RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13/751321-20 RK nummer: 20/1851 Datum uitspraak: 24 november 2022 UITSPRAAK op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 7 april 2020 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 13 februari 2019 door the District Court in Zamośź (Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon], geboren te [geboorteplaats] ([geboorteland]) op [geboortedag] 1981, zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, hierna te noemen de opgeëiste persoon. 1Procesgang De vordering is behandeld op de openbare zitting van 10 november 2022. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. C.L.E. McGivern. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman, mr. G.M. Terlingen, advocaat te Hoorn, en door een tolk in de Poolse taal. De rechtbank stelt vast dat in deze zaak de termijn van 90 dagen waarbinnen de rechtbank ex artikel 22 OLW op het overleveringsverzoek moet beslissen, reeds is verstreken. Dat betekent dat de rechtbank de beslistermijn niet meer kan verlengen en dat als gevolg daarvan geen grondslag meer bestaat voor gevangenhouding. 2Identiteit van de opgeëiste persoon De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft. 3Grondslag en inhoud van het EAB In het EAB wordt melding gemaakt van een cumulative judgement van 20 december 2017 van de District Court in Zamośź. Dit vonnis (referentienummer, II K 79/17) is op 10 april 2018 onherroepelijk geworden. De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van vier jaren en zes maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog een jaar, vijf maanden en 29 dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis. Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel
- e)van het EAB. Uit aanvullende informatie d.d. 22 april 2020 blijkt dat het onderhavige vonnis een cumulatief vonnis betreft, waarin (in elk geval) een ander vonnis met nummer II K 52/14 is betrokken. 4Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Gezien de bewoordingen van het EAB en de door de uitvaardigende justitiële autoriteit op 22 april 2020 verstrekte aanvullende informatie, betreft het vonnis dat ten grondslag ligt aan het EAB, te weten het vonnis van de District Court in Zamośź van 20 december 2017 (II K 79/17), een cumulatief vonnis. Onduidelijk is echter wat nu precies in dat vonnis heeft gecumuleerd. Op grond van de informatie in het EAB, en de overige beschikbare gegevens, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende vast komen te staan of en in hoeverre het vonnis dat ten grondslag ligt aan het EAB (het vonnis II K 79/17) een verzamelvonnis is, in die zin dat er vonnissen zijn samengevoegd, of niet en zo ja welke. Er is bij de uitvaardigende justitiële autoriteit hiernaar geen navraag gedaan. Daar bestond wel aanleiding toe, omdat (
- i)uit de op 22 april 2020 verstrekte aanvullende informatie kan worden afgeleid dat in elk geval het vonnis van met nummer II K 52/14 in het vonnis II K 79/17 is betrokken, (
- ii)het EAB dus spreekt van een cumulatief vonnis en (iii) ook andere feiten dan die in het vonnis II K 52/14 worden genoemd, in het EAB zijn vermeld. Zonder nadere informatie is onduidelijk of in vonnis II K 79/17 in relatie tot die andere feiten over schuld en straf is geoordeeld en of dit niet al in een eerder (ander onderliggend) vonnis is gedaan. Dit heeft tot gevolg dat het evenmin duidelijk is of in het kader van de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW moet worden getoetst of nog een ander vonnis (dan vonnis II K 52/14) aan voornoemd vonnis ten grondslag ligt en zo ja, of de opgeëiste persoon ten aanzien van dat vonnis van zijn verdedigingsrechten gebruik heeft kunnen maken. Dit leidt ertoe dat de informatie in het EAB en de aanvulling hierop onvoldoende is om de rechtbank in staat te stellen om te beoordelen of de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW zich eventueel voordoet. Dat er wel informatie is met betrekking tot de procedures die tot de vonnissen II K 52/14 en II K 79/17 hebben geleid (daargelaten of die informatie toereikend is), doet daar niet aan af. De rechtbank ziet geen aanleiding om nadere vragen te stellen over (de samenstelling van) het vonnis dat aan het EAB ten grondslag ligt, omdat de beslistermijn al geruime tijd is verstreken. De rechtbank zal de overlevering daarom wegens ongenoegzaamheid van het EAB weigeren. Het EAB bevat immers onvoldoende gegevens om te toetsen of het verzoek voldoet aan de in de OLW geformuleerde vereisten. 5Slotsom Nu is vastgesteld dat het EAB niet voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW, moet de overlevering worden geweigerd. 6Toepasselijke wetsbepalingen De artikelen 2, 5 en 7 OLW. 7Beslissing WEIGERT de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the District Court in Zamośź (Polen) voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel
- e)van het EAB. Aldus gedaan door mr. M.T.C. de Vries, voorzitter, mrs. M. van Mourik en A.J. Scheijde, rechters, in tegenwoordigheid van R. Rog, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 24 november 2022. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.