RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13/103576-22 RK nummer: 22/2616 Datum uitspraak: 25 augustus 2022 UITSPRAAK op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 12 mei 2022 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 26 oktober 2021 door de Beiuş City Court (Roemenië) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon] geboren te [geboorteplaats] (Roemenië) op [geboortedag] 1989, ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres: [adres] , hierna te noemen de opgeëiste persoon. 1Procesgang De vordering is behandeld op de openbare zitting van 11 augustus 2022. Het onderzoek heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie, mr. M. Westerman. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. M.H. Aalmoes, advocaat te Amsterdam en door een tolk in de Roemeense taal. De rechtbank stelt vast dat in deze zaak de termijn van 90 dagen waarbinnen de rechtbank ex artikel 22 OLW op het overleveringsverzoek moet beslissen, reeds is verstreken. Dat betekent dat de rechtbank de beslistermijn niet meer kan verlengen en dat als gevolg daarvan geen grondslag meer bestaat voor gevangenhouding. 2Identiteit van de opgeëiste persoon De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Roemeense nationaliteit heeft. 3Grondslag en inhoud van het EAB In het EAB wordt melding gemaakt van een criminal sentence no. 552/2020 van de Beius City Court van 17 december 2020, onherroepelijk sinds 9 augustus 2021 door de sentence in the criminal case no. 90/DCP 2021 van de Bihor County Court (referentie: 975/187/2020). In het EAB staat vermeld dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij het proces dat tot de beslissing heeft geleid. De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van 1 jaar en 6 maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis. Dit vonnis betreft het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB. 3.1 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW De raadsvrouw stelt zich op het standpunt dat de overlevering moet worden geweigerd op grond van artikel 12 OLW, omdat de opgeëiste persoon – in tegenstelling tot wat het EAB vermeldt – niet in persoon aanwezig was bij het proces dat tot de beslissing heeft geleid. Hiertoe heeft zij een (in de Roemeense taal gesteld) vonnis overgelegd waaruit zou blijken dat de opgeëiste persoon in 2018 aanwezig was op een zitting waarbij de straf van 1 jaar en 6 maanden voorwaardelijk is opgelegd. Het vonnis dat wordt genoemd in het EAB zou op de executie van die voorwaardelijke straf zien, maar de aard van de maatregel zou zijn gewijzigd zodat ook geen sprake is van een situatie zoals bedoeld in het arrest van het Hof van Justitie in de zaak Ardic (ECLI:EU:C:2017:1026). Volgens de raadsvrouw was de opgeëiste persoon bij het vonnis genoemd in het EAB niet aanwezig. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het door de raadsvrouw overgelegde stuk onvertaald is, en aldus geen onderdeel van het dossier kan uitmaken. Bovendien is er geen reden te twijfelen aan de informatie verstrekt in het EAB. De rechtbank overweegt als volgt. Door de raadsvrouw is een onvertaald vonnis overgelegd, zodat de rechtbank over de inhoud van dat vonnis niet kan oordelen. De rechtbank is bovendien van oordeel dat, al zou uit het overgelegde vonnis blijken dat de opgeëiste persoon in 2018 aanwezig was bij de behandeling van de zaak, dit de informatie uit het EAB niet weerlegt. Zonder verdere onderbouwing door de (raadsvrouw van) de opgeëiste persoon dat hij niet aanwezig was tijdens de behandeling van de zaken genoemd in het EAB – de enkele ontkenning van die informatie volstaat niet – heeft de rechtbank dan ook geen aanleiding om aan die informatie te twijfelen. Hiervan uitgaande geeft de aanwezigheid van de opgeëiste persoon in 2018 ook overigens geen aanleiding voor het oordeel dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW aan de orde zou zijn, of nu sprake zou zijn van een situatie zoals bedoeld in de zaak Ardic, of juist niet. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW is gelet op het voorgaande niet van toepassing. De rechtbank verwerpt het verweer. 4Feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a 2°, OLW zijn neergelegd. De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan. Het feit levert naar Nederlands recht op: Mishandeling. 5Roemeense detentieomstandigheden De rechtbank heeft in eerdere zaken al geoordeeld dat, vanwege de algemene detentieomstandigheden in Roemenië, waaronder met name de overbevolking in de gevangenissen, voor gedetineerden in Roemeense gevangenissen een reëel gevaar bestaat van onmenselijke of vernederende behandeling, zoals bedoeld in artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: Handvest). Het meest recente rapport van the European Committee for the Prevention of Torture and Inhuman or Degrading Treatment or Punishment (hierna: de CPT) van 14 april 2022 naar aanleiding van een bezoek aan penitentiaire inrichtingen in Roemenië van 10 tot 21 mei 2021 (CPT/Inf
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.