10 november 2022 betreffende bijstandsverhaal in de zaak van: [de man] , wonende te [woonplaats] , verzoekende partij, hierna te noemen: de man, advocaat mr. M.J. van der Vlis, te Haarlem tegen Het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Amsterdam, zetelende te Amsterdam, verwerende partij, hierna te noemen: de gemeente, 1De procedure 1.

  1. De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder: het verzoekschrift verzet met nader aan te voeren gronden van de man, ingekomen op 4 maart 2022; het verweerschrift van de gemeente, ingekomen op 6 mei 2022, het beroepschrift nader aan te voeren gronden van de man, ingekomen op 6 juli 2022, een brief met bijlagen van de gemeente, ingekomen op 4 augustus
  2. 1.
  3. De mondelinge behandeling achter gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 27 oktober
  4. Verschenen zijn de man, bijgestaan door mr. H. Park, als waarnemer voor mr. Van der Vlis en een tolk, alsmede de heer [naam] en mevrouw mr. E.W. van Hooijdonk, namens de gemeente. De man heeft daarbij pleitaantekeningen overgelegd. 2De feiten 2.
  5. De man is van 27 maart 2005 tot 2 juni 2017 gehuwd geweest met mevrouw [de vrouw], hierna te noemen: ‘de vrouw’. 2.
  6. Uit dit huwelijk is geboren, het thans nog minderjarige kind: - [minderjarige], hierna te noemen: [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2011 te [geboorteplaats] . 2.
  7. [minderjarige] verblijft bij de vrouw. 2.
  8. Bij beschikking van deze rechtbank 4 februari 2015 is als voorlopige voorziening bepaald dat de man per datum van de beschikking €108,- per maand aan de vrouw zal betalen als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] . 2.
  9. Bij echtscheidingsbeschikking van deze rechtbank van 13 april 2016 is, voor zover in deze zaak relevant, bepaald dat: - de man met ingang van de dag van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] , hierna te noemen: kinderbijdrage, voldoet van € 162,-- per maand, en - zo lang de vrouw nog geen bijstandsuitkering geniet € 365,-- per maand in de kosten van levensonderhoud van de vrouw, hierna te noemen: partnerbijdrage en - zodra de vrouw een bijstandsuitkering geniet een partnerbijdrage van € 620,-- per maand. 2.
  10. De gemeente verleent sinds 16 december 2014 bijstand aan de vrouw, mede ten behoeve van [minderjarige] , naar de norm van een één-oudergezin, te weten een uitkering van € 1.091,71 netto per maand (inclusief vakantietoeslag). 2.
  11. De man heeft sinds 4 februari 2015 tot heden uitsluitend de bij voorlopige voorziening bepaalde kinderbijdrage van €108,- voldaan. 2.
  12. De gemeente heeft op 2 februari 2022 een verhaalsbesluit genomen, waarbij de gemeente op grond van art. 62b van de Participatiewet is overgegaan tot verhaal van de door de rechtbank bij beschikking van 13 april 2016 opgelegde partneralimentatie, met ingang van de dag van inschrijving van de echtscheiding, nu deze partneralimentatie door de man nimmer is voldaan. De achterstand over de periode 2 juni 2017 tot en met 31 januari 2022 bedroeg € 37.218,
  13. 3Het verzoek en het verweer 3.
  14. De man is in verzet gekomen tegen het verhaalsbesluit van de gemeente en verzoekt de rechtbank dit verhaalsbesluit te vernietigen met veroordeling van de gemeente in de kosten van de procedure. De gemeente voert hiertegen verweer. 3.
  15. De man voert hierbij aan, dat de destijds in de echtscheidingsbeschikking vastgelegde alimentatiebedragen buiten hem om zijn gegaan. Hij is de Nederlandse taal niet machtig en werd in die procedure niet vertegenwoordigd door een advocaat. Hij heeft de beschikking van 13 april 2016 destijds niet gezien en wist dan ook niet dat hij ook partneralimentatie moest betalen. Voorts stelt de man dat de gemeente niet eerder dan op 2 februari 2022, dus 5 jaar na inschrijving van de echtscheiding, verhaal neemt. De man stelt daarvoor nooit iets te hebben vernomen over deze kwestie, niet van de vrouw, niet van de gemeente en ook niet van het LBIO. De gemeente handelt hierdoor in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel door met terugwerkende kracht verhaal te nemen. De man stelt tot slot een wijzigingsprocedure te zullen starten ten aanzien van de vastgestelde alimentatie omdat hij nauwelijks kan rondkomen; hij is financieel niet in staat de vastgestelde alimentatie te kunnen voldoen. 3.
  16. De gemeente heeft hierop geantwoord dat het verweer van de man dat hij het rechtssysteem in Nederland niet kende, ongeloofwaardig is omdat Polen een soortgelijk systeem kent. De man had zich moeten wenden tot een advocaat. Dat hij dit niet gedaan heeft is de eigen keuze van de man geweest en dit kan hij niet afwentelen op anderen, aldus de gemeente. De gemeente erkent wel dat zij eerder verhaal hadden moeten nemen zodat de schuld niet zo hoog was opgelopen. De gemeente heeft om die reden de ingangsdatum van de verhaalsbijdrage aangepast naar 2 februari 2022, te weten de datum van het verhaalsbesluit. De achterstand bedraagt daarmee tot 1 augustus 2022: € 3.548,
  17. 4De beoordeling 4.
  18. De rechtbank wijst het verzoek van de man af en licht dit als volgt toe. De rechtbank stelt voorop dat de onderhavige verzetsprocedure zich richt tegen het verhaalsbesluit van de gemeente van 2 februari 2022, waarbij de gemeente verhaal neemt op grond van artikel 62b van de Participatiewet. Uit artikel 62b lid 1 van de Participatiewet blijkt, dat indien een rechterlijke uitspraak betreffende levensonderhoud verschuldigd op grond van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek die uitvoerbaar is, niet wordt nagekomen, wordt verhaald in overeenstemming met deze uitspraak. Nu vast is komen te staan dat de man de bij beschikking van 13 april 2016 vastgestelde partnerbijdrage nooit heeft voldaan, mag de gemeente verhaal nemen. Het door de man ingestelde verzet slaagt niet, omdat uit artikel 62b lid 3 van de Participatiewet blijkt, dat het verzet niet gegrond kan zijn op de bewering dat de uitkering tot onderhoud ten onrechte is opgelegd of onjuist is vastgesteld. Daarvoor is een afzonderlijke wijzigingsprocedure vereist. Daar heeft de gemeente de man ook op gewezen in een brief van 8 februari
  19. De gemeente heeft verder verantwoordelijkheid genomen voor het nalaten om eerder in te grijpen door de ingangsdatum van het verhaal aan te passen naar 2 februari
  20. De man was in elk geval vanaf die datum op de hoogte van de echtscheidingsbeschikking en de daarin vastgelegde verplichtingen, omdat de gemeente hem daar op heeft gewezen. Zoals op de mondelinge behandeling ook uitgebreid met de man is besproken, ligt het nu echt op zijn weg om een wijziging van die beschikking te vragen als hiervoor aanleiding is. De man heeft tijdens de mondelinge behandeling laten weten deze wijzigingsprocedure nog niet te zijn gestart vanwege de hiermee gepaard gaande kosten, maar dit alsnog op korte termijn te zullen doen. 5De beslissing De rechtbank: 5.
  21. verklaart het verzet van de man ongegrond. Deze beschikking is gegeven door mr. V. Zuiderbaan, rechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. E.W.K. Bosman op 10 november
  22. Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden en overeenkomstig artikel 820 lid 2 Rv openlijk bekend is gemaakt.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.