← Nederland

ECLI:NL:RBAMS:2022:6701

RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13/752004-19 RK nummer: 19/6558 Datum uitspraak: 16 november 2022 UITSPRAAK op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 14 november 2019 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 17 april 2019 door de Circuit Court in Gorzów Wielkopolski Second Criminal Division (Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [naam opgeëiste persoon] , geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1985, verblijvend aan het adres: [adres] , [plaats] , hierna te noemen de opgeëiste persoon. 1Procesgang De vordering is behandeld op de openbare zitting van 21 september 2022, maar is toen voor bepaalde tijd aangehouden om de opgeëiste persoon in staat te stellen aanvullende stukken te laten overleggen in het kader van zijn beroep op gelijkstelling. De vordering is vervolgens behandeld op de openbare zitting van 2 november

  1. Het onderzoek is, met instemming van partijen, voortgezet in gewijzigde samenstelling. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie, mr. K. van der Schaft. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman, mr. B. Th. Nooitgedagt, advocaat te Amsterdam en door een tolk in de Poolse taal. De rechtbank stelt vast dat in deze zaak de termijn van 90 dagen waarbinnen de rechtbank ex artikel 22 OLW op het overleveringsverzoek moet beslissen, is verstreken. Dat betekent dat de rechtbank de beslistermijn niet meer kan verlengen en dat als gevolg daarvan geen grondslag meer bestaat voor gevangenhouding. 2Identiteit van de opgeëiste persoon De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.
  2. Grondslag en inhoud van het EAB In het EAB wordt melding gemaakt van een vonnis van de Provincial Court in Gorzów Wielkopolski van 24 januari 2012 met referentie VII K 126/
  3. In het EAB staat vermeld dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij het proces dat tot de beslissing heeft geleid. Op de zitting heeft de opgeëiste persoon bevestigd aanwezig te zijn geweest op de zittingen en bij de uitspraak. De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van één jaar en tien maanden, door de opgeëiste persoon nog geheel te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis. Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. 4Strafbaarheid: feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit de strafbare feiten heeft aangeduid als feiten vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. De rechtbank stelt vast dat er een discrepantie bestaat tussen de vertaalde Nederlandse en de originele Poolse versie van het EAB. In de originele versie is wél een lijstfeit aangekruist, in de vertaalde versie niet. De rechtbank gaat uit van de originele Poolse versie, waarin is aangekruist dat de feiten vallen onder nummer 20 van de genoemde lijst van bijlage 1 bij de OLW, te weten: oplichting Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van Polen een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld. 5Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW Overlevering van een met een Nederlander gelijk te stellen vreemdeling kan ingevolge artikel 6a, eerste en negende lid, OLW worden geweigerd indien deze is gevraagd ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een hem bij onherroepelijk vonnis opgelegde vrijheidsstraf en de rechtbank van oordeel is dat de tenuitvoerlegging van die straf kan worden overgenomen. Om in aanmerking te komen voor gelijkstelling met een Nederlander moet ingevolge artikel 6a, negende lid, van de OLW zijn voldaan aan twee vereisten, te weten:
  4. ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig verblijf in Nederland als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000;
  5. ten aanzien van de opgeëiste persoon bestaat de verwachting dat hij niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van de opgelegde straf of maatregel. Eerste voorwaarde De volgende door de raadsman overgelegde stukken acht de rechtbank relevant voor het beoordelen van de vraag of is voldaan aan de eerste voorwaarde: - de jaaropgaven over de jaren 2017, 2018, 2019, 2020 en 2021; - verschillende loonstroken waaruit blijkt dat op het loon van de opgeëiste persoon premies zijn ingehouden voor ‘GWL’ en ‘HV’ (de rechtbank begrijpt: ‘gas, water en licht’ en ‘huisvesting’). De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat sprake is van gelijkstelling en dat de overlevering om die reden moet worden geweigerd, zodat de opgeëiste persoon zijn straf in Nederland kan uitzitten. De officier van justitie merkt op dat de gelijkstellingsstukken door de raadsman te laat zijn aangeleverd en dat er daarnaast ook geen toelichting is verstrekt bij de vele overlegde documenten. De officier van justitie geeft aan zich te refereren aan het oordeel van de rechtbank voor zover dat een inhoudelijke beoordeling van de stukken betreft. Beoordeling door de rechtbank De rechtbank stelt voorop dat volgens vaste jurisprudentie van deze rechtbank (sinds april 2021 bovendien wettelijk verankerd in artikel 6a, negende lid, OLW) stukken ter onderbouwing van een beroep op gelijkstelling tijdig dienen te worden overgelegd. De rechtbank is van oordeel dat een termijn van uiterlijk 10 dagen voorafgaand aan de zitting in beginsel redelijk is, zodat de stukken door de rechtbank en de officier van justitie kunnen worden bestudeerd en de officier van justitie nog in de gelegenheid is vragen te stellen aan de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) over de verwachting dat de opgeëiste persoon al dan niet het recht op verblijf in Nederland verliest als gevolg van de opgelegde straf of maatregel, zoals bepaald in artikel 6a, negende lid, OLW. In dit geval heeft de raadsman de gelijkstellingsstukken vijf dagen voorafgaand aan de zitting ingediend. De omvangrijke set stukken, meer dan 500 documenten, zijn weliswaar niet voorzien van een begeleidend schrijven waarin onder meer is weergegeven wat de inkomsten per jaar waren, maar zijn wel inzichtelijk in mappen gesorteerd per jaar aangeleverd. De officier van justitie is voorts in de gelegenheid geweest om de IND zoals hiervoor bedoeld te bevragen. De rechtbank zal gelet op het voorgaande de aangeleverde gelijkstellingsstukken, ondanks hetgeen de officier van justitie daarover naar voren heeft gebracht, niet buiten beschouwing laten. De rechtbank is van oordeel dat uit de bovengenoemde stukken blijkt dat aan de eerste voorwaarde is voldaan. Er is sprake van een ononderbroken rechtmatig verblijf in Nederland van ten minste vijf jaren. Het inkomen van de opgeëiste personen is daarbij voor elk van de jaren ruim hoger dan 50% van de bijstandsnorm. Aan de eerste voorwaarde is aldus voldaan. Tweede voorwaarde Vervolgens moet de rechtbank toetsen of ook is voldaan aan de tweede voorwaarde voor gelijkstelling met een Nederlander. Dat zal moeten gebeuren aan de hand van een verklaring van de IND over de verwachting of de opgeëiste persoon al dan niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van de opgelegde straf of maatregel. Ook aan deze voorwaarde is voldaan. Dit blijkt uit een verklaring van de IND van 2 november
  6. De IND acht een verblijfsbeëindiging ten gevolge van de opgelegde straf niet aan de orde. De rechtbank moet daarom beoordelen of de tenuitvoerlegging van de in Polen opgelegde vrijheidsstraf kan worden overgenomen. De in artikel 6a, tweede lid, aanhef en onder a, OLW van overeenkomstige toepassing verklaarde weigeringsgronden staan niet in de weg aan overname van de tenuitvoerlegging van die vrijheidsstraf. Naar Nederlands recht kunnen de feiten als volgt gekwalificeerd worden: Feit 1 t/m 10 telkens: medeplegen van oplichting Feit 11 opzetheling, meermalen gepleegd Uit deze Nederlandse kwalificaties volgt dat de opgelegde vrijheidsstraf niet de toepasselijke Nederlandse wettelijke strafmaxima overstijgt. De opgelegde sanctie is naar zijn aard niet onverenigbaar met Nederlands recht. Voor een aanpassing van de opgelegde vrijheidsstraf overeenkomstig artikel 6a, derde tot en met vijfde lid, OLW bestaat daarom geen aanleiding. De rechtbank concludeert op grond van het voorgaande dat de tenuitvoerlegging van de opgelegde vrijheidsstraf kan worden overgenomen. Zij is dan ook bevoegd om de overlevering overeenkomstig artikel 6a, eerste lid, OLW te weigeren. In het onderhavige geval ziet zij geen aanleiding om af te zien van de uitoefening van die bevoegdheid. De rechtbank zal daarom de overlevering weigeren en gelijktijdig de tenuitvoerlegging van die vrijheidsstraf in Nederland bevelen. Daarbij zal de rechtbank op grond van artikel 27, vierde lid, OLW de gevangenhouding van de opgeëiste persoon tot aan de tenuitvoerlegging van die vrijheidsstraf bevelen. 6Slotsom Nu is vastgesteld dat de weigeringsgrond van artikel 6a OLW van toepassing is en de rechtbank geen aanleiding ziet om af te zien van toepassing van die weigeringsgrond, wordt de overlevering geweigerd. 7Toepasselijke wetsbepalingen De artikelen 47, 326 en 416 Wetboek van Strafrecht en 2, 5, 6a en 7 OLW. 8Beslissing WEIGERT de overlevering van [naam opgeëiste persoon] aan de Circuit Court in Gorzów Wielkopolski Second Criminal Division (Polen). BEVEELT de tenuitvoerlegging van de in overweging 3 bedoelde vrijheidsstraf in Nederland. BEVEELT de gevangenhouding van [naam opgeëiste persoon] tot aan de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf. Dit bevel is apart opgemaakt. Aldus gedaan door mr. R. Godthelp, voorzitter, mrs. M. Snijders Blok-Nijensteen en D.A. Segbedzi, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L.J.F. Ceelie, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 16 november
  7. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. Zie o.a. rechtbank Amsterdam 1 november 2018, ECLI:NL:RBAMS:2018:8945.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.