vonnis RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling Publiekrecht Teams Strafrecht Parketnummer: 13/114897-21 Datum uitspraak: 3 november 2022 Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] ( [land van herkomst] ) op [geboortedag] 1960, zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland. 1Het onderzoek ter terechtzitting Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 15 februari 2022 en 3 november 2022. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. S.M. Hoogerheide, en van wat de raadsman van verdachte, mr. R.A. Korver, en de advocaat van de benadeelde partij [benadeelde partij] , mr. L.F.M. Aarts, naar voren hebben gebracht. 2Tenlastelegging Aan verdachte is ten laste gelegd, zoals op de terechtzitting van 25 november 2021 nader is omschreven, dat: primair: hij op of omstreeks 15 november 2003 te Amsterdam, [benadeelde partij] opzettelijk en met voorbedachten rade, in elk geval opzettelijk, van het leven heeft beroofd, door kracht en geweld uit te oefenen op haar hoofd en hals, ten gevolge waarvan zij is overleden; subsidiair: hij op of omstreeks 15 november 2003 te Amsterdam, aan [benadeelde partij] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten, - zwelling van het gelaat met kneuzing van (de rechterzijde van) het gelaat en/of - ( ruwrandige) huidklieving op/in/van het achterhoofd, reikend tot op het schedelbot, en/of onderhuidse bloeduitstorting(en) op/in/van het hoofd en/of - ( onderhuidse) bloeduitstortingen op/in/van (de voorzijde van) de hals en/of - breuk van (de rechter hoorn van) het strottenhoofd en/of ter plaatse (in en/of nabij de luchtpijp) diverse bloeduitstortingen, heeft toegebracht, door kracht en geweld uit te oefenen op haar hoofd en hals, terwijl het feit de dood ten gevolge heeft gehad; meer subsidiair: hij op of omstreeks 15 november 2003 te Amsterdam [benadeelde partij] heeft mishandeld door kracht en geweld uit te oefenen op haar hoofd en hals, terwijl het feit de dood ten gevolge heeft gehad. 3Ontvankelijkheid van de officier van justitie Uit een bericht van het Bureau van de Rechter van Instructie van het district Marion te [geboorteplaats] ( [land van herkomst] ) van 12 juli 2022 blijkt dat verdachte op 23 juni 2022 is overleden. De rechtbank is van oordeel dat op grond van het bepaalde in artikel 69 van het Wetboek van Strafrecht het recht tot strafvervolging vervalt door de dood van de verdachte. De officier van justitie dient dan ook - overeenkomstig de vordering van de officier van justitie daartoe - niet-ontvankelijk in de vervolging te worden verklaard. 4Beslissing De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing. Verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vervolging van verdachte. Heft op het - geschorste - bevel tot voorlopige hechtenis. Beveelt dat, gelet op artikel 86, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering, de borgsom van € 10.000,- (zeggen: tienduizend euro) die door of namens de verdachte als zekerheid voor de nakoming van de aan de schorsing van de voorlopige hechtenis verbonden voorwaarden is gestort, wordt teruggegeven aan degene die deze zekerheid heeft gesteld, door overmaking van voornoemd bedrag op rekeningnummer [rekeningnummer] t.n.v. Stichting Beheer Derdengelden [naam] , te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het storten van de borgsom op 25 februari 2022 tot aan de dag waarop dat bedrag is teruggegeven. Dit vonnis is gewezen door mr. C.A. van Dijk, voorzitter, mrs. R.A. Sipkens en R.K. Pijpers, rechters, in tegenwoordigheid van mr. D. Gigengack, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 3 november 2022.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.